RSS

Tag Archives: Edgar Allan Poe

De derde man in Hermans’ ‘Donkere kamer van Damokles’

door Jerry Mager
op de blogsite Work In Progress in de periode januari 2015 – 02 februari 2015

‘’Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’’ – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’
Ludwig Wittgenstein:
Philosophische Untersuchungen.

“If I see two men at once, I cannot by any such direct experience identify both of them with a man I saw before. I can only identify them if I regard them, not as the very same, but as two different manifestations of of the same man.”
C.S. Peirce (1978/1940:93): The principles of phenomenology

“Er zijn twee soorten schrijvers. De eerste soort wil zich, zichzelf, rechtvaardigen als mens. De tweede soort wil zich rechtvaardigen als schrijver. De diepere werkelijkheid van de tweede soort schrijver is een onmiddellijk als mythologisch geconcipieerde werkelijkheid. Hij is geen realist en gelooft niet aan ‘de’ werkelijkheid. Zijn romanpersonages zijn geen zelfportretten of portretten van personen die de schrijver heeft ontmoet. Maar het zijn de incarnaties van de wilde jungledieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen.”
W.F. Hermans in
Het sadistische universum

Bij de debatten en discussies over ‘De donkere kamer van Damocles’ van W.F. Hermans ging en gaat het nog altijd hoofdzakelijk over de vraag of Osewoudts ‘dubbelganger’ Dorbeck al dan niet bestaat of bestaan kan hebben. Hermans voert in zijn roman echter een tweede dubbelganger ten tonele: Egbert Jagtman. Deze Jagtman zou Dorbecks dubbelganger kunnen zijn en dus – in commissie – ook die van Osewoudt. Aan dit personage Jagtman is door de analysten en critici verrassend weinig aandacht besteed, terwijl het toch een belangrijk aspect belichaamt van de mate waarin Hermans in zijn verhaal consistent en geloofwaardig is.

aannemelijk?
De drie personages Osewoudt, Dorbeck en Jagtman moeten door de schrijver op aannemelijke wijze als voor elkaar inwisselbaar gepresenteerd worden. Als Jagtman het evenbeeld is van Dorbeck en Dorbeck dat van Osewoudt, dan is Jagtman dus ook het evenbeeld van Osewoudt. Is het waarschijnlijk dat Jagtman op Dorbeck en dus ook Osewoudt lijkt? Is de manier waarop de geallieerde autoriteiten te werk gaan bij de verificatie van de eventuele overeenkomsten tussen het kadaver en Osewoudt en Dorbeck, waarschijnlijk?

In deze posting enkele ideëen.

In de roman introduceert Hermans het personage Jagtman via Dorbeck, op bladzijde 30. (Mijn paginaverwijzingen zijn naar het gratis exemplaar dat in november 2012 werd verspreid door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de actie Nederland leest, isbn: 978 90 5965 179 1). We bevinden ons dan in de begintijd van de Duitse bezetting, rond eind 1940. Tot op bladzijde 278 – de roman telt 328 bladzijden – horen we daarna niets over Jagtman (en Dorbeck). Op bladzijde 278 zijn we vier jaar verder en in de prille dagen na de bevrijding van Nederland (april – mei 1945) beland en bevindt Osewoudt zich in Nederlandse detentie op verdenking van spionage, sabotage en liquidaties in opdracht van de Duitsers, ten tijde van de bezetting. Tot zijn verdediging voert Osewoudt aan dat hij voor het geallieerde verzet werkte en op instigatie en aanwijzingen van Dorbeck handelde. Alle pogingen om Dorbeck na de bevrijding op te sporen echter, mislukken. Ieder spoor loopt dood.

Op bladzijde 278 informeert de Nederlandse politieman Spuybroek Osewoudt dat er een massagraf is ontdekt: “We hebben bericht gekregen van een Engelse commandant ergens in de buurt van Oldenburg. Ze hebben daar een massagraf opgegraven. Bij de lijken die tevoorschijn gekomen zijn, schijnt er een te wezen dat aan de beschrijving beantwoordt.” Het betreffende kadaver zou Egbert Jagtman kunnen zijn. Spuybroek: “Herinner je je nog, dat je een verhaal verteld hebt waarin de naam Jagtman voorkwam. Jagtman… een naam en een adres die je van Dorbeck had opgekregen. Je moest daar foto’s naartoe sturen. Het was op het Legmeerplein in Amsterdam. Maar toen je daar eens ging kijken, bleek dat er juist de vorige nacht een vliegtuig was neergestort op dat huis en dat de hele familie Jagtman daarbij was omgekomen? Was het zo niet?
– Ja, ongeveer.
– Nou. Weet je wie zich aangemeld heeft? De tandarts van die familie Jagtman. Hij weet precies hoe de gebitten van die mensen eruitzagen. Als nu het gebit van dat lijk in Oldenburg overeenkomt met dat van een lid van die familie Jagtman, dan zijn we heel wat verder. Dan wordt het begrijpelijk waarom niemand van Dorbeck heeft gehoord. Dan ligt de veronderstelling voor de hand dat Dorbeck een schuilnaam geweest is en dat hij in werkelijkheid Jagtman heette.”

Ze gaan naar Oldenburg. De tandarts wordt onderweg opgepikt en tussen Osewoudt en hem ontspint zich het volgende gesprekje.

“Pas toen de auto aan de ingang van de Engelse legerplaats te Oldenburg stopte, kreeg Osewoudt de kans enkele woorden te wisselen met de tandarts die zij onderweg hadden opgepikt.
– Meneer, vroeg Osewoudt, u heeft dus de hele familie Jagtman goed gekend?
– Ja, ze waren allemaal bij mij in behandeling.
– En er was er een bij die op mij leek?
– Ik zou zeggen van wel. Daarom heb ik ook de politie opgebeld toen ik die foto van Dorbeck in de krant zag. Maar u moet wel begrijpen, het is alweer vijf jaar geleden dat ik hem het laatst gezien heb. Ik houd geen fotoalbum bij van mijn patiënten.
– Hoe heette hij precies?
– Egbert.
– Egbert. Heeft u hem na mei 1940 nog gezien?
– Dat is het hem juist. Hij is het laatst bij mij geweest in augustus 1939 – Daarna is hij gemobiliseerd.
– Was hij bij de artillerie?
– Ik zou het niet precies kunnen zeggen.
– Hoe oud was hij?
– Drie en twintig.
– Maar als nu een andere tandarts terwijl hij in dienst was, een heleboel aan zijn gebit veranderd heeft?”

Osewoudt heeft op het moment dat dit voorval in Oldenburg zich afspeelt alweer zijn gewone witte dunne haar. Als de tandarts vindt dat Jagtman op de foto (is die van Dorbeck of Osewoudt?) lijkt, dan moet Egbert Jagtman licht haar hebben gehad. Zelfs op een zwart-wit foto is te zien of iemand wit of zwart haar heeft. Over de haarkleur van Jagtman en Osewoudt wordt echter met geen woord gerept, terwijl de tandarts Osewoudt toch in persoon voor zich heeft. Dan is er de kwestie van de lichaamslengte. Osewoudt is vanwege zijn kleine postuur afgekeurd voor militaire dienst – hij was een halve centimeter te kort – terwijl Egbert Jagtman officier zou zijn geweest. Valt Osewoudts geringe lichaamslengte de tandarts niet op en komt die overeen met die van zijn patiënt Jagtman? Dorbeck zou bijna even kort als Osewoudt moeten zijn, maar net een halve centimeter langer. Dat was Dorbeck althans tijdelijk, want Dorbeck beweert dat hij zich vlak voor de militaire keuring heeft uitgerekt. Na de keuring moet Dorbeck tenminste een halve centimeter zijn teruggezakt, als een pudding, misschien zelfs iets meer dan die halve centimeter indien hij zich vóór de keuring verder dan een halve centimeter had opgerekt. Ook Jagtman moet dus tamelijk klein van stuk zijn geweest. Hoe kort of lang was Jagtman? Hierover rept Hermans met geen woord.

het kadaver
Op bladzijde 284 wordt in Oldenburg het kadaver onderzocht dat eventueel van Dorbeck zou kunnen zijn. “Helemaal achterin lag het lijk dat hij bedoelde. Het had een kruis van rode menie op de lichtblauwe, opgezwollen buik. De ogen waren open, maar de oogballen verdwenen. Op de wangen kleefde een dunne zwarte baard. Ook het hoofdhaar was zwart.
– Is dit Dorbeck? vroeg Selderhorst. Osewoudt aarzelde.
De tandarts hurkte, zette zijn spatel tussen de gesloten kaken van de dode, en wrikte de mond open. In de andere hand hield hij zijn zaklantaren.
– Al gezien! riep hij, zich weer oprichtend, heeft geen tand of kies meer in de mond!”

Ook over het postuur van dit lijk geeft Hermans niet de informatie die je onder de gegeven omstandigheden mag verwachten: hoe lang is de dode man en is zijn zwarte hoofdhaar van nature zwart, dus niet zwart geverfd. Heeft hij ook zwart oksel- en schaamhaar? De lezer krijgt er niets over te lezen. Op de wangen van het kadaver kleefde een “dunne zwarte baard” terwijl van Dorbeck op bladzijde 24 wordt gemeld dat hij blauwe kaken had vanwege een zware baardgroei: “ Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels.” Waarom zouden de autoriteiten Osewoudt en de tandarts naar Oldenburg slepen, terwijl ze al wisten dat het lijk geen gebit en geen ogen had? Op z’n minst hadden ze de lichaamslengte van de dode kunnen doorgeven. Spuybroek zegt dat ze afgaan op een beschrijving, maar aan welke beschrijving beantwoordt het lijk dan? Waarom ligt het kadaver dat onderzocht zal worden nog tussen de andere lijken in de drab en smurrie, terwijl de Engelsen weten dat de delegatie in aantocht is om het lijkt te inspecteren? Het massagraf werd nota bene tien dagen ervoor al gevonden. Hermans verstrekt geen forensische gegevens over het kadaver, behalve de opgezwollen buik (284). Als lezer kun je onmogelijk nagaan of het kadaver geloofwaardig “vers” genoeg is, juist te vers, of net over de waarschijnlijke houdbaarheidsdatum onder die omstandigheden.  Men sleept Osewoudt wel heen en weer naar Engeland (bladzijde 242-255) om hem te ‘verhoren’ maar gaat blijkbaar erg nonchalant met dit belangrijke lijk om. Uiterst vreemd en niet bijster overtuigend.

Hermans’ wisseltruc met shifters

“Der Held interessiert Dostojewski nicht als ein Phänomen der Wirklichkeit, das bestimmte, fest augeprägte sozialtypische und individuell-charakteristische Merkmale aufweist, nicht als eine äuβere Gestalt, die sich aus eindeutigen und objektiven Zügen zusammensetzt, welche in ihrer Gesamtheit die Frage > Wer ist er? < beantworten. Dostojewskij kommt es nicht darauf an, was sein Held in der Welt darstellt, sondern darauf , was die Welt für den Helden, was der Held für sichselber darstellt.”
Mikhail Bakhtin (1985:86): Literatur und Karneval.

Hermans haalt echter een wisseltruc uit met Osewoudt en met de lezer. Dat doet hij middels de shifters Osewoudt, Dorbeck en Jagtman. Een shifter (Otto Jespersen, Roman Jakobson) is een taalteken dat verwijst naar een situationele context, naar de concrete taalgebruikssituatie. Het zijn deiktische uitdrukkingen (bijvoorbeeld: die, gisteren, jij, hier) waarvan de referentie – hetgeen waarnaar ze verwijzen – afhangt van en verandert met de gebruikssituatie. Smulders gebruikt zeer overtuigend ‘cross-world identity’ (google bijvoorbeeld op de filosoof David Lewis), maar ik prefereer shifters. In een ander stuk zal ik uitleggen waarom.
De namen Dorbeck, Osewoudt en Jagtman ( aan het eind strooit Hermans met de naam Elkan, zand in de raderen) verwijzen naar steeds andere personages, afhankelijk van de taalgebruikssituatie. Terwijl we denken een passage te lezen die over Osewoudt lijkt te gaan, blijkt achteraf – daar kun je door oefening tot op zekere hoogte op leren anticiperen – dat het eigenlijk over Dorbeck/Jagtman gaat, en andersom, omgekeerd, achterstevoren en binnenstebuiten.
Immers Osewoudt, Slegtenhorst, Spuybroek en de tandarts van Egbert Jagtman gaan naar Oldenburg om een kadaver te inspecteren dat mogelijkerwijze de dode Jagtman kan zijn. Dat meldt Spuybroek op bladzijde 278-279 aan Osewoudt. Maar ook Spuybroek is niet eenduidig. Hij heeft het over “de beschrijving”, maar zegt niet van wie de beschrijving afkomstig is en wie er beschreven wordt: de politie, Osewoudt, Jagtman of Dorbeck?
Osewoudt beweert dat hij Dorbeck kent, maar (291) nooit heeft beweerd dat Jagtman en Dorbeck dezelfde zijn. Hermans laat Slegtenhorst een wisseltruc uithalen om Osewoudt in zijn verwarring te bevestigen, zodat die straks terecht als verrader voor het gaas kan. De tandarts echter gaat mee om te verifiëren of het kadaver misschien van zijn patiënt Jagtman zou kunnen zijn, niet van Dorbeck, want de tandarts kent Dorbeck helemaal niet.
Slegtenhorst stelt Osewoudt echter de vraag of het lijk Dorbeck is (284). Osewoudt aarzelt, logisch, want hij heeft Jagtman nooit gezien en Dorbeck hoogstwaarschijnlijk ook niet (Smulders: is het noodzakelijk dat Dorbeck bestaat?) .
Voordat Osewoudt iets kan zeggen, laat Hermans de tandarts melden dat het lijk geen tand of kies meer in de mond heeft. Hij kan dus niet vaststellen of het Jagtman is. De tandarts bekijkt alleen het gebit en niet het hele kadaver. Hij zegt niets over de lengte van Jagtman. Of het kadaver van Jagtman kan zijn, kan de tandarts niet vaststellen, of het Dorbeck is, kan Osewoudt evenmin zeggen. (boek Smulders, 249) Slegtenhorst dringt niet verder bij Osewoudt aan en de lezer krijgt dus hom noch kuit.

Smulders’ redenen

“It appears to me that this mystery is considered insoluble, for the very reason which should cause it to be regarded as easy of solution”
E.A.Poe, in: ‘The Murders In The Rue Morgue’

De Neerlandicus Smulders heeft vast niet toevallig een naam die ook met een S begint en bovendien op een s eindigt: een molenaar – “mulder” – tussen essen. Om te smullen! Wilbert Smulders zegt op bladzijde 50 – 51 van zijn boeiende boek dat hij zich niet wil bezighouden met de vraag omtrent het al dan niet bestaan van Dorbeck. Hij concludeert dat de roman van Hermans een onoplosbaar interpretatieprobleem met zich brengt en stelt zich ten doel te achterhalen welke redenen daarvoor verantwoordelijk zijn.

Smulders is geïnteresseerd in de redenen die de lezer nopen zich op een gegeven moment de vraag te stellen of Dorbeck al dan niet bestaat. Het knappe van Smulders is dat hij postuleert dat die redenen (die volgens Smulders de lezer dus zullen dwingen) dezelfde zijn die ervoor zorgen dat op de vraag of Dorbeck wel of niet bestaat, geen antwoord mogelijk is. Smulders’ formulering deed me sterk denken aan een passage bij Poe – zie citaat hierboven.

Het gaat bij Smulders dus om dezelfde redenen die een ander doel niet dienen. Kan dit, zeg ik het zo correct? Bij Smulders gaat het om identieke redenen terwijl het in Hermans’ roman om identieke personages gaat. Slaagt Smulders in zijn queeste? Wie een antwoord op die vraag wil, moet Smulders’ verhandeling zelf lezen. Die is zeer de moeite waard.

“Het centrale idee van het boek [i.e. Damokles; jm] is dat van het misverstand. Het is ook een kwestie van zichzelf verkeerd beoordelen, dat kun je geen misverstand noemen. Het is mogelijk dat de mens innerlijk verandert, dat de man die vandaag leeft niet meer kan onderschrijven wat hij gisteren heeft gedaan. Mensen uit één stuk bestaan in mijn romans niet. Die verandering, dat is juist het vreemde, die is niet discontinu, maar juist continu, maar omdat we geen houvast hebben aan iets dat voortdurend verandert, stellen we ons dus onophoudelijk de vraag, wat is authentiek in wat we doen en wat we denken.”
W.F. Hermans (1959,1962) over ‘De donkere kamer van Damokles’ in ‘Scheppen riep hij, gaat van Au’

Op eigen ervaring afgaande, meen ik dat je je als lezer van Damokles op verschillende momenten tijdens het lezen de vraag stellen kunt of zelfs moet, of Dorbeck/Jagtman bestaan, en dat die vraag bij iedere lezing van het verhaal op een ander moment gesteld zal worden en het antwoord steeds wisselend moet zijn. Je stelt je die vraag als lezer echter bijna nooit bewust en dat veroorzaakt de desoriëntatie waarover Smulders het heeft in hoofdstuk 4 van zijn verhandeling.
Dat de mens ook innerlijk verandert, geldt zowel voor de lezer als voor het personage waarover hij leest. Wie verandering bij wie veroorzaakt, weet ik niet en dat interesseert me ook niet. De redenen die Smulders misschien vandaag verstrekt, waren gisteren vermoedelijk al niet meer valide. Dat doet aan mijn leesplezier – van zowel Hermans als Smulders – evenwel geen sikkepit af.
In plaats van de ‘mise en abyme’ / het Droste-effect (Smulders, 248), opteer ik tijdens lezing daarom toch eerder en vaker voor Derrida’s ‘différance’, dat doet mij me meer thuis voelen bij het lezen, omdat ik het voortdurende uitstellen van betekenis, inherent aan de (non-)identiteit, als een natuurlijk gegeven ervaar. Ik denk in dit kader ondermeer aan die niet-op-elkaar-lijkende-namen Osewou-dt en Dorbe-ck, waarvan Osewoudt beweert dat ze op elkaar lijken. Alleen omdat je niet kunt horen dat Dorbeck met ‘ck’ geschreven wordt en Osewoudt met ‘dt’. Is dit een geval van functionele redundantie?

het negatief van de pudding

 “Geen enkel verhaal, hoe realistisch ook, geeft antwoord op alle vragen die eraan zouden kunnen worden gesteld. De kunst van de realistische auteur is alleen dat hij te krasse tegenspraken vermijdt, dat hij in waarnemingsvermogen niet achterstaat bij de gemiddelde waarnemer. Kortom, hij weet de indruk te wekken dat ‘het klopt’.
Toch geeft hij op eenvoudige vragen geen antwoord. Zijn kunst is het scheppen van een sfeer waarin bepaalde vragen niet passen.”
W.F.Hermans (1974:117): ‘Het sadistische universum’

Indien Jagtman dezelfde persoon zou zijn als Dorbeck, dan nog moeten zowel Jagtman als Dorbeck op Osewoudt lijken. Maar lijkt Osewoudt wel op Dorbeck? Op bladzijde 25 ziet Ria Dorbeck en ze meent: “ Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto lijkt op een positief. Jij lijkt op hem zoals een mislukte pudding lijkt op een… weet ik veel… op een pudding die wel gelukt is.” Lijkt een negatief op een positief? Probeer maar eens van zes postieven en de zes bijbehorende negatieven bij ieder positief het juiste negatief te vinden. Zelfs met behulp van een lichtbak zal dat een hele klus blijken.
Ria vindt Dorbeck en Osewoudt beiden op een pudding lijken, dus zij waardeert Dorbeck heel anders dan Osewoudt, die Dorbeck adoreert en idealiseert. Ria is misschien geen sympathieke vertelinstantie, maar is zij daarom een onbetrouwbare? “De mensen waar romans over handelen, worden door de lezers onderscheiden in sympathieke en antipathieke. Wat is een sympathiek romanpersonage? Het is een personage waarover de schrijver niet meer bekend maakt dan de massa, in zijn op schijnwaarden gebaseerde onderlinge verkeer, in het openbaar over zichzelf wil weten.”

Kun je spreken van betekenisvol onderscheid tussen een gelukte en een mislukte pudding? Voor mij is pudding pudding, de puddingachtige substantie maakt het wezenlijke van pudding uit.
En dan Osewoudts mond (19), die “deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.” Over Dorbecks mond (24) vertelt Hermans niets. We worden alleen over zijn witte tanden geïnformeerd: “Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond.” Over Osewoudts gebit krijgen we niets te lezen. De beschrijvingen van Osewoudts mond (“bek”) en Dorbecks gebit suggereren alleen dat het onwaarschijnlijk is dat de monden van Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken.

De enige die Dorbeck zo op Osewoudt vindt lijken dat ze inwisselbaar zouden zijn, is Osewoudt. Marianne zegt bij het zien van het op het bioscoopscherm geprojecteerde portret (bladzijde 139) “ Filip, wat is dat gek! Die man lijkt op jou!” Waarom vindt Marianne dat “gek”? Lijken op iemand wil nog niet zeggen dat je voor elkaars dubbelganger kunt doorgaan. Wat de mensen in de zaal precies voor een foto krijgen te zien, weten we niet. Is het een profiel foto, en face, half profiel? Osewoudt heeft “een neusje” (bladzijde 19, 289) dat aan het eind opwipt met brede dunne neusvleugels, doorzichtige afstaande oren en een bek in plaats van een mond. Worden al deze kenmerken zichtbaar op de geprojecteerde foto? Zou je bij deze beschrijving direct aan Dorbeck denken?

van fonemen en morfemen
Hermans haalt nog aardig een grapje uit op bladzijde 24. Ik geef de hele passage.
“Hoe is de naam?
– Dorbeck. Met ck. ‘Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
– Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
– Dan lijken onze namen op elkaar.
De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen, die hem aankeken of zij iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
– U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
– Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.
Dorbeck lachte. Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond. Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels. Het vel van zijn wangen leek daardoor des te witter, maar onder zijn jukbeenderen gloeide het roodachtig. Hij had een stem als een klok van brons. – Bedankt, zei hij. …”

Wie kan er nou beweren dat de namen Dorbeck en Osewoudt op elkaar lijken? Ze klinken anders en ze worden heel anders geschreven. Het enige waarin ze “op elkaar lijken” is dat je de “dt” en “ck” aan het eind niet hoort. Hermans vertaalt hier als het ware Wittgensteins uitspraak 4.1212 uit de Tractatus: “Wat getoond worden kan, kan niet worden gezegd.” Je moet de namen geschreven zien, of ze moeten voor je gespeld worden. (Jacques Derrida zal er zijn idee van het primaat van het schrift aan ontleend hebben).
Hermans zegt hier in feite dat Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken door iets wat er niet hoorbaar is. Bedenk dat Osewoudt een hoge piepstem heeft terwijl de schrijver Dorbeck een bronzen stemgeluid toebedeelt. In lemma 3.26 van de Tractatus beweert Wittgenstein bovendien: “De naam kan door geen enkele definitie verder worden ontleed: hij is een oerteken.” Hermans legt op bladzijde 175 van zijn vertaling van de Tractatus uit dat namen bij Wittgenstein niet verwijzen naar personen of dingen maar dat het de kleinste betekenisvolle eenheden (morphemen) in de volzin zijn.

De beide namen Osewoudt en Dorbeck lijken helemaal niet op elkaar, alleen hoor je het verschil tussen de ‘dt’ of ‘d’ of ‘t’ aan het eind van een woord in het Nederlands niet. In ‘hij deed’ en ‘hij doet’ klinken de eind-d en eind-t hetzelfde. Laat je een Nederlander de Engelse zin uitspreken: ‘He had a hat on his flat head’ dan zal in negen van de tien gevallen een native speaker Engels even moeten slikken bij het snel proberen te achterhalen wat de Nederlander precies bedoelt.
In het Engels zijn de eind-t en eind-d namelijk wel discriminerend, net als de ‘a’ en de ‘e’ in bijvoorbeeld ‘hat’ en ‘the Met’ (the Metropolitan). De ‘ck’ daarentegen spreek je ook het Engels eender uit als in het Nederlands, bijvoorbeeld in: ‘cheek’ en ‘check’. Wie hier verder in wil grasduinen googele om te beginnen bijvoorbeeld op ‘fonemen’.

Wie zegt in de hierboven gegeven tekst de woorden: “Dan lijken onze namen op elkaar.”?

Dat kan zowel Osewoudt als Dorbeck zijn. Wie informeert de lezer over de gelijke lengte van Dorbeck en Osewoudt middels: “Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen.” Is diegene een betrouwbare verteller? Dorbeck beweert dat hij zich heeft uitgerekt. Zou Osewoudt dat niet ook hebben gedaan? En dan nog: de ogen kunnen aan halve centimeter hoger of lager in de schedel staan. Wordt het aannemelijker dat de ogen van Dorbeck, het kadaver, en Osewoudt op de gelijke plek in de respectieve schedels zijn gesitueerd door de oogballen van het kadaver kwijt te maken, of is dit ook zo’n typisch Hermans’ plagerijtje? Kortom, de sprekende gelijkenis tussen Osewoudt, Dorbeck – en Jagtmans – die Hermans ons, lezers, zo succcesvol probeert op te dringen, is helemaal niet zo vanzelfsprekend.

P.C. Hooft
Gebruik voor de aardigheid de P.C. Hooft-prijs eens in een dictee aan middelbare scholieren. De helft die niet weet wie P.C. Hooft is en dat er een literaire prijs naar hem is vernoemd, schrijft PC-hoofdprijs en denkt dat het om een prijs in de computerij gaat.
Er bestaan zelfs leerlingen die PC-hooftprijs opschrijven omdat zij én niet weten wie Hooft was nóch hoe je hoofd/kop spelt. Toch horen ze allemaal hetzelfde woord en bestaan zowel Hooft als hoofd.

wat heet ‘lijken op’?
Lijkt Osewoudt op Meursault van Camus?
Hermans kende het werk van Albert Camus op zijn duimpje; zeker de klassiekers ‘De vreemdeling’ en ‘De mythe van Sisyphus’. In ‘De vreemdeling’ van Camus wordt de hoofdpersoon Meursault door de gevangenisaalmoezenier ‘bezocht’. De priester probeert Meursault te bekeren. In feite beweegt hij hemel en aarde om Meursault zich tot beschaafde Fransman te laten bekennen, en beschaafde Europeanen zijn tenminste nominaal en formeel gristen – in dit geval: katholiek. L’Étranger speelt zich af in islamitisch Algerije, dat destijds een franse kolonie was.
Ook Hermans laat Osewoudt door een priester teisteren, maar maakt van de interactie tussen Osewoudt en pater Beer een komische akt voor twee mannen en zet pater Beers neer als een koddige imbiciel, terwijl Camus de priester als een schuimbekkend schlemiel portretteert. Zowel Meursault als Osewoudt moeten wachtend op hun executie de bezoeking door een zwartrok ondergaan.
Kun je zeggen dat ‘De donkere kamer van Damokles’ als twee druppels water lijkt op L’Étranger? Beide verhalen gaan over de absurditeit van het leven en ik weet bijna zeker dat Hermans zich bij het schrijven van De donkere kamer hevig door Camus (en Franz Kafka) heeft laten inspireren. Maar in hoeverre ‘lijken’ de respectieve verhalen en hun protagonisten op elkaar?

Nog een frappante ‘gelijkenis’ ontdekte ik in Hermans’ verhaal ‘Het behouden huis’ en ‘Nachttrein naar Lissabon’ van de Zwitserse filosoof Peter Bieri. De verteller Raimund Gregorius in Bieri’s verhaal valt het op dat in het huis de Portugese arts en denker Amadeu de Prado, in Lissabon, geen stof op de langbewaarde voorwerpen ligt.
De hoofdpersoon in Hermans verhaal valt tijdens zijn zoektocht in het huis eveneens op dat er nergens stof ligt: “Opeens wist ik het: er lag nergens stof. Zolang er in een huis geen stof ligt, leeft het nog …” Gregorius onderzoekt en evalueert zijn leven door zich aan andere levens te spiegelen, zijn leven met dat van andere te vergelijken. Osewoudt kijkt op belangrijk momenten in het verhaal in een spiegel en parasiteert via spiegelbeelden op het leven van Dorbeck. Lijken de verhalen van Hermans en Bieri op elkaar? Zo ja, in hoeverre?

de twee SS’ers aan geallieerde zijde
Een echt Hermansiaans grapje vind ik het laten figureren van twee SS’ers bij de Britten en de Nederlanders. De namen Smears – Slum (over speaking names gesproken!) en Slegtenhorst – Spuybroek beginnen vast niet toevallig alle vier met een ‘S’. De jonge SS’er op bladzijde 279 is ook niet toevallig zeventien jaar – Osewoudt was bijna net zo jong als het verhaal begint (zie bladzijde 18) – en heeft niet zo maar, net als Dorbeck groene ogen: “Het was een jongen van hoogstens zeventien jaar. Hij had een hoog voorhoofd en daaronder, in ondiepe kassen, de groene wolvenogen van de wildste germaanse stammen.”
Deze jongen zou de gelukte (169) Osewoudt kunnen zijn.

nazi-foto'sHieronder de tekst die Hermans de jonge SS’er op bladzijde 279-280 geeft: “- Jij bent die Osewoudt hè? Ik vind het interessant eens met je te praten. Iedereen heeft over je zaak gehoord. Als je het mij vraagt, dat onderzoek naar Dorbeck is een wandeling in een drijfzand! Elke stap naar voren is tegelijkertijd een stap naar beneden. Hoe denk je er zelf over?
– Dat gaat jou niet aan.
– Als je het mij vraagt ben je een grote klootzak, Osewoudt, ik zeg het niet om je te pesten, maar het is de waarheid. Weetje wat het met de meeste Nederlanders is? Ze hebben nooit denken geleerd. Kijk naar mij. Ik ben een jaar geleden in de ss gegaan. Ik ben een grote amorele theoreticus. Een theoreticus, want ik kan geen bloed zien en bovendien ging ik in de SS toen Duitsland de oorlog al verloren had en andere SS’ers een goed heenkomen zochten in de illegaliteit. Ik geloofde helemaal niet in de SS, het duizendjarig rijk en al die flauwekul waar volgens de kranten iedere SS-man in geloofd heeft. Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is. Jij hebt zeker niet veel gelezen, hè? Ik wel. Ik ben een intellectueel. Die waren er ook in de SS maar weinig. Het was een even groot stelletje stommelingen als de rest van de wereld. Er waren erbij die Himmler op handen droegen! Himmler! Een zeekoe met een lorgnet op! Ze dachten dat Hitler een genie was! Hitler! Een epileptische smaushond! Ze geloofden, godverdomme, in een betere toekomst! Als het van mij afhing gingen ze allemaal tegen de muur, nu, hier, onmiddellijk!”

Let op die echte Hermansiaanse zin: “Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is.” De moraal is een werkhypothese van tijdelijke duur.

Het motto dat ik aan het begin van deze posting heb gezet, staat in “De donkere kamer van Damocles” aan het slot van de tekst in Hermans’ vertaling van Wittgensteins tekst: “Ich kann ihn suchen, wenn er nicht da ist, aber ihn nicht hängen, wenn er nicht da ist. Man könnte sagen wollen: »Da muß er doch auch dabei sein, wenn ich ihn suche«. – Dann muß er auch dabei sein, wenn ich ihn nicht finde, und auch, wenn es ihn gar nicht gibt.“ Ook dat is niet toevallig, want na de “Damokles” schreef Hermans “Nooit meer slapen”. De hoofdpersoon van dat verhaal, Alfred Issendorf (let op dat ‘is’ in meervoud!), zoekt vergeefs naar een meteoriet.

Terzijde: Hermans vertelt in het Sadistische universum over ‘Het oor van Dionysius’ (“Even buiten de stad is een steengroeve te zien, een doodlopende grot die de vorm heeft van een s, ongeveer dezelfde vorm dus als het binnenste van een oor. Deze grot wordt nog altijd het Oor van Dionysius genoemd.”), mij valt die s-vorm en het doodlopen van de grot op.

“Bordewijk, die wis en zeker een Nederlands schrijver was, waarmee ik bedoel dat hij in veel opzichten oveenkomst met andere in dit land werkzame auteurs heeft, verschilt van hen soms door de verbijsterend oorspronkelijke manier waarop hij aan ook door hen gebruikte conventies een totaal nieuwe inhoud weet te geven.”
W.F. Hermans (1984:11): ‘Bordewijk’s miskende verhalen’

de queeste
Het gebruik van het werkwoord “zoeken” veronderstelt bijna dwingend dat iemand of iets naar wie of waarnaar gezocht wordt, gevonden kan worden omdat hij er is. Immers zoeken naar iemand of iets die niet bestaat, is een zinloze bezigheid. Juist die zinloosheid is bij Hermans des Pudels Kern.
Zowel Osewoudt als Issendorf (de held uit “Nooit meer slapen”) zijn volop verwikkeld in een queeste naar hun respectieve identiteit. Osewoudt zoekt quasi naar Dorbeck en Issendorf zoekt vergeefs naar een meteoriet. Beiden worden door hun moeder gefnuikt in hun “normale” ontwikkeling omdat Osewoudts moeder zijn vader vermoordt en mevrouw Issendorf haar echtgenoot de dood injaagt met haar hang naar maatschappelijke status. Osewoudt en Issendorf kunnen hierdoor hun Oedipale fase niet doorlopen.

E.A. Poe, Auguste Dupin en Charles Peirce

“The world of fact contains only what is, and not everything that is possible of any description. Hence the world of fact cannot contain a genuine triad. But though it cannot contain a genuine triad, it may be governed by genuine triads.”
C.S. Peirce (477, p. 256): Vol. I van de ‘Collected Papers of C.S. Peirce’

Zowel “De donkere kamer van Damokles” als “Nooit meer slapen” hebben sterke trekken van een detective-verhaal. W.F. Hermans was al vroeg geboeid door het werk van Poe (1809 – 1849). De amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce (1839 – 1914) was eveneens verslingerd aan het werk van Poe en zou zich zwaar hebben laten inspireren door de methode die Poes creatie, de detective Dupin, hanteert.
Peirce ontwikkelt – geïnspireerd door Poe?  – naast “deductie” en “inductie” het concept “abductie” en ontwerpt een “logische triade”: “Abduction is the process of forming an explanatory hypothesis. It is the only logical operation which introduces any new idea; for induction does nothing but determine a value, and deduction merely evolves the necessary consequences of a pure hypothesis. Deduction proves that something must be; Induction shows that something actually is operative; Abduction merely suggests that something may be. ”
(zie de Collected Papers, deel V, paragraaf 171, bladzijde 106 / uitgave uit 1934; Cambridge: Harvard UP).
Peirce bouwde zijn filosofie op trichotomieën en triadische relaties. Osewoudt, Dorbeck en Jagtman zullen vast ook op Peirceaanse wijze met elkaar zijn vervlochten. Het wachten is alleen op de onderzoeker die dit tot onderwerp van haar onderzoek waagt te maken.

Ik vermoed dat onderzoekers en analisten nog vele jaren bezig zullen kunnen zijn om het werk van Hermans onder andere met behulp van het filosofische apparaat van Peirce opnieuw onder de loep te leggen. Hermans las bijna alles, dus waarschijnlijk ook werk van Peirce [ Zie:  ” op diezelfde pagina veranderde Hermans de formulering ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder gebruikt door Peirce, Frege, Post, Lukasiewicz’ in ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder of onafhankelijk van W. gebruikt door Frege, Peirce, Post, Lukasiewicz’ (p. 144 en 145 in de editie, het tweede citaat daar met nog weer latere redactionele aanpassingen)], vooral vanwege hun gedeelde liefde voor Poe.

Aristoteles, Freud, David Cornwell en W.F. Hermans
Damokles gaat over gelijkenissen en Smulders (115-118) haalt aan de hand van conventies overeenkomsten en verschillen aan tussen Hermans’ Damokles (november 1958) en Le Carré’s verfilmde boek (januari 1964) The spy who came in from the cold. Hermans beweert, schrijft Smulders, dat Le Carré (= Cornwell) zijn Spy op Damokles had gebaseerd. Misschien, maar dan waarschijnlijk toch via de ‘Poëtica’ van Aristoteles en het werk van Freud.

“There is one moral quality without which a reasoner cannot escape fallacies, and that is a sturdy honesty of pupose. For the lack of that, we every day see creatures in the guise of men losing fortune health, and happiness too, deluded by their own sophisms.”
C.S. Peirce (1892): ‘Keppler’ (in ‘Writings’, vol. 8: 286-291)

Aristoteles raadt schrijvers aan om vooral bij de vooroordelen, stereotypen en conventies van hun publiek aan te sluiten. Dus voorzien zowel Hermans als Cornwell hun protagonisten van een getormenteerde jeugd met traumatiserende ervaringen, omdat die volgens Freud bijna honderd procent garant staan voor een abnormale ontwikkeling van de persoonlijkheid en wij intussen Freuds theorieën als belangrijke standaard hanteren bij de duiding en interpretatie van onze werkelijkheid. Ongeacht de ‘wetenschappelijk bewijzen’ die volgens de laatste stand van zaken in de psychiatrie zouden gelden. Bovendien kan de moderne psychiatrie natuurlijk niet dezelfde ‘mens’ tot onderzoeksobject hebben als die welke Freud op zijn divan had.
“De werkelijkheidsbeschrijving is aan mode onderhevig. De ontdekking van Freud dat er een onderbewustzijn bestaat dat zich aan de redelijke wil onttrekt, is niet meer weg te denken bij de beoordeling van het menselijk gedrag.”
Lees en bekijk trouwens Le Carré’s A perfect spy (1986) eens. Hermans zou misschien beweren dat Le Carré A perfect spy ook op Damokles baseerde. Aristoteles (384-322) “schreef” zijn Poëtica echter lang voordat Freud (1856-1939)  zijn Verzamelde Werken produceerde en Freud was er weer eerder mee dan Hermans en Corwell met hun romans.
De grootste gelijkenis tussen Magnus Pym (Perfect Spy) en Henri Osewoudt (Damokles) is dat hun moeders al vroeg in de ontwikkeling van hun zoons in een gekkenhuis belanden. Tevens draait zowel het werk van Cornwell als van Hermans om identiteiten, misverstanden, misleiding, verraad, bedrog en identiteitverwisselingen.
Hermans neemt Aristoteles’s raad om je als schrijver te voegen naar naar de stereotypen die je publiek erop nahoudt serieus. Daarom dat Mirjam Zettenbaum medicijnen studeert en psychiater Lichtenau ook joods is. Joodse mensen waren immers allemaal: of arts, of advocaat, of zakenman-handelaar, of muzikant. Ze zaten in de vrije beroepen. Natuurlijk, want dat was de enige niche waarin ze de ruimte kregen. Stel je – in die tijd – eens een Moshe Cohen voor als hoge officier bij de geallieerde contraspionage: ondenkbaar.
Dit aspect van opgelegde, opgedrongen, identiteit speelt eveneens door Damokles. Osewoudt krijgt zijn identiteit door zijn jeugd opgelegd en Mirjam en dokter Lichtenau krijgen hun joodse identiteit opgelegd door de duitsers. Of je je nu nederlander voelde of fransman, of oostenrijker, als de machthebbers je als joods klassificeerden, had je niets in te brengen en was het einde verhaal.

“Het belangrijkste avontuur dat een Nederlander schijnt te kunnen gebeuren is zijn bezoek aan de middelbare school.”
W.F. Hermans, in: ‘Scheppen riep hij gaat van Au’

Wie vaak, intensief en langdurig leest, zal misschien ontdekken dat zowel Le Carré als Hermans tenminste bepaalde saillante elementen en methoden aan de verhalen van E.A. Poe ontlenen. Zo noemt Cornwell zijn protagonist(-en) in de Spy niet toevallig Pym (vader en zoon) en ontleent Hermans aan Poe’s personage Dirk Peters karakteristieke trekken voor Osewoudt. Ik heb het hier natuurlijk over Poe’s “Narrative of A.G. Pym”, de Avonturen van Gordon Pym, die ook in het Nederlands is vertaald

vervreemding
Wat ik tot dusverre ook nog niet ben tegengekomen – maar ik heb natuurlijk lang niet alles over en van Hermans gelezen! – is de benadering van de russische formalisten zoals Viktor Sklovskij en Yuri Tynjanov (denk natuurlijk ook aan Bert Brecht) bij het bespreken van de vervreemdende effecten (ostranenje), aspecten en dimensies in Hermans belangrijkste romans.
Op bladzijde 90 van “Damokles” lees ik Hermans beschrijving van een erotische scene tussenOsewoudt en Marianne. Het doet me denken aan passages in het werk van Vladimir Nabokov en William Golding:

“- Ik verlang naar je, zei hij, greep haar hand en drukte die tegen zijn kruis, zonder precies te weten wat hij deed.
Marianne bleef glimlachen, maar het was nu eerder een treurige glimlach. Toch zei ze:
– Wie weet, misschien kan je verlangen bevredigd worden.
Voor zijn geestesoog rees hij op als een geweldige figuur, demon en heros,of minstens een sprookjesprins.”

Hermans beschrijft hier met humor vervreemdend de geweldige erectie die Osewoudt krijgt, een verrijzenis des vlezes zonder weerga.

De beschuldigingen van vaak pornografisch te werk te gaan, zullen hem siberisch hebben gelaten; hij neemt op de hem eigen wijze ook hier een loopje met de lezer.

“Wittgensteins doel was in feite helemaal niet wiskundig. Het onderwerp van zijn gedachten was, ook in de Tractatus-periode, de betrekking denken-wereld en niet de (al dan niet geidealiseerde) logische structuur van de taal of welk ander symbolenstelsel dan ook, op zichzelf.”
W.F. Hermans, in zijn aantekeningen bij zijn vertaling van de Tractatus, op bladzijde 163

“Een jaar geleden echter had hij in een bocht van diezelfde rivier de mokele mbembe vrijwel ten voeten uit in de modder zien staan. Een roodbruin beest, zo’n tien meter lang. Het lichaam deed denken aan een olifant, de poten aan een krokodil, de kop en nek aan een slang.”
Margriet de Moor (1992:31): Op de rug gezien

“Het was drie voet lang en maar zes duim hoog, met vier heel korte poten, voorzien van lange, vuurrode nagels, die iets koraalachtigs hadden. Het lichaam was bedekt met gekruld, zijdeachtig haar en volkomen wit. De staart was spits, zoals die van een rat en ongeveer anderhalve voet lang. De kop leek op die van een kat, behalve de oren, die naar beneden hingen als hondeoren. De tanden waren even vuurrood als de nagels.”
Edgar Allan Poe (1978:164-165): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym

‘’ Zie nu Behémoth, welken ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi gelijk een rund. … zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in de navel zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. Zijne beenderen zijn als vast koper; zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen.
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken.
Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijne tong met een koord dat gij laat nederzinken?
Job: 40; 10 vv

 

LITERATUUR & BEELD:

W.F. Hermans (2012/1958): De donkere kamer van Damokles / Amsterdam / ISBN: 978 90 5965 179 1 / NUR 301 (gratis paperback) Volledige Werken deel 3 / zie met name ook het Commentaar op bladzijde 717 – 756  http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/ In deel 3 zijn “De donkere kamer” en “Nooit meer slapen” in een band uitgebracht, met heel functioneel Wittgensteins lemma uit de Phil. Untersuchungen in het midden

W.F.Hermans (1974/1964): Het sadistische universum / Amsterdam: De Bezige Bij / isbn: 90 234 0120 4 (pbk)

Betlem (1966): De geboorte van een dubbelganger / artikel in het tijdschrift Merlyn. Jaargang 4 / Amsterdam: Polak & Van Gennep / op internet beschikbaar

Betlem (1967); Van Jean Paul tot Van der Waals. Nogmaals ‘De geboorte van een dubbelganger’ / artikel in het tijdschrift Raster. April 1967: 71-94 / niet op internet gevonden. In dit artikel geeft Betlem ondermeer een beknopt overzicht van de gelijkenissen tussen personages en gebeurtenissen in “De donkere kamer” en betrokkenen bij “De kwestie Van der Waals”.
Zie voor een eerste wijzer  http://www.dbnl.org/tekst/jans037over01_01/jans037over01_01_0010.php
Google in het kader van dubbelganger en W.F. Hermans voor de aardigheid eens op Ludwig Tieck (‘Ryno’ / ‘Nachgelassene Schriften, Auswahl und Nachlese’) en Jean Paul Richter: ‘Blume-, Frucht und Dornenstücke ….. Armenadvokaten F(irmian) St(anilaus) Siebenkäs’ & ‘Titan’.

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans / tweetalige uitgave: Duits – Nederlands / Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep / ISBN: 90 253 1534 8 (paperback)

De Philosophische Untersuchungen zijn in het Duits en Engels op internet te vinden

A Wittgenstein Dictionary door Hans-Johann Glock (1996): Oxford, UK – Cambridge, Mass.: Blackwell / isbn: 0-631-18112-1 (hbk)

W.H.M. Smulders (1983): De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles /  Utrecht: Hes / ISBN:  90 6194 074 5 / / Boeiend, doorwrocht, vernuftig en onderhoudend geschreven. Zeer aanbevolen.

Wilbert Smulders schreef ook een artikel waarin hij Hermans’ Damokles in verband brengt met werk van René Magritte (La reproduction interdite) en Maurits Escher. Het verscheen in Vooys en de Gids (googelen op http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=herm014)

Smulders legt in zijn artikel geen verband tussen de titel van Magrittes schilderij (Verboden te vermenigvudigen) en het doodgeboren kindje van Henri Osewoudt en Marianne/Mirjam  Sondaar/Zettenbaum. Ik leg een verband tussen Magritte, de zoon van een buitenechtelijke dochter van een engelse edelman (Edward James) die Magritte zou hebben afgebeeld en het “verbod” dat Osewoudt en Marianne Zettenbaum opgelegd krijgen zich te vermenigvuldigen (door de nazi’s hoogstwaarschijnlijk; Osewoudt is immers een crimineel, een misbaksel, en Marianne een jodin, dus volgens de Neurenbergse rassenwetten, waaraan orthodoxe rabbi’s lijken te hebben meegeschreven, is “baby Sondaar” joods, dubbel fout en zeer ongewenst). Ook Edward James was het resultaat van een overtreding van het gebod: verboden je te vermenigvuldigen. En natuurlijk Osewoudts nicht Ria, omdat zij immers al twee jaar was toen haar ouders wettelijk trouwden.

 Het grote W.F. Hermans boek (2010) onder redactie van Dirk Baartse en Bob Polak / Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 97890 388 93129  (dit leuke en verrassende boek heeft een tijd in de ramsj gelegen)

Saskia de Vries (1984): “De onkenbaarheid van ‘De donkere kamer’: het scenario van Willem Frederik Hermans” / opstel over de verfilming van Damokles door Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water – première 21 februari 1963 / artikel in Literatuur, 84/6, jaargang 1: 304-309 . De film is ook op dvd uitgebracht.

H.U. Jesserun d’Oliveira (1977): Scheppen riep hij gaat van Au (interviews) / Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep / isbn: 90 253 8020 4 (pbk) Het “interview” met Hermans staat aan het begin: 13-26

F. Bordewijk (1984/1950): De fruitkar – inleiding door W.F. Hermans / ’s-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 90 236 5608 3 (brochure van 30/31 pagina’s)

Margriet de Moor (1992/1988:31): Op de rug gezien / het debuut van De Moor, waarin naast Hij bestaat ondermeer de verhalen: Op de rug gezien en Robinson Crusoë / Amsterdam: Contact / isbn: 90-254-6916-7 (pbk)

Edgar Allan Poe (1978): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym (vertaald door A. Alberts) / Bussum: Unieboek – De Boer Maritiem / isbn: 90 228 1624 9 (hbk)

recent: On Edgar Allan Poe door Marilynne Robinson in de NYRoB, 2015 februari 05  /  “Marilynne Robinson’s article in this issue draws from her introduction to the new edition of The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket by Edgar Allan Poe, to be published by 
the Folio Society in February 2015. (February 2015)”

Poe, Edgar Allan

The Annotated Tales of Edgar Allan Poe / Stephen Peithman, editor / 1981, New York: Doubleday / isbn: 0 385 14990 5 (hbk)

Collected Works of Edgar Allan Poe in 3 volumes, 1978 / editor: Thomas Ollive Mabbott / Vol. 2 Tales and Sketches (1831-1842) / Cambridge, Mass. – London: Belknap Harvard UP / isbn: 0-674-13936-4 (hbk); Vol. 3 Tales and Sketches (1843-1849) / isbn: 0-674-13936-4 (hbk)

The Cambridge Companion to Edgar Allan Poe, 2002 / editor: Kevin J. Hayes / Cambridge, UK – New York etc.: Cambridge UP / isbn: 0 521 79326 2 (hbk) / hierin i.h.b.: Peter Thoms: Poe’s Dupin and the power of detection ( 133-147); Geoffrey Sanborn: A confused beginning: The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (163-177)

E.A. Poe: The Murders In The Rue Morgue; Is op internet te lezen  http://www.eapoe.org/works/tales/morgued.htm

Edgar Allan Poe’s Influence on Sir Arthur Conan Doyle (schrijver van de Sherlock Holmes-verhalen)

Abduction and Geometrical Analysis. Notes on Charles S. Peirce and Edgar Allan Poe (benaderd op 17.01.2015)

Peirce, Charles Sanders

Sami Paavola: The evolution of Peirce’s conception of abduction / to appear in Semiotica http://www.helsinki.fi/science/commens/papers/instinctorinference.pdf (benaderd op internet op 18.01.2015)

C.S. Peirce (1978/1940): The principles of phenomenology in: The Philosophy of Peirce – Selected Writings – editor Justus Buchler / London: Kegan Paul / isbn: 0-404-14694-5 (hbk)

C.S. Peirce (1931) : Vol. I van de Collected Papers of C.S. Peirce (6 vols.) / eds. Charles Hartstone & Paul Weiss / Cambridge, Mass.: Harvard UP

C.S. Peirce (1868): Some Consequences of Four Incapacities, pp. 211-242 in deel 2 (1867-1871) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1984 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37202-X (hbk)

C.S. Peirce (1883) A theory of Probable Inference – § v, pp. 420-423 in deel 4 (1879-1884) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1986 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37204-6 (hbk)

C.S. Peirce (1885): One, Two, Three: Fundamental Categories of Thought and of Nature; pp 242-247 in deel 5 (1884-1886) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1993 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37205-4 (hbk);

– (1886) One, Two, Three: An Evolutionist Speculation; pp 298 – 308 in deel 5 van Writings of Charles S. Peirce

John le Carré

A Perfect Spy – From Wikipedia, the free encyclopedia – http://en.wikipedia.org/wiki/A_Perfect_Spy

Dvd – A Perfect Spy – http://dvd.netflix.com/Movie/John-Le-Carre-s-A-Perfect-Spy/70045091

John le Carré: Behind the Smiley face, a man of mystery / Robert McCrum in The Observer, Sunday 9 March 2014 / http://www.theguardian.com/theobserver/2014/mar/09/john-le-carre-smiley-face-man-of-mystery-profile

John le Carré Has Not Mellowed With Age / Dwight Garner in The New York Times / Published: April 18, 2013

Graham Greene

De derde man (The Third Man) is een Engelse film uit 1949. Je kunt de novelle van Graham Greene en de film parallel of simultaan lezen en bekijken met Hermans “Donkere kamer”.
Van de Engelse film bestaat een dvd met Orson Welles in de rol van de derde man De protagonist Harry Lime (van het bekende Harry Lime theme) zou met een beetje goede wil voor Dorbeck kunnen figureren.

http://nl.wikipedia.org/wiki/The_Third_Man

Dvd – The Third Man – http://dvd.netflix.com/Movie/The-Third-Man/1039377?trkid=222336

Mikhail Bakhtin (vertaling 1985): Literatur und Karneval. Zur Romantheorie und Lachkultur – hoofdstukken: Der Held im polyphonen Roman en Linguistik und Metalinguistik; bladzijde 86-106 / Frankfurt/M. enz. : Ullstein / isbn: 3 548 35218 9 (pbk)

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism. Theory in Practice / London – New York: Routledge / isbn: 0-415-04582-7 (pbk)

 aristotle_tkst

“Speaking generally, one has to justify the impossible by reference to the requirements of poetry, or to the better, or to opinion. For the purpose of poetry a convincing impossibility is preferable to an unconvincing possibility.   ….
The improbable one has to justify either by showing it to be in accordance with opinion, or by urging that at times it is not improbable; for there is a probability of things happening also against probability.”

Aristoteles, in de ‘Poetica’ (1461-b: 10-15) | gebruikte tekst uit The Complete Works of Aristotle, The Revised Oxford Translation, volume 2 / Bolingen series; 71-2 / edited by Jonathan Barnes; Princeton NJ: Princeton UP, 1984:pagina 2339  /  isbn: 0-691-09950-2 (hbk)

 

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,