RSS

Tag Archives: identiteit

Gelukkig, kan Nederland straks geen lid van de EU meer worden

 

 

Gergely: ‘ Hoezo: Nederland kan geen lid van de EU meer worden? Is Nederland dat dan nog niet, en waarom gelukkig?’

Polly: ‘ Als Engeland (het VK) er straks uit is gestapt, is het niet de langer de EU waar ik bang voor ben. Als Hongarije, Polen, Marine le Pen en de Italiaan of Spanjaard (?) die Ruben Oppenheimer hier tekent, dwars blijven liggen tegen de dictatuur van de Brusselse nomenklatoera, dan voel ik me nog een beetje veiliger.’

Gergely: ‘Te groot, bedoel je? Waartegen o.a. Jordan Peterson en George Friedman voor waarschuwen? Wij, het plebs aan de basis, wij hebben toch ook geen contact met de bovenbazen in Brussel en god mag weten waar nog meer? Zelfs niet met de Haagse kaasstolpers, dus laat staan met  Brussel. Ik weet niet eens wie het zijn en wat ze allemaal uitspoken, behalve presentiegelden scoren terwijl ze in de baas zijn tijd voor zichzelf beunen. Hoezo Europa?’

Polly: ‘ Ja, en daar komt de analyse van Victor Hansen bij en gisteren las ik de column van Bas Soetenhorst (BS) met eenzelfde strekking als ik bij Hanson hoor, in het Parool: “Het ergste scenario: Trump niet herkozen.” Dit bij elkaar genomen, vind ik dat de EU moet terugschalen. Het geneuzel over de afschaffing van de marktwerking en de schizo-houding van “Nederland” – aanhalingstekens plaats ik omdat ik nooit weet wie de leden van politieke nomenklatoera werkelijk vertegenwoordigen, Unilever, Shell, de ING? – dat dan weer wel en dan weer niet “eigen land eerst” kraait.’

Gergely: ‘ Wat zeggen Hanson en Soetenhorst over een niet-herverkiezing van Trump, welke rampen bezoeken Amerika dan?’

Polly: ‘ BS haalt Michael Cohen aan, die beweerde dat indien Trump de verkiezingen van 2020 verliest, er geen vredige machtsoverdracht zal plaatsvinden. BS voorspelt dat Trump zijn eventuele verliezen niet zal nemen en muiterij zal ontketenen.’

Gergely: ‘ Als ik Hanson goed begrijp komt dat omdat de Amerikaanse nomenklatoera zich niets gelegen laat liggen een de Amerikaanse middenklasse? De Amerikaanse nomenklatoera bedient de bovenlaag en bedot de onderkant door de tokkies nooit te geven wat ze beloven. De onderkant is te suf om dat te snappen en blijft mak op lieden als de Clintons en Obama stemmen. Wat hebben de onderkanters trouwens te verliezen? Maar de middenmoot heeft het intussen door. Die zijn bang in de poel van de deplorables geduwd te worden en Trump spreekt vooral hen aan. Is dit het zo ongeveer?’

Polly: ‘ Ja, zo ongeveer en de Nederlandse en Europese nomenklatoera doen hetzelfde als de Amerikaanse. Alleen hebben we hier nog geen types als Donald Trump en is de tendens om de middenklasse af te knijpen en uit te persen, nog niet zo ostentatief als in de VS. Hier staan hooguit wat schreeuwlelijken in de coulissen, ongenuanceerd tegen de islam en tegen iedere exoot, maar die schreeuwerds zijn te duidelijk in hun luchtfietserij en hun gebakken-lucht-negotie.Maar denk eens aan een persoon Pim Fortuyn. Die had de noemenklatoera het vuur na aan de schenen kunnen leggen.’

Gergely: ‘ Trump steekt openlijk de middenvinger naar de Amerikaanse nomenklatoera op. Trump zegt bijvoorbeeld: alleen stommerikken betalen belasting (Jef Bezos bijvoorbeeld betaalt voor zijn Amazon geen belasting) en alleen sufkonten gaan naar Vietnam om zich daar te laten afslachten. Bill Clinton en George Bush zijn geen van beiden naar Vietnam gegaan; Obama was nog te jong. De fatsoenlijke Amerikaan denkt intussen: ik kan wel braaf en netjes in de pas lopen, maar dan word ik gepiepeld. Kijk eens naar the Donald, die neemt die lui allemaal op de hak. Dat gun ik die snobs van harte!’

Polly: ‘ Dan zouden en Amerikaanse schemielen in Trump een soort van verloederde versie van de Amerikaanse droom zien? Een super-ladenlichter, a real con man, als negatieve held. Zij denken: als wij de onbevlekte versie van the American dream nooit zullen verwezenlijken dan stemmen wij op de joker, de iconoclast, die dat met vuil spel wel voor elkaar krijgt, daarmee én de nep-Amerikaanse droom aan de kaak stelt en in een moeite door het establishment te kijk zet?’

Gergely: ‘Yes. Ook en vooral omdat iemand als Hillary openlijk haar minachting voor de sufferds-die-het-niet-maken ten toon spreidt. Obama is niet veel anders, alleen gelikter en schijnheiliger. Obama zou met zijn identiteitspolitiek de Democraten een hele slechte dienst bewezen hebben, vindt Hanson.
Zo’n onderzoeksrechter als meneer Elijah Cummings, die is weliswaar indrukwekkend optreedt, maar tegelijkertijd de normen belichaamt waaraan de kleine man zich moet houden. Cummings’ code of conduct geldt niet voor de grote schurken als Clinton, Cheney en Bush en nu dus Trump. Maar Trump doet tenminste niet alsof. ’

Polly: ‘Dat ook, Trump haalt – in de ogen van de gepiepelden althans – de bling-bling, de halo, van het presidentschap af. Hij sloopt dat schijnheilige beeld dat de nomenklatoera de schlemielen voorhoudt. Daar genieten de gepiepelde Amerikanen van en ze zijn bereid om Trump te herkiezen. Tenzij, tenzij de nomenklatoera bijtijds bijstuurt.’

Gergely: ‘Dat lijkt mij niet waarschijnlijk.’

Polly: ‘Mij ook niet. Hanson is bepaald niet mals over Hillary: als Hillary de waarheid vertelt, is zij ongeloofwaardiger dan een liegende Trump, zegt Hanson. En: de Clintons runnen a “crime syndicate.” Dat is nogal wat. We wisten het wel al, alleen horen of lezen wij het nooit. Nu zegt een beschaafde, zacht sprekende, intellectueel als Victor Hanson het.’

Gergely
: ‘ Hillary heeft aangekondigd dat ze niet meer meedoet aan de race om het presidentschap, maar dat weet je bij Hillary nooit echt. Die doet alles voor de PR en marketing. Maar, jij denkt dat de Europese nomenklatoera in zijn overmoed (hubris) de deplorables hier, steeds meer gaat behandelen als de Amerikaanse nomenklatoera het daar doet?’

Polly: ‘ ik ben daar inderdaad bang voor, vooral omdat onder anderen Kamerleden van steeds lichter gewicht worden. Die weten steeds minder en ze zijn steeds meer met hun eigen belangenbehartiging in de weer. Daarom is het goed dat de bobo’s in Brussel met “tegenslag” te kampen krijgen, zodat ze niet automatisch gaan vinden dat de EU steeds meer moet uitdijen, met de NAVO in zijn kielzog. Vanwege “de Europese Waarden,” welke die ook moge zijn. Dus de Brexit vind ik een positief gebeuren en wat er in het Oosten (Hongarije en Polen) gebeurt, vind ik ook niet per se slecht.
George Friedman zegt het volgens mij verkeerd: de Polen vechten voor behoud van hun eigen identiteit en belagen niet zozeer de Europese identiteit, want die bestaat (nog) niet. Die is op z’n best amorf.’

Gergely: ‘ Waarschijnlijk heb je gelijk. De kloof tussen de direct-begunstigden van het Project Europa en ons wordt steeds wijder. De media spelen daar een grote rol in. Enkele pupillen van mij beginnen het door te krijgen. Ik heb het over agenda setting. Vandaag kwamen er drie met een Parool van gisteren, 4 maart, volgens hen zou het artikel van Egbert de Vries over woningnood en de wens tot bouwen, op de voorpagina horen te staan. Nu staat het op PS 24.’

Polly: ‘ En waarmee opent het Parool?’

Gergely: ‘ Met het sensatienieuws over “de bom.” Ze hadden het Parool van dinsdag 26.02.2019 ook erbij gehaald. Het stuk van Zora Duvnjak op PS 20, over vergeten ouderen, moest volgens mijn pupillen zo niet als opening dan toch flink vooruit in de krant geplaatst worden.’

Polly: ‘Waarmee opent het Parool op dinsdag?’

Gergely: ‘Met een sneu stuk over het sisverbod.’

Polly: ‘ De lezer wil sensatie en dus krijgt de lezer dat. De meeste lezers valt dit niet eens meer op. Goed dat jij je pupillen hier op traint: zoek het echt belangrijke nieuws.’

Gergely: ‘Hoe sensationeler de opening van een krant, hoe verder achterin het echte nieuws staat. Of helemaal niet en dan vervangt de sensatie alle nieuws.’

Polly: ‘ Waarom het Parool? Andere kranten passen deze formule toch ook toe? Weet je niet: Tieten boven de vouw!’

Gergely: ’ Zeker, maar het Parool was met deze voorbeelden het meest in het oog lopend vonden zij en bovendien moeten ze deze periode veel in Amsterdam zijn en daar ligt het Parool vaak makkelijk overal rond te slingeren.’

Polly: ‘ Toch vreemd dat een Yascha Mounk in Nederland helemaal genegeerd wordt, terwijl hij het teken aan de wand, de schrift op de muur,  duidelijk expliciet maakt in zijn boek The People vs Democracy.’

Gergely: ‘ Gedachtengoed als dat van Mounk is te bedreigend voor de nomenklatoera – en dus negeren de main stream media het. Denk maar aan Thomas Piketty. Die werd ook met veel tam-tam naar Nederland gehaald, ik geloof destijds door Groen Links, in ieder geval zo’n modieus politiek merk. Er werd een deftig event van gemaakt en je hoorde niks meer over Piketty, en de nomenklatoera gaat gewoon door met beleid dat de afstand tussen arbeid en vermogen steeds groter maakt.’

 

 

 

Wikipedia:  Bart Ago Geert Maria Tromp (Sneek, 16 oktober 1944 – Den Haag, 20 juni 2007) was een Nederlandse socioloog en politicoloog, die tevens gold als PvdA-ideoloog.        https://nl.wikipedia.org/wiki/Bart_Tromp

CPAC 2019 – Nigel Farage       American Conservative Union       Published on Mar 2, 2019    https://www.youtube.com/watch?v=o7CjCViVB-Y

Victor Davis Hanson: the “Great” Lie about Trump’s Connection with Russia  –  Published on May 15, 2017

Victor Davis Hanson : Europe’s Warning for the US  – Victor Davis Hanson looks at the factors behind European decline – and analyzes whether they will soon manifest in the United States as well.
Published on Feb 16, 2019

Victor Davis Hanson : Weimar America. From Bernie to Beyonce, a look at the multitude of factors driving America’s cultural instability.
Published on Feb 15, 2019

 

President Trump takes the stage at CPAC  –  Breitbart News   Streamed live on Mar 2, 2019  –
https://www.youtube.com/watch?v=lQX63aKERS4

 

KEEP THEM POOR | This Is What The Richest Don’t Want You To KNOW (an illuminating interview)

Published on Feb 27, 2019  /  “Don’t tell people what you know. KEEP THEM POOR!” This is what rich people say to Robert Kiyosaki

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , ,

De goudvissen van Gershom Wald. Over migranten, muren, identiteiten, integratie, romans en realiteiten

citaat Oz_judas_1

“Integreren, inburgeren, assimileren, ja, ja, maar intussen! Overal in de wereld trekken volken, naties, nationaliteiten, muren rondom hun territoir op om zichzelf enigszins te beschermen tegen de tastbare invloeden van buiten:  Turkije bouwt momenteel een muur tegen de IS, Saoedi-Arabië bouwt een muur, de Israëli hebben een muur tegen de Palestijnen gebouwd, De Hongaren en Polen leggen prikkeldraad om hun land en ga maar door. Maar wij, in het Vrije Westen van de Euro (let wel: de ), wij, onze politieke vertegenwoordigers zeggen juist: weg met grenzen en laat iedereen maar binnenkomen.” David zegt het met zucht. “Zijn zij nou extreem verstandig, honderdtwintig procent uitgeslapen en compleet bij de tijd, of zijn wij gewoon weer de gekke Henkie van de wereld?”

“Je doelt nu vooral op de weigering van de Israëlische machthebbers om het laatste boek van Dorit Rabinyan, getiteld Gader Haya (vertaald met Grensleven), op het officiële onderwijsprogramma te zetten?” vraagt Ilham, terwijl ze op het papier wijst dat David in de hand houdt,  en ze vervolgt: “Rabinyan beweert dat haar roman integratie tussen joden en niet-joden kan bevorderen. Tja, dat vindt zij. Maar de roman is niet verboden, toch? Iedereen kan het lezen, het mag alleen niet in het officiële curriculum worden opgenomen, niet in de canon dus. Wat is daar tegen? Indoctrinatie vind ik nooit zo geslaagd. Iedereen kan een roman schrijven over een liefdesrelatie tussen een jood en een niet-jood en eisen dat die verplicht op scholen gelezen wordt, omdat het verhaal integratie bevordert. Een schrijver kan het als omzetverhogende stunt gebruiken. Neen, ik vind het sop de kool niet waard.”

“De Israëli zijn in mijn gedachten en voor mijn gevoel, permanente migranten,” zegt Marieke, “die eigenlijk geen eigen land hebben, al wonen ze in een gebied dat Israël heet. Dat is best curieus, maar zo voelt het voor mij wel. Op bladzijde 56 van Judas haalt Gershom Wald woorden van Chaim Weizmann aan:  > Chaim Weizmann heeft eens gezegd, in zijn wanhoop, dat een joodse staat nooit ofte nimmer zou kunnen bestaan, omdat die een tegenstrijdigheid bevat: als er een staat komt, is het geen joodse staat, en als hij joods is, zal het zeker geen staat worden. Zoals geschreven staat: het is een volk dat lijkt op een ezel.’ <
Uiteindelijk hebben ze het land waar ze op wonen toegewezen gekregen, zonder dat de Arabieren die daar toen woonden enige zeggenschap hadden. Vreemd idee. Je moet welhaast super-orthodoxe fundamentalitische joodse gelovige zijn om met een gerust geweten dat land het jouwe te durven noemen en toch rustig te slapen.”

Ilham: “Lang niet alle Israëli zijn orthodox of zelfs religieus en de orthodoxe joden hoeven niet het leger in. Weizmann spreekt geen totale onzin, hij legt een tegenstrijdigheid bloot. Woonden er alleen ‘echte’ joden in Israël dan hadden ze geen leger. Dan zou Israël niet lang bestaan, vrees ik. Israël heeft een heel sterk en effectief leger, dat dus bestaat uit niet-echte joden. Tja, lusjenogpeultjes? Niet dat ik de Israëli hun land misgun of ze slechte dingen toewens, maar Marieke heeft gelijk als ze zegt dat het alles bij elkaar een beetje gekunsteld aandoet.”

“Het is als met het lezen van romans,” meent Marieke, “wij lezen romans nu heel anders dan vijftig jaar terug. We accepteren tot op zekere hoogte cannonieke duidingen, maar gaan al snel kritisch zelf op betekenisverlening uit. Het verhaal van en over de staat Israël wordt dus ook steeds anders gelezen. Dat is niet te vermijden.”

“Laat ik het er voor mijzelf voorlopig maar op houden dat Israëli en jood niet per se synoniem zijn,” lacht Ilham. “Ik kan me de nachtelijke marathondiscussies, met onder andere Yigal, hierover nog levendig herinneren.”

David: “Dus, de vraag over de roman is een afgeleide vraag, zij het een belangrijke. De kernvraag luidt natuurlijk: waarom hoeven en willen de joden, de tegenwoordige Israëli, niet integreren in het Midden-Oosten? Dorit Rabinyan dringt daar op aan, middels haar roman. Ze is niet de enige en zeker niet de eerste. Iedere Arabier uit Syrië die hierheen vlucht vanwege Amerikaanse bombardementen, krijgt direct te horen: wees inburgerbereid en pas je vanaf eergisteren aan bij ons. Er bestaat momenteel zelfs een PvdA-minister, een nominale nepsociaaldemocraat, die iedere nieuwe Nederlander (!) een ‘participatiecontract’ onder de neus duwt en zegt: tekenen bij het kruisje a.u.b., u bent verplicht u te verbinden onze waarden te omhelzen en uit te dragen.”

“Wat Lodewijk Asscher wil, dat schijnt juridisch niet te kunnen,” zegt Ilham, “dat is pure politieke propaganda. Maar om aan te sluiten bij de casus Rabinyan: moet van nieuwkomers in Nederland worden geëist dat ze bijvoorbeeld romans over de Herenliefde lezen, of verplicht een examen Gerard Reve  – Nader tot U zou een supersterke zijn zeg! – en Andreas Burnier afleggen als onderdeel van hun inburgercursus? Kom nou toch!”

“Okay, okay!” roept David, “maar diezelfde Arabier, die pal naast de Israëli woont, die weet vanaf zijn geboorte dat zijn buren de joden zich nergens hoeven in te burgeren. Hoezo niet? Omdat ze vriendjes zijn met Amerika soms? Hebben wij, Arabieren, de sjoa, holocaust, bedacht en op touw gezet? Bombarderen de Amerikanen ons, Syriërs, niet alleen als proxy (duvelstoejager, knechtje en handlanger) van de Saoedische koning, maar ook als proxy van de Israëli? Met hoeveel en met welke maten wordt er eigenlijk gemeten?”

“Nou,” valt Marieke in, “ik heb toevallig ook hierover gemaild met Yigal, en die vindt het een grensgeval, een borderline, om speels te alluderen op de titel van de roman, Grensleven. Het gaat om bewust streven naar uiteindelijk samen leven van Israëli en niet-Israëli. Yigal en Ghaada konden niet in Israël trouwen, want Ghaada is niet-joods (maar Palestijns-Duits!)  en dan krijg je het hele naargeestige – althans ik vind het behoorlijk naargeestig – verhaal van ongewenste vermenging, bla, bla, bla. Yigal (en met hem vele andere joden) is voorstander van de integratie van Israël in het Midden-Oosten.
Zo lang Israël een uitzonderingspositie claimt, zal het etteren blijven. De Arabieren zijn namelijk niet op hun achterhoofd gevallen en hebben donders goed door dat zij worden gediscrimineerd. Door ons?  Jawel, ook door ons. Amos Oz’s roman ‘Judas’ gaat in mijn lezing voor een belangrijk deel over die uitzonderingspositie van Israël in de regio.”

“Juist, en daarom wonen Yigal en zijn gezin nu in Denemarken, of niet soms?” David klinkt opgewonden. “Dat bizarre verhaal van het uitverkoren volk, dat er mede toe leidt dat iemand als Adolf Hitler kan zeggen: Wat? Willen jullie hier apart uitverkoren zitten wezen, te midden van ons, hoog beschaafde Duitsers? Wel, dat vinden we maf en helemaal niet goed, want toevallig zijn wij uitverkoren. Dus vangen we alle joden die we kunnen vangen en zetten ze scheep naar Madagascar. Dan kunnen jullie daar in je uppie de uitverkorenen spelen ….. toch? Assimileren en integreren, of anders: wegwezen, moven!“ Titanic_Hitler antisemit_5

Ilham: “Toevallig, heel toevallig, staat er in de NRC van afgelopen zaterdag een berichtje over de roman Grensleven (Derk Walters schrijft: ‘Een roman over een Joods-Palestijnse liefde past niet in het Israëlische onderwijs, vindt het ministerie.’), pal naast een bericht dat Hitlers meesterwerk Mein Kampf nu vrij van Duits copyright is.

De vraag in Duitsland met betrekking tot Mein Kampf is dezelfde als die in Israël met betrekking tot Grensleven: moet het boek in het officiële schoolcurriculum worden opgenomen? Echter: de Duitse minister van Wetenschap en Onderzoek vindt juist dat Mein Kampf op scholen gelezen moet worden. David vindt dit, mijns inziens terecht, een afgeleide vraag, die komt ná de vraag: waarom vertikken de Israëli het te integreren in de regio?”

HEAR HEAR!” roept Marieke. ”Marc Leijendekker in de NRC: ‘Het Duitse copyright van Mein Kampf is vervallen. Historici geven het werk nu uit, met 3.500 kanttekeningen. Minister van Wetenschap en Onderzoek Johanna Wanka heeft gesuggereerd dat het boek op school moet worden gebruikt.’ Gaat de sjoa, de holocaust, niet uiteindelijk over deze vraag: wie erbij hoorden en wie niet?”

Ilham: “Wie bepalen dat: wie wel en wie niet …. Toch niet Brussel, wel?”

* VROLIJKHEID *

“Adolf Hitler draaide het als het ware om,” zegt David. “Hitler zei tegen de joden: jullie horen hier niet thuis. Niks uitverkoren volk, dat zijn wij, Edelgermanen, namelijk. Jullie zijn Untermenschen en Ungeziefer (ongedierte) dat , ausradiert, getilgt, moet worden.”

Ilham: Kijk op de site van Der Stern en lees dat de historicus Christian Hartmann >  und das Institut für Zeitgeschichte hatten die Idee [hatten], “Mein Kampf” mit Fußnoten zu entkräften. Fußnoten, die Hitlers Gedankenwelt hinterfragen, ihre Ungereimtheiten herausarbeiten, ihre Botschaften widerlegen. Hartmann will mit der Kraft der Aufklärung den Wahn besiegen. Er sagt: “Wir sind gewissermaßen der Kampfmittelräumdienst, wir drehen die Zünder raus.” < Dus Hartmann wil de onstekingsmechanismen uit de bom draaien door de ongerijmdheden bloot te leggen en zo ‘Mein Kampf’ kalt stellen, ontzekeren, ontzenuwen, als bom.

Enfin, een bescheiden rel lijkt geboren, lees maar na op de Duitse site. Het boek verbieden kan niet vanwege de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek. Net zo min als Grensleven in Israël verboden kan worden, alleen wordt Grensleven niet op het officiële schoolcurriculum gezet.”

Mein Kampf was al lang op internet te lezen,” merkt Marieke op, “en wij hebben er met onze Hagenpreek clubs hele passages uit gelezen. Ook in een Nederlandse vertaling. Wie werd daar warm of koud van? Het tractaat is gewoon niet te verstouwen. Ik ben een beetje bang dat juist de commotie eromheen het geschrift populair maakt bij specifieke groepen. Nou ja: populair, is misschien net te veel gezegd, want je moet flink doorkauwen om de tekst tot je te nemen.”

David, grinnikend: “Hitler wordt waarschijnlijk heel snel net zo triviaal vanwege het algemene ‘ver-amuseren’ als alle andere ‘kennis’, hier, hoor maar:  > Hitler bedient heute das Bedürfnis nach grenzwertiger Unterhaltung: Hitlers letzte Stunde, Hitlers liebste Hunde. Vor Kurzem erschien eine Studie über die Zahnhygiene des Führers, Titel: “Dentist des Teufels“ < Ik heb op de site van het satirische blad  ‚Titanic‘ gesurfd en daar staan me rauwe items tussen. Foei zeg!“ Titanic-Kruzifix_5

Marieke: ‘‘Al met al niet mis hoor. Meneer Hartmann heeft gelijk als hij waarschuwt Mein Kampf niet te licht op te vatten, want wat het boek beschrijft wordt naderhand werkelijkheid:  > Das Buch formuliere in groben Umrissen vieles, was später zur Tat wurde. Hitler schreibt etwa explizit über die Eroberung von Lebensraum im Osten und davon, unliebsame Volksgenossen gewaltsam zu unterdrücken, er verfasst hasserfüllte Abschnitte über seine zahlreichen Gegner: Juden, Marxisten, aber auch Bürgerliche oder die Kirchen. Deutschland, fabuliert er in einer bekannteren Passage, hätte den Ersten Weltkrieg nicht verloren, wenn es entschlossen gewesen wäre, die Juden “unbarmherzig auszurotten”, und wenn man “12.000 oder 15.000” von ihnen “unter Giftgas gehalten” hätte. <

Toe maar: Duitsland zou de Eerste Wereldoorlog niet hebben verloren, indien ze vastberaden waren geweest de joden genadeloos uit te roeien > und wenn man “12.000 oder 15.000” von ihnen “unter Giftgas gehalten” hätte <  Tjonge, die Adolf Hitler had bepaald geen schroom. Eigenlijk een rasechte politicus. Vermoed ik althans. Die lui die vandaag de dag achter de knoppen zitten, nou …..   ‘Wäre alles anders gekommen, hätten die Deutschen damals “Mein Kampf” nur gründlicher gelesen?‘ nou, ik weet het zo net nog niet hoor.“

“Is het toeval dat zo’n roman als Onderworpen van Michel Houellebecq en Judas van Amos Oz, net nu, in deze periode het licht zien?,” vraagt Ilham. “Dat denk ik niet. Ik geloof dat goede schrijvers zoals Houellebecq en Oz, de tijdgeest haarscherp aanvoelen en dat ze die weergaloos weergeven in hun boeken. Bij hen gaat het immers over het actuele thema anders-zijn en apartheid, maar onderhuidser dan bij Rabinyan denk ik.”

“Zo ongeveer als A. F. Van der Heijden met de tandeloze tijd,” merkt David op.

“Ja, maar dan vilein analytisch en kritisch,” meent Marieke. “Veel mensen lezen over de kritiek bij Oz en Houellebecq heen, daarom worden ze vooralsnog als ongevaarlijk beschouwd door de machthebbers. Echter, indien de maatschappijkritiek expliciet en evident is, zoals vermoedelijk in de roman van Dorit Rabinyan, dan wordt het door establishment openlijk afgekeurd. Het gaat altijd over kritiek op het establishment, zowel bij Houellebecq als bij Oz.”

Ilham: “Zowel Michel Houellebecq als Amos Oz voeren een literaire vivisectie uit op huidige maatschappijen. Met name op die neoliberale imperiums in de Westerse hemisfeer. Zogenaamd seculier, maar intussen doordesemd van markt fundamentalisme, dat fanatiek wordt beoefend als een religie.”

David: “Amos Oz komt in Israël weg met de schimpscheuten die hij zijn personages in de mond legt, omdat Jezus uiteindelijk niet de messias blijkt te zijn. Hij komt immers niet van het kruis af en verlost de joden niet van hun onderdrukkers, de Romeinen.” boekomslag Gader Haya_5

“Hoe raken de goudvissen van Gershom Wald uit de roman Judas van Amos Oz, in hemelsnaam verzeild op de omslag van de roman Grensleven van Dorit Rabinyan?” vraagt Ilham. “Zijn de vissen bij Amos Oz een toespeling op het symbool voor christendom, ichtus? Raakt Grensleven via de vis gecontamineerd met christendom?”

“Bij een schrijver als Oz zou me dat niet verbazen,” grinnikt David, “maar welke lezers zien dat er in? Wie weet nog waar ichtus voor staat, wat het betekent? Ik acht Oz best in staat om de christelijke-ideologie-volgens-Oz op deze wijze in het verhaal te smokkelen.”

“Dan zit er ook ironie in,” zegt Marieke: “de stomme vissen, tegenover de spraakwaterval Gershom Wald. De joodse Wald kan dus gewoon geen christen zijn.” Marieke grinnikt: “Tenminste niet volgens Amos Oz. Best geestig eigenlijk.”

Ilham: “Wanneer je Judas grondig en vaak leest, zit het vol humor, soms grimmige humor. Bij Amos Oz flopt de romanfiguur Jezus van Nazareth als project en product van Judas Iskariot.
Oz wijdt hoofdstuk 32, bladzijde 184 – 194, aan de mislukte marketing van Jezus door Judas. Dat is ongeveer midden in het verhaal. Op (193) staat: ‘Judas Iskariot was dus de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging.’ Op (190) schrijft Oz dat Judas degene is die begrijpt hoe ‘public relations’ (sic) werkt en hoe hij Jezus aan het grote publiek kan verkopen. Judas stippelt de strategie uit en zet het draaiboek in elkaar. Jezus laat zich manipuleren en uiteindelijk als een lam aan het hout spijkeren. Judas ziet zijn investering – financieel en moreel? – naar de gallemiezen gaan en verhangt zich.”

David onderbreekt haar: “In dit centrale hoofdstuk steekt Oz in mijn lezing de draak met zowel de figuur Jezus, een kinderziel, als met de manipulator Judas. De romanpersonages zijn karikaturen van de onnozele jood die zich laat misleiden door de sluwe jood. Joden zijn net mensen. Lees maar op (56), waar Gershom Wald tegen Sjmoeël Asj zegt: ‘Maar de waarheid, jonge vriend, de echte waarheid zien wij hier immers in het Land Israël recht voor onze ogen: precies zoals de oude jood is ook de nieuwe jood die hier zogenaamd is opgegroeid, helemaal niet sterk en kwaadaardig, maar hebzuchtig, sluw, luidruchtig, bang en verteerd door achterdocht en angsten.’
De onnozelaar Jezus wordt nota bene de grondlegger van een wereldgodsdienst, het christendom. Ik lees het als een-op-de-hak-nemen van gevestigde ideologieën, canons en interpretaties. Wat dit betreft, toont Amos Oz zich een evenknie van Michel Houellebecq.”

Ilham knikt en ze zegt zacht: “Die naam ‘Asj’ (Asch, as) vond ik van meet af onheilspellend klinken, want het doet me denken aan de as van de Duitse ovens.”

“Het is dat je erover begint,” zegt Marieke, “hij heet Sjmoeël Asj, dus: S.A.. Het Horst Wesselied klinkt me in de oren” Ze zingt: “SA marchiert mit ruhig festem Schritt …. Of Amos Oz dit heeft bedacht en bedoeld, weet ik natuurlijk niet, maar dat doet ook niet ter zake: de roman is er en ik lees hem op mijn manier. Daar heeft de schrijver niets over te zeggen. Net zo min als Hitler iets over zijn boek Mein Kampf te zeggen heeft. De kwestie is, hoe wij, lezers, met een boek omgaan, en dat verschilt per context en per lezer.”

Ilham grinnikt en zegt: “Grappig dat Sjmoeël Asj juist niet mit ruhig festem Schritt marcheert, maar als een ukkie, een kleine peuter die net kan lopen, zijn hoofd achterna rent. Hier, op bladzijde 12, aan het begin van het verhaal stelt Oz hem aan ons voor: ‘..  zijn manier van lopen, waarin altijd een latent rennen aanwezig was: trappen nam hij altijd met twee treden tegelijk, drukke straten stak hij schuin over, haastig, met gevaar voor eigen leven, zonder naar rechts en naar links te kijken, zijn bebaarde hoofd met krullen krachtig, krijgslustig naar voren gestoken. Het leek altijd alsof zijn voeten uit alle macht zijn lichaam achternazaten, dat zelf weer zijn hoofd achternazat ….’ zo dribbelt een ukkie.
En, ook Jezus krijgt op bladzijde 190 van Oz een kinderhart: ’Jezus twijfelde hevig of hij de raad van Judas moest opvolgen en naar Jeruzalem moest gaan. Diep in zijn kinderhart knaagde voortdurend de worm van de twijfel: ben ik de mens? Ben ik daar niet te onbeduidend voor? Stel dat de stemmen mij misleiden? Of dat mijn vader in de hemel mij op de proef stelt? Een spelletje met me speelt? Mij gebruikt voor een doel waarvan het geheim voor mij verborgen wordt gehouden?’ Het valt niet mee de messias te zijn.”

* Vrolijkheid *

“Ja,” zegt David, “zelfs in verband met die vader-in-de-hemel klinkt kinderhart toch koddig voor een messias. Het verband tussen Sjmoeël Asj en Jezus zou via kinderlijk kunnen worden gelegd. Ik vind het humor voor de fijnproever.”

“Helemaal waar,” zegt Marieke, “wat dat kinderloopje betreft: ga maar bij de Kindergarten hier op de hoek kijken, dan zie je die ukjes achter hun grote hoofdjes aan dribbelen. Oz laat Sjmoeël Asj bovendien in kringetjes rennen. Lees maar even verder op dezelfde bladzijde: ‘Elke dag van zijn leven zag hij als een uitputtende cirkelvormige hindernisbaan die hem van de slaap waaraan hij ’s ochtends werd ontrukt, terugvoerde naar de winterdeken. …. Hij hield graag betogen tegen iedereen die het horen wilde, vooral tegen zijn vrienden uit de Kring voor Socialistische Vernieuwing’: de Kring! Asj rent de hele dag in kringetjes rond.”

  * Vrolijkheid *

Ilham gaat verder: “Sjealtiël Arbabanel is symbolisch pseudo-gevaarlijk, omdat hij in zijn opvattingen over samenleven van Arabieren en joden (235) door de christelijke ideologie angehaucht lijkt.  Maar christus blijkt een kinderlijke charlatan en geen messias, dus vanuit die optiek,  ongevaarlijk. Wat ik bijvoorbeeld op bladzijde 280 lees, klinkt – zeker nu – erg redelijk:  > De voornaamste Arabische bezwaren, beweerde Abarbanel, golden niet het bestaande zionistische project, dat hoofdzakelijk bestond uit een handvol stadjes en enkele tientallen dorpen in de  kustvlakte, maar het verzet kwam voort uit de angst voor de toenemende macht van de joden en hun vergaande ambities. Ze noemden hem [Arbabanel] ook een verrader omdat hij in 1947, en zelfs nog in 1948, op het hoogtepunt van de Onafhankelijkheidsoorlog, bleef beweren dat het besluit om een joodse staat te stichten een tragische vergissing was. Het was beter, zo zei hij altijd, dat er in plaats van het verkruimelende Britse mandaat een internationaal mandaat zou komen of een tijdelijk Amerikaans bewind.
Hoogstwaarschijnlijk, zei hij, zouden honderdduizend overlevenden van de Sjoa uit de doorgangskampen her en der in Europa toestemming krijgen om naar het land te immigreren, zelfs de Amerikanen steunden een dergelijke eenmalige immigratie, en dan zou de joodse gemeenschap van 650.000 groeien naar driekwart miljoen. Daarmee zou de meest urgente nood van de joodse displaced persons gelenigd zijn. Daarna zouden we het beste wat terughoudend kunnen zijn, de Arabieren de kans geven geleidelijk aan, in de loop van tien of twintig jaar, te wennen aan onze aanwezigheid in het land. In de tussentijd zou er misschien rust heersen, op voorwaarde dat we niet langer zouden zwaaien met de eis van een Hebreeuwse staat. <

Vergelijk dit bedachtzame scenario nu eens met het geforceerde tempo waarin de Brusselse boys, de eurobobo’s, de testosteron kids, ons het project Europa door onze keel wringen. Getemporiseerd, geleidelijk aan, met de nodige gewenningstijd, zou oneindig veel beter zijn geweest. Nu schuurt en wringt het aan alle kanten en wij worden steeds kopschuwer van Europa en van politici.”

“Het grote verschil tussen Europa en de staat Israël, hun respectieve politici, vind ik de ideologie,” zegt Marieke, “het feit dat de Israëlische bobo’s joods zijn. Deze euro-kids zijn grotendeels ideologie- en identiteitloos. Hun enige religie is geld. Ze denken dat ze alles door correcte procedures en prijskaartjes alleen kunnen fixen en dat werkt gewoon niet, dat zien we keer op keer. En toch gaan ze fantasieloos ijzeren Heinig door. Ze kunnen ook niet anders, want ze weten niet beter. Ze zijn Europeaan noch Nederlander, Fransman, Duitser of wat dan ook. Het zijn uiteindelijk kleurloze bureaucraten, anonieme procesmanagers, die opdrachten uitvoeren. Ze vergaren genoeg centen en netwerkrelaties om naderhand, na gedane zeken, elders hun tenten op te slaan, terwijl ze ons met hun rokende puinhopen opgescheept laten.
Israëlische politici zijn waarschijnlijk geen haar beter als het om ethos en moraal gaat, maar ze blijven in elke geval altijd en overal joods, hetzij nadrukkelijk uit eigen keuze dan wel doordat de anderen hen genadeloos als joods definiëren, en dat maakt dat ze gedwongen hun eigenbelang verbinden met dat van Israël. Het is misschien schamel en armetierig als basis voor een motivatie tot fatsoenlijke politiek jegens je kiezers , maar ik vind dat nog altijd meer dan wat deze jongens en meisjes schijnt te drijven.”

”Dat is inderdaad een ander soort ‘geen nooduitgang’ dan wat de euro heet te zijn, “ zegt David. “De EU-no-exit geldt eigenlijk alleen voor de massa, het klootjesvolk dat als kanonnenvoer dient.” Hij zucht, en vervolgt, ‘’’Maar wat wil je? Wij kiezen ze toch zelf? Wij legitimeren die politieke prutsers toch? Maar, de Israëlische politici – ook in de roman Judas – ontberen net zo goed een visie op de lange termijn. Vanuit dat perspectief zijn het net zulke zieke Judassen, die Israël en de massa, het klootjesvolk, de tokkies, verraden. Als ik de persoon Amos Oz goed lees, is dat ook grotendeels zijn mening, maar dat is mijn lezing.”

“De betekenissen kantelen tijdens het lezen voortdurend,” zegt Marieke, “maar dat moet toch ook, bij een goed verhaal?”

David, die in de roman heeft zitten bladeren, kijkt op uit het boek en zegt: “Over de middenpositie van hoofdstuk 32 valt nog iets te zeggen met betrekking tot jaartallen. Oz vertelt meteen aan het begin wanneer zijn roman speelt: ‘Dit is een verhaal dat zich afspeelt in de winterdagen van 1959 en het begin van 1960. Dit verhaal bevat vergissing en begeerte, teleurgestelde liefde en een religieuze kwestie die hier onbeslist blijft.’
Dat betekent dat het verhaal zich afspeelt ná de Eerste Arabische Oorlog van 1948 en ná de Suez-oorlog van 1956 (de Tweede Arabisch-Israëlische Oorlog) , maar vóór de Derde Arabische Oorlog (de Zesdaagse) van 1967 en vóór de Jom Kipoer Oorlog  van 1973. Dus ‘in het midden’ van vier oorlogen. De Jom Kipoer werd op het nippertje niet verloren door Israël, maar Golda Meir trad daarna wel af (en Moshe Dayan kreeg ook voor zijn andere oog een lapje ….) moshe_dayan_jaartallen
Dit past volgens mij naadloos op de laatste zin van het verhaal op bladzijde 388: ‘Sjmoeël bleef staan waar hij stond, midden in de lege straat. Hij haalde de plunjezak van zijn schouder. Zette hem op het stoffige asfalt. Op de plunjezak legde hij zijn jas en ook zijn stok en zijn muts. En hij bleef staan om zich af te vragen.’ Hij bleef staan om zich af te vragen   …….  “

“Hoe zal het verder gaan ….?”

“Heerlijk toch, om zo te kunnen lezen,” jubelt Marieke. “Leve het ouderwetse onderwijs!”

“Ik ben een mooi voorbeeld tegengekomen van conventioneel lezen en denken ten aanzien van Houellebecq’s roman Onderworpen,” zegt Ilham met een brede glimlach. “Het staat in een bespreking van de roman, in Tirade 460, 2015: ‘De toekomst als mythe.’ De bespreker heeft weliswaar door dat Houellebecq niet in de eerste plaats de Franse moslims op de korrel neemt, maar hij kan zich blijkbaar niet voorstellen dat het Franse establishment Houellebecq zou willen uitschakelen. Hij kan Houellebecq’s venijn jegens het Franse establishment niet helemaal doorzien en kan zich bepaalde reacties van dat establishment niet voorstellen. Alleen moslims kunnen immers met moordaanslagen en terreur reageren. Hoe deze reviewer de bombardementen op Syrië duidt, vind ik niet moeilijk te raden.
Op bladzijde 13 schrijft hij: ‘Het is dan ook moeilijk te begrijpen waarom Houellebecq om dit boek moest worden beveiligd (behalve misschien tegen rabiate feministes zoals zijn eigen, in 2010 overleden moeder die zijn bloed wel kon drinken). Van moslim zijde valt hem hoe dan ook weinig te verwijten…’ Hij gaat er zondermeer van uit dat Houellebecq alleen van moslim zijde iets naars te duchten zou kunnen hebben. Weten jullie nog wat onze vrienden in Parijs zeiden?”

Charlie Hebdo 20160104_txt“Jazeker,” zegt Marieke, “dat ze angstiger zijn voor de woorden en daden van Franse politici en mediapiepeltjes, dan voor aanslagen door moslims. De moslims kunnen weliswaar aanslagen plegen, maar dan toch vooral als reactie op domme politiek van fantasieloze onverantwoordelijke politici. Bijvoorbeeld bombarderen. De reviewer in Tirade beweert overigens dat Ben Abbes een Algerijn is, maar volgens Houellebecq is Ben Abbes een Tunesische Fransman. Dat kan ook bijna niet anders vanwege zijn leidende positie in Moslimbroederschap, de ikhwan. Houellebecq heeft degelijke research gepleegd. De Tunesiërs hebben de fundi’s onlangs in verkiezingen verslagen.”

“De figuur op de Charlie Hebdo omslag,” vind ik dubbelzinnig,“ zegt Ilham. “Wie en wat kun je daar in zien? Een Arabier, een jood, een vrijmetselaar, een lid van de illuminatie, een combinatie van dit alles? Kijk eens naar die driehoek achter zijn hoofd. Staat daar het ‘Alziend Oog’ in verbeeld en waar verwijst dat dan eventueel naar? Ik weet het niet, maar het is allemaal satire. Nietwaar?”

“Éloise en Peyronne waren nog specifieker,” herinnert David zich. “Die suggereerden dat Houellebecq naar Ierland uitweek, omdat hij wellicht een risico liep op last van het Franse establishment geneutraliseerd te worden op een wijze die suggereren zou dat moslims het gedaan hadden. Tenslotte zijn er in Amerika weliswaar mannen gearresteerd voor de moorden op John F. en Robert Kennedy, maar of de echte moordenaars zijn gepakt, is voor veel Amerikanen nog steeds de vraag.”

“De gebroeders Kennedy namen hun taak te serieus,” zegt Ilham, “die dachten werkelijk dat ze ook de grote en fundamentele corruptie konden aanpakken en uitroeien, en dan ga je onherroepelijk de mist in. De belangen zijn gewoon te groot.”

“Tja, Obama heeft twee dochters, dus …” zegt David, “waar kies je als vader voor.”

“Houellebecq en Oz hebben hun kritiek zo subtiel in satire verpakt, dat de meeste mensen er overheen lezen,” meent Marieke, “of ze gaan snobistisch aan de haal, zoals de bespreker in Tirade, die het holle personage, de windbuil Robert Rediger in Onderworpen allerhande verheven ideeën toedicht.”

“Ik heb gegoogeld naar reacties en reviews van Rabinya’s roman,” zegt Ilham, “en ik stuitte op enkele verrassende, bijvoorbeeld deze van Menachem Schwartz, die schrijft dat de integrale  identiteit en (culturele?) erfenis van de scholieren beschermd en bewaard moet blijven: > ‘Dorit Rabinyan’s “Gader Haya” (known in English as “Borderlife”) was rejected because of the need to maintain “the identity and heritage of students in every sector” and the belief that “intimate relations between Jews and non-Jews threatens the separate identity.” <

Ene Shahar Chai schrijft dat de afzonderlijke identiteiten van Arabieren en Joden niet door de roman gecompromitteerd mogen worden: > “Intimate relations, and certainly the available option of institutionalizing them by marriage and starting a family – even if that does not happen in the story – between Jews and non-Jews, are seen by large portions of society as a threat on the separate identities (of Arabs and Jews),” said acting Pedagogic Secretariat Dalia Fenig. < “

“Dus,“ concludeert David: “komen joden Europa gewoon niet in, want ze vertikken het om te integreren.”

* VROLIJKHEID *

“Ho, ho, zegt Ilham nuchter, ”de roman van Dorit Rabinyan is zover ik weet vrij te koop en iedereen die dat wenst kan hem lezen. Het boek wordt alleen niet verplicht gesteld via het curriculum; het wordt niet geïnstitutionaliseerd.
Indien je zou doen wat mevrouw Rabinyan wil, dus haar roman verplicht stellen, dan doe je precies hetzelfde wat de Duitsers met Mein Kampf deden. Dat boek werd op een gegeven ogenblik van staatswege cadeau gedaan aan ieder bruidspaar en bij iedere andere officiële gelegenheid die zich daartoe leende. Hitler werd multimiljonair aan royalties en zijn ideologie werd ook nog eens massaal door de strot van zijn brave Duitsers gestampt. Wat kon Hitler zich beter wensen? Het mes sneed aan twee kanten.

Amos Oz’s  Judas, is volgens mij – ik heb Grensleven niet gelezen – veel knapper geschreven en zal waarschijnlijk op den duur, net als Houellebecq’s roman Onderworpen, veel werkzamer blijken. Al kunnen we nu al vaststellen dat slechts een beperkte groep lezers de boeken zo lezen als wij doen.”

Marieke: “En laat dat nou uitgerekend die lezers zijn die ‘geen problemen veroorzaken’ zoals Houellebecq in zijn roman zegt. Helaas pindakaas. Weest echter getroost, want pindakaas is heerlijk en voedzaam.”

“Ik hoop maar dat Hitlers Mein Kampf ook vooral wordt gelezen door personen die geen problemen veroorzaken,” zegt David, “maar dat zou weleens heel anders kunnen uitpakken. Het gaat om de vraag hoe de Duitse samenleving met Hitler omgaat, 70 jaar na zijn dood. Juist nu, terwijl de laatste ooggetuigen sterven: ‘Es geht um die Frage, wie die deutsche Gesellschaft mit Hitler umgeht, 70 Jahre nach dessen Tod, jetzt, da die letzten Zeitzeugen sterben.‘ ”

“Of de euro, de uitbreidingsmanie en de ongebreidelde kippendrift van de eurocraten uiteindelijk tot algehele Europese integratie zal leiden, is voor mij zeer de vraag. Eerlijk gezegd heb ik er een zwaar hoofd in en zie ik vooral steeds heviger desintegratie inzetten, maarre Mein Kampf zou ik op Nederlandse scholen eventueel alleen als zwaar strafwerk vertalen-uit-het-Duits verplicht willen stellen,” besluit Marieke.

= = = = = = =

Vrouwen weer normaal-50prct

Dorit Rabinyan: Gader Haya (roman)  > googelen

Derk Walters over de roman van Dorit Rabinyan in de NRC van zaterdag 2 januari 2015

Menachem Schwartz: ‘Novel banned from Israeli schools out of assimilation fear’ First Published: 12/30/2015 http://www.israelnationalnews.com/News/News.aspx/205723#.VofFTE1gm70

Shahar Chai: ‘Book on Israeli-Palestinian love excluded from schools’ – Published: 12.31.2015 http://www.ynetnews.com/articles/0,7340,L-4746725,00.html

Paul Goldman:  ‘Israel Bans Teaching of ‘Borderlife’ Novel With Jewish-Arab Love Story’ http://www.nbcnews.com/news/world/israel-bans-teaching-borderlife-novel-jewish-arab-love-story-n488401

Nicolas Büchse: ‘Gibt es “Mein Kampf” von Adolf Hitler bald in deutschen Buchläden?’ –  Der Stern,  31. Dezember 2015 http://www.stern.de/politik/deutschland/mein-kampf-von-adolf-hitler-kommt-auf-den-markt—gibt-es-das-buch-bald-im-buchladen-6625552.html

Marc Leijendekker  –  http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/01/02/geen-geintjes-over-mein-kampf-1575581

Jan Techau (directeur van Carnegie Europe:  ‘Het Westen zal zich vooral onderwerpen aan zijn kleinzielige zelf’  / Volkskrant29 januari 2015 / http://www.volkskrant.nl/opinie/het-westen-zal-zich-vooral-onderwerpen-aan-zijn-kleinzielige-zelf~a3839605/

Malika Sorel:  ‘De elites brengen ons in gevaar’  / http://www.trouw.nl/tr/nl/4496/Buitenland/article/detail/4206682/2015/12/13/De-elites-brengen-ons-in-gevaar.dhtml

Amos Oz (2014): Judas (roman)  ISBN: 9789023492399 > googelen https://www.youtube.com/watch?v=xpeje4eQriM   Gepubliceerd op 16 nov. 2015
https://www.youtube.com/watch?v=Xrrmo1UR4cE

Michel Houellebecq (2015): Onderworpen (roman) / Amsterdam: Arbeiderspers / ISBN: 978 90 295 3861 

 

Tirade (letterkundig tijdschrift), 460, 2015: ‘De toekomst als mythe’ – over de roman ‘Onderworpen’ van Michel Houellebecq http://www.magvilla.nl/magazine/5433/tirade

Titanic –  Duits satirisch magazine  –  http://www.titanic-magazin.de/

citaat Oz_judas_2

$ $ $

Historische achtergrond Saoedi-Arabië en de regio in vogelvlucht

A_Dangerous_Man_-_Lawrence_After_Arabia

De Arabieren worden verraden en verkocht door het Westen (met name door de Judassen: Frankrijk (Georges Clémenceau) en Engeland (David Lloyd George en George Curzon).
Prins Faisal die met T.E. Lawrence de Turken verdreef, wordt vervangen door Ibn Saoud (stamvader van het nu regerende koningshuis), die kneedbaarder was voor de westerse grootmachten en in ruil voor oliebelangen de onafhankelijkheid van Saoedi-Arabië compromitteerde.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Sykes-Picotverdrag

https://nl.wikipedia.org/wiki/Faisal_I_van_Irak

http://www.vecip.com/default.asp?onderwerp=403

de film A Dangerous man, Lawrence after Arabia is op dvd verkrijgbaar

https://en.wikipedia.org/wiki/A_Dangerous_Man:_Lawrence_After_Arabia

https://www.youtube.com/watch?v=a729KpqD5oI

* Adam Shatz: ‘Magical Thinking about Isis’ / London Review of Books, december 2015

 

Curzon doggerel

 

 

 

 
Leave a comment

Posted by on januari 4, 2016 in de media, hogere politiek, literatuur

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De derde man in Hermans’ ‘Donkere kamer van Damokles’

door Jerry Mager
op de blogsite Work In Progress in de periode januari 2015 – 02 februari 2015

‘’Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’’ – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’
Ludwig Wittgenstein:
Philosophische Untersuchungen.

“If I see two men at once, I cannot by any such direct experience identify both of them with a man I saw before. I can only identify them if I regard them, not as the very same, but as two different manifestations of of the same man.”
C.S. Peirce (1978/1940:93): The principles of phenomenology

“Er zijn twee soorten schrijvers. De eerste soort wil zich, zichzelf, rechtvaardigen als mens. De tweede soort wil zich rechtvaardigen als schrijver. De diepere werkelijkheid van de tweede soort schrijver is een onmiddellijk als mythologisch geconcipieerde werkelijkheid. Hij is geen realist en gelooft niet aan ‘de’ werkelijkheid. Zijn romanpersonages zijn geen zelfportretten of portretten van personen die de schrijver heeft ontmoet. Maar het zijn de incarnaties van de wilde jungledieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen.”
W.F. Hermans in
Het sadistische universum

Bij de debatten en discussies over ‘De donkere kamer van Damocles’ van W.F. Hermans ging en gaat het nog altijd hoofdzakelijk over de vraag of Osewoudts ‘dubbelganger’ Dorbeck al dan niet bestaat of bestaan kan hebben. Hermans voert in zijn roman echter een tweede dubbelganger ten tonele: Egbert Jagtman. Deze Jagtman zou Dorbecks dubbelganger kunnen zijn en dus – in commissie – ook die van Osewoudt. Aan dit personage Jagtman is door de analysten en critici verrassend weinig aandacht besteed, terwijl het toch een belangrijk aspect belichaamt van de mate waarin Hermans in zijn verhaal consistent en geloofwaardig is.

aannemelijk?
De drie personages Osewoudt, Dorbeck en Jagtman moeten door de schrijver op aannemelijke wijze als voor elkaar inwisselbaar gepresenteerd worden. Als Jagtman het evenbeeld is van Dorbeck en Dorbeck dat van Osewoudt, dan is Jagtman dus ook het evenbeeld van Osewoudt. Is het waarschijnlijk dat Jagtman op Dorbeck en dus ook Osewoudt lijkt? Is de manier waarop de geallieerde autoriteiten te werk gaan bij de verificatie van de eventuele overeenkomsten tussen het kadaver en Osewoudt en Dorbeck, waarschijnlijk?

In deze posting enkele ideëen.

In de roman introduceert Hermans het personage Jagtman via Dorbeck, op bladzijde 30. (Mijn paginaverwijzingen zijn naar het gratis exemplaar dat in november 2012 werd verspreid door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de actie Nederland leest, isbn: 978 90 5965 179 1). We bevinden ons dan in de begintijd van de Duitse bezetting, rond eind 1940. Tot op bladzijde 278 – de roman telt 328 bladzijden – horen we daarna niets over Jagtman (en Dorbeck). Op bladzijde 278 zijn we vier jaar verder en in de prille dagen na de bevrijding van Nederland (april – mei 1945) beland en bevindt Osewoudt zich in Nederlandse detentie op verdenking van spionage, sabotage en liquidaties in opdracht van de Duitsers, ten tijde van de bezetting. Tot zijn verdediging voert Osewoudt aan dat hij voor het geallieerde verzet werkte en op instigatie en aanwijzingen van Dorbeck handelde. Alle pogingen om Dorbeck na de bevrijding op te sporen echter, mislukken. Ieder spoor loopt dood.

Op bladzijde 278 informeert de Nederlandse politieman Spuybroek Osewoudt dat er een massagraf is ontdekt: “We hebben bericht gekregen van een Engelse commandant ergens in de buurt van Oldenburg. Ze hebben daar een massagraf opgegraven. Bij de lijken die tevoorschijn gekomen zijn, schijnt er een te wezen dat aan de beschrijving beantwoordt.” Het betreffende kadaver zou Egbert Jagtman kunnen zijn. Spuybroek: “Herinner je je nog, dat je een verhaal verteld hebt waarin de naam Jagtman voorkwam. Jagtman… een naam en een adres die je van Dorbeck had opgekregen. Je moest daar foto’s naartoe sturen. Het was op het Legmeerplein in Amsterdam. Maar toen je daar eens ging kijken, bleek dat er juist de vorige nacht een vliegtuig was neergestort op dat huis en dat de hele familie Jagtman daarbij was omgekomen? Was het zo niet?
– Ja, ongeveer.
– Nou. Weet je wie zich aangemeld heeft? De tandarts van die familie Jagtman. Hij weet precies hoe de gebitten van die mensen eruitzagen. Als nu het gebit van dat lijk in Oldenburg overeenkomt met dat van een lid van die familie Jagtman, dan zijn we heel wat verder. Dan wordt het begrijpelijk waarom niemand van Dorbeck heeft gehoord. Dan ligt de veronderstelling voor de hand dat Dorbeck een schuilnaam geweest is en dat hij in werkelijkheid Jagtman heette.”

Ze gaan naar Oldenburg. De tandarts wordt onderweg opgepikt en tussen Osewoudt en hem ontspint zich het volgende gesprekje.

“Pas toen de auto aan de ingang van de Engelse legerplaats te Oldenburg stopte, kreeg Osewoudt de kans enkele woorden te wisselen met de tandarts die zij onderweg hadden opgepikt.
– Meneer, vroeg Osewoudt, u heeft dus de hele familie Jagtman goed gekend?
– Ja, ze waren allemaal bij mij in behandeling.
– En er was er een bij die op mij leek?
– Ik zou zeggen van wel. Daarom heb ik ook de politie opgebeld toen ik die foto van Dorbeck in de krant zag. Maar u moet wel begrijpen, het is alweer vijf jaar geleden dat ik hem het laatst gezien heb. Ik houd geen fotoalbum bij van mijn patiënten.
– Hoe heette hij precies?
– Egbert.
– Egbert. Heeft u hem na mei 1940 nog gezien?
– Dat is het hem juist. Hij is het laatst bij mij geweest in augustus 1939 – Daarna is hij gemobiliseerd.
– Was hij bij de artillerie?
– Ik zou het niet precies kunnen zeggen.
– Hoe oud was hij?
– Drie en twintig.
– Maar als nu een andere tandarts terwijl hij in dienst was, een heleboel aan zijn gebit veranderd heeft?”

Osewoudt heeft op het moment dat dit voorval in Oldenburg zich afspeelt alweer zijn gewone witte dunne haar. Als de tandarts vindt dat Jagtman op de foto (is die van Dorbeck of Osewoudt?) lijkt, dan moet Egbert Jagtman licht haar hebben gehad. Zelfs op een zwart-wit foto is te zien of iemand wit of zwart haar heeft. Over de haarkleur van Jagtman en Osewoudt wordt echter met geen woord gerept, terwijl de tandarts Osewoudt toch in persoon voor zich heeft. Dan is er de kwestie van de lichaamslengte. Osewoudt is vanwege zijn kleine postuur afgekeurd voor militaire dienst – hij was een halve centimeter te kort – terwijl Egbert Jagtman officier zou zijn geweest. Valt Osewoudts geringe lichaamslengte de tandarts niet op en komt die overeen met die van zijn patiënt Jagtman? Dorbeck zou bijna even kort als Osewoudt moeten zijn, maar net een halve centimeter langer. Dat was Dorbeck althans tijdelijk, want Dorbeck beweert dat hij zich vlak voor de militaire keuring heeft uitgerekt. Na de keuring moet Dorbeck tenminste een halve centimeter zijn teruggezakt, als een pudding, misschien zelfs iets meer dan die halve centimeter indien hij zich vóór de keuring verder dan een halve centimeter had opgerekt. Ook Jagtman moet dus tamelijk klein van stuk zijn geweest. Hoe kort of lang was Jagtman? Hierover rept Hermans met geen woord.

het kadaver
Op bladzijde 284 wordt in Oldenburg het kadaver onderzocht dat eventueel van Dorbeck zou kunnen zijn. “Helemaal achterin lag het lijk dat hij bedoelde. Het had een kruis van rode menie op de lichtblauwe, opgezwollen buik. De ogen waren open, maar de oogballen verdwenen. Op de wangen kleefde een dunne zwarte baard. Ook het hoofdhaar was zwart.
– Is dit Dorbeck? vroeg Selderhorst. Osewoudt aarzelde.
De tandarts hurkte, zette zijn spatel tussen de gesloten kaken van de dode, en wrikte de mond open. In de andere hand hield hij zijn zaklantaren.
– Al gezien! riep hij, zich weer oprichtend, heeft geen tand of kies meer in de mond!”

Ook over het postuur van dit lijk geeft Hermans niet de informatie die je onder de gegeven omstandigheden mag verwachten: hoe lang is de dode man en is zijn zwarte hoofdhaar van nature zwart, dus niet zwart geverfd. Heeft hij ook zwart oksel- en schaamhaar? De lezer krijgt er niets over te lezen. Op de wangen van het kadaver kleefde een “dunne zwarte baard” terwijl van Dorbeck op bladzijde 24 wordt gemeld dat hij blauwe kaken had vanwege een zware baardgroei: “ Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels.” Waarom zouden de autoriteiten Osewoudt en de tandarts naar Oldenburg slepen, terwijl ze al wisten dat het lijk geen gebit en geen ogen had? Op z’n minst hadden ze de lichaamslengte van de dode kunnen doorgeven. Spuybroek zegt dat ze afgaan op een beschrijving, maar aan welke beschrijving beantwoordt het lijk dan? Waarom ligt het kadaver dat onderzocht zal worden nog tussen de andere lijken in de drab en smurrie, terwijl de Engelsen weten dat de delegatie in aantocht is om het lijkt te inspecteren? Het massagraf werd nota bene tien dagen ervoor al gevonden. Hermans verstrekt geen forensische gegevens over het kadaver, behalve de opgezwollen buik (284). Als lezer kun je onmogelijk nagaan of het kadaver geloofwaardig “vers” genoeg is, juist te vers, of net over de waarschijnlijke houdbaarheidsdatum onder die omstandigheden.  Men sleept Osewoudt wel heen en weer naar Engeland (bladzijde 242-255) om hem te ‘verhoren’ maar gaat blijkbaar erg nonchalant met dit belangrijke lijk om. Uiterst vreemd en niet bijster overtuigend.

Hermans’ wisseltruc met shifters

“Der Held interessiert Dostojewski nicht als ein Phänomen der Wirklichkeit, das bestimmte, fest augeprägte sozialtypische und individuell-charakteristische Merkmale aufweist, nicht als eine äuβere Gestalt, die sich aus eindeutigen und objektiven Zügen zusammensetzt, welche in ihrer Gesamtheit die Frage > Wer ist er? < beantworten. Dostojewskij kommt es nicht darauf an, was sein Held in der Welt darstellt, sondern darauf , was die Welt für den Helden, was der Held für sichselber darstellt.”
Mikhail Bakhtin (1985:86): Literatur und Karneval.

Hermans haalt echter een wisseltruc uit met Osewoudt en met de lezer. Dat doet hij middels de shifters Osewoudt, Dorbeck en Jagtman. Een shifter (Otto Jespersen, Roman Jakobson) is een taalteken dat verwijst naar een situationele context, naar de concrete taalgebruikssituatie. Het zijn deiktische uitdrukkingen (bijvoorbeeld: die, gisteren, jij, hier) waarvan de referentie – hetgeen waarnaar ze verwijzen – afhangt van en verandert met de gebruikssituatie. Smulders gebruikt zeer overtuigend ‘cross-world identity’ (google bijvoorbeeld op de filosoof David Lewis), maar ik prefereer shifters. In een ander stuk zal ik uitleggen waarom.
De namen Dorbeck, Osewoudt en Jagtman ( aan het eind strooit Hermans met de naam Elkan, zand in de raderen) verwijzen naar steeds andere personages, afhankelijk van de taalgebruikssituatie. Terwijl we denken een passage te lezen die over Osewoudt lijkt te gaan, blijkt achteraf – daar kun je door oefening tot op zekere hoogte op leren anticiperen – dat het eigenlijk over Dorbeck/Jagtman gaat, en andersom, omgekeerd, achterstevoren en binnenstebuiten.
Immers Osewoudt, Slegtenhorst, Spuybroek en de tandarts van Egbert Jagtman gaan naar Oldenburg om een kadaver te inspecteren dat mogelijkerwijze de dode Jagtman kan zijn. Dat meldt Spuybroek op bladzijde 278-279 aan Osewoudt. Maar ook Spuybroek is niet eenduidig. Hij heeft het over “de beschrijving”, maar zegt niet van wie de beschrijving afkomstig is en wie er beschreven wordt: de politie, Osewoudt, Jagtman of Dorbeck?
Osewoudt beweert dat hij Dorbeck kent, maar (291) nooit heeft beweerd dat Jagtman en Dorbeck dezelfde zijn. Hermans laat Slegtenhorst een wisseltruc uithalen om Osewoudt in zijn verwarring te bevestigen, zodat die straks terecht als verrader voor het gaas kan. De tandarts echter gaat mee om te verifiëren of het kadaver misschien van zijn patiënt Jagtman zou kunnen zijn, niet van Dorbeck, want de tandarts kent Dorbeck helemaal niet.
Slegtenhorst stelt Osewoudt echter de vraag of het lijk Dorbeck is (284). Osewoudt aarzelt, logisch, want hij heeft Jagtman nooit gezien en Dorbeck hoogstwaarschijnlijk ook niet (Smulders: is het noodzakelijk dat Dorbeck bestaat?) .
Voordat Osewoudt iets kan zeggen, laat Hermans de tandarts melden dat het lijk geen tand of kies meer in de mond heeft. Hij kan dus niet vaststellen of het Jagtman is. De tandarts bekijkt alleen het gebit en niet het hele kadaver. Hij zegt niets over de lengte van Jagtman. Of het kadaver van Jagtman kan zijn, kan de tandarts niet vaststellen, of het Dorbeck is, kan Osewoudt evenmin zeggen. (boek Smulders, 249) Slegtenhorst dringt niet verder bij Osewoudt aan en de lezer krijgt dus hom noch kuit.

Smulders’ redenen

“It appears to me that this mystery is considered insoluble, for the very reason which should cause it to be regarded as easy of solution”
E.A.Poe, in: ‘The Murders In The Rue Morgue’

De Neerlandicus Smulders heeft vast niet toevallig een naam die ook met een S begint en bovendien op een s eindigt: een molenaar – “mulder” – tussen essen. Om te smullen! Wilbert Smulders zegt op bladzijde 50 – 51 van zijn boeiende boek dat hij zich niet wil bezighouden met de vraag omtrent het al dan niet bestaan van Dorbeck. Hij concludeert dat de roman van Hermans een onoplosbaar interpretatieprobleem met zich brengt en stelt zich ten doel te achterhalen welke redenen daarvoor verantwoordelijk zijn.

Smulders is geïnteresseerd in de redenen die de lezer nopen zich op een gegeven moment de vraag te stellen of Dorbeck al dan niet bestaat. Het knappe van Smulders is dat hij postuleert dat die redenen (die volgens Smulders de lezer dus zullen dwingen) dezelfde zijn die ervoor zorgen dat op de vraag of Dorbeck wel of niet bestaat, geen antwoord mogelijk is. Smulders’ formulering deed me sterk denken aan een passage bij Poe – zie citaat hierboven.

Het gaat bij Smulders dus om dezelfde redenen die een ander doel niet dienen. Kan dit, zeg ik het zo correct? Bij Smulders gaat het om identieke redenen terwijl het in Hermans’ roman om identieke personages gaat. Slaagt Smulders in zijn queeste? Wie een antwoord op die vraag wil, moet Smulders’ verhandeling zelf lezen. Die is zeer de moeite waard.

“Het centrale idee van het boek [i.e. Damokles; jm] is dat van het misverstand. Het is ook een kwestie van zichzelf verkeerd beoordelen, dat kun je geen misverstand noemen. Het is mogelijk dat de mens innerlijk verandert, dat de man die vandaag leeft niet meer kan onderschrijven wat hij gisteren heeft gedaan. Mensen uit één stuk bestaan in mijn romans niet. Die verandering, dat is juist het vreemde, die is niet discontinu, maar juist continu, maar omdat we geen houvast hebben aan iets dat voortdurend verandert, stellen we ons dus onophoudelijk de vraag, wat is authentiek in wat we doen en wat we denken.”
W.F. Hermans (1959,1962) over ‘De donkere kamer van Damokles’ in ‘Scheppen riep hij, gaat van Au’

Op eigen ervaring afgaande, meen ik dat je je als lezer van Damokles op verschillende momenten tijdens het lezen de vraag stellen kunt of zelfs moet, of Dorbeck/Jagtman bestaan, en dat die vraag bij iedere lezing van het verhaal op een ander moment gesteld zal worden en het antwoord steeds wisselend moet zijn. Je stelt je die vraag als lezer echter bijna nooit bewust en dat veroorzaakt de desoriëntatie waarover Smulders het heeft in hoofdstuk 4 van zijn verhandeling.
Dat de mens ook innerlijk verandert, geldt zowel voor de lezer als voor het personage waarover hij leest. Wie verandering bij wie veroorzaakt, weet ik niet en dat interesseert me ook niet. De redenen die Smulders misschien vandaag verstrekt, waren gisteren vermoedelijk al niet meer valide. Dat doet aan mijn leesplezier – van zowel Hermans als Smulders – evenwel geen sikkepit af.
In plaats van de ‘mise en abyme’ / het Droste-effect (Smulders, 248), opteer ik tijdens lezing daarom toch eerder en vaker voor Derrida’s ‘différance’, dat doet mij me meer thuis voelen bij het lezen, omdat ik het voortdurende uitstellen van betekenis, inherent aan de (non-)identiteit, als een natuurlijk gegeven ervaar. Ik denk in dit kader ondermeer aan die niet-op-elkaar-lijkende-namen Osewou-dt en Dorbe-ck, waarvan Osewoudt beweert dat ze op elkaar lijken. Alleen omdat je niet kunt horen dat Dorbeck met ‘ck’ geschreven wordt en Osewoudt met ‘dt’. Is dit een geval van functionele redundantie?

het negatief van de pudding

 “Geen enkel verhaal, hoe realistisch ook, geeft antwoord op alle vragen die eraan zouden kunnen worden gesteld. De kunst van de realistische auteur is alleen dat hij te krasse tegenspraken vermijdt, dat hij in waarnemingsvermogen niet achterstaat bij de gemiddelde waarnemer. Kortom, hij weet de indruk te wekken dat ‘het klopt’.
Toch geeft hij op eenvoudige vragen geen antwoord. Zijn kunst is het scheppen van een sfeer waarin bepaalde vragen niet passen.”
W.F.Hermans (1974:117): ‘Het sadistische universum’

Indien Jagtman dezelfde persoon zou zijn als Dorbeck, dan nog moeten zowel Jagtman als Dorbeck op Osewoudt lijken. Maar lijkt Osewoudt wel op Dorbeck? Op bladzijde 25 ziet Ria Dorbeck en ze meent: “ Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto lijkt op een positief. Jij lijkt op hem zoals een mislukte pudding lijkt op een… weet ik veel… op een pudding die wel gelukt is.” Lijkt een negatief op een positief? Probeer maar eens van zes postieven en de zes bijbehorende negatieven bij ieder positief het juiste negatief te vinden. Zelfs met behulp van een lichtbak zal dat een hele klus blijken.
Ria vindt Dorbeck en Osewoudt beiden op een pudding lijken, dus zij waardeert Dorbeck heel anders dan Osewoudt, die Dorbeck adoreert en idealiseert. Ria is misschien geen sympathieke vertelinstantie, maar is zij daarom een onbetrouwbare? “De mensen waar romans over handelen, worden door de lezers onderscheiden in sympathieke en antipathieke. Wat is een sympathiek romanpersonage? Het is een personage waarover de schrijver niet meer bekend maakt dan de massa, in zijn op schijnwaarden gebaseerde onderlinge verkeer, in het openbaar over zichzelf wil weten.”

Kun je spreken van betekenisvol onderscheid tussen een gelukte en een mislukte pudding? Voor mij is pudding pudding, de puddingachtige substantie maakt het wezenlijke van pudding uit.
En dan Osewoudts mond (19), die “deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.” Over Dorbecks mond (24) vertelt Hermans niets. We worden alleen over zijn witte tanden geïnformeerd: “Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond.” Over Osewoudts gebit krijgen we niets te lezen. De beschrijvingen van Osewoudts mond (“bek”) en Dorbecks gebit suggereren alleen dat het onwaarschijnlijk is dat de monden van Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken.

De enige die Dorbeck zo op Osewoudt vindt lijken dat ze inwisselbaar zouden zijn, is Osewoudt. Marianne zegt bij het zien van het op het bioscoopscherm geprojecteerde portret (bladzijde 139) “ Filip, wat is dat gek! Die man lijkt op jou!” Waarom vindt Marianne dat “gek”? Lijken op iemand wil nog niet zeggen dat je voor elkaars dubbelganger kunt doorgaan. Wat de mensen in de zaal precies voor een foto krijgen te zien, weten we niet. Is het een profiel foto, en face, half profiel? Osewoudt heeft “een neusje” (bladzijde 19, 289) dat aan het eind opwipt met brede dunne neusvleugels, doorzichtige afstaande oren en een bek in plaats van een mond. Worden al deze kenmerken zichtbaar op de geprojecteerde foto? Zou je bij deze beschrijving direct aan Dorbeck denken?

van fonemen en morfemen
Hermans haalt nog aardig een grapje uit op bladzijde 24. Ik geef de hele passage.
“Hoe is de naam?
– Dorbeck. Met ck. ‘Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
– Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
– Dan lijken onze namen op elkaar.
De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen, die hem aankeken of zij iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
– U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
– Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.
Dorbeck lachte. Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond. Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels. Het vel van zijn wangen leek daardoor des te witter, maar onder zijn jukbeenderen gloeide het roodachtig. Hij had een stem als een klok van brons. – Bedankt, zei hij. …”

Wie kan er nou beweren dat de namen Dorbeck en Osewoudt op elkaar lijken? Ze klinken anders en ze worden heel anders geschreven. Het enige waarin ze “op elkaar lijken” is dat je de “dt” en “ck” aan het eind niet hoort. Hermans vertaalt hier als het ware Wittgensteins uitspraak 4.1212 uit de Tractatus: “Wat getoond worden kan, kan niet worden gezegd.” Je moet de namen geschreven zien, of ze moeten voor je gespeld worden. (Jacques Derrida zal er zijn idee van het primaat van het schrift aan ontleend hebben).
Hermans zegt hier in feite dat Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken door iets wat er niet hoorbaar is. Bedenk dat Osewoudt een hoge piepstem heeft terwijl de schrijver Dorbeck een bronzen stemgeluid toebedeelt. In lemma 3.26 van de Tractatus beweert Wittgenstein bovendien: “De naam kan door geen enkele definitie verder worden ontleed: hij is een oerteken.” Hermans legt op bladzijde 175 van zijn vertaling van de Tractatus uit dat namen bij Wittgenstein niet verwijzen naar personen of dingen maar dat het de kleinste betekenisvolle eenheden (morphemen) in de volzin zijn.

De beide namen Osewoudt en Dorbeck lijken helemaal niet op elkaar, alleen hoor je het verschil tussen de ‘dt’ of ‘d’ of ‘t’ aan het eind van een woord in het Nederlands niet. In ‘hij deed’ en ‘hij doet’ klinken de eind-d en eind-t hetzelfde. Laat je een Nederlander de Engelse zin uitspreken: ‘He had a hat on his flat head’ dan zal in negen van de tien gevallen een native speaker Engels even moeten slikken bij het snel proberen te achterhalen wat de Nederlander precies bedoelt.
In het Engels zijn de eind-t en eind-d namelijk wel discriminerend, net als de ‘a’ en de ‘e’ in bijvoorbeeld ‘hat’ en ‘the Met’ (the Metropolitan). De ‘ck’ daarentegen spreek je ook het Engels eender uit als in het Nederlands, bijvoorbeeld in: ‘cheek’ en ‘check’. Wie hier verder in wil grasduinen googele om te beginnen bijvoorbeeld op ‘fonemen’.

Wie zegt in de hierboven gegeven tekst de woorden: “Dan lijken onze namen op elkaar.”?

Dat kan zowel Osewoudt als Dorbeck zijn. Wie informeert de lezer over de gelijke lengte van Dorbeck en Osewoudt middels: “Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen.” Is diegene een betrouwbare verteller? Dorbeck beweert dat hij zich heeft uitgerekt. Zou Osewoudt dat niet ook hebben gedaan? En dan nog: de ogen kunnen aan halve centimeter hoger of lager in de schedel staan. Wordt het aannemelijker dat de ogen van Dorbeck, het kadaver, en Osewoudt op de gelijke plek in de respectieve schedels zijn gesitueerd door de oogballen van het kadaver kwijt te maken, of is dit ook zo’n typisch Hermans’ plagerijtje? Kortom, de sprekende gelijkenis tussen Osewoudt, Dorbeck – en Jagtmans – die Hermans ons, lezers, zo succcesvol probeert op te dringen, is helemaal niet zo vanzelfsprekend.

P.C. Hooft
Gebruik voor de aardigheid de P.C. Hooft-prijs eens in een dictee aan middelbare scholieren. De helft die niet weet wie P.C. Hooft is en dat er een literaire prijs naar hem is vernoemd, schrijft PC-hoofdprijs en denkt dat het om een prijs in de computerij gaat.
Er bestaan zelfs leerlingen die PC-hooftprijs opschrijven omdat zij én niet weten wie Hooft was nóch hoe je hoofd/kop spelt. Toch horen ze allemaal hetzelfde woord en bestaan zowel Hooft als hoofd.

wat heet ‘lijken op’?
Lijkt Osewoudt op Meursault van Camus?
Hermans kende het werk van Albert Camus op zijn duimpje; zeker de klassiekers ‘De vreemdeling’ en ‘De mythe van Sisyphus’. In ‘De vreemdeling’ van Camus wordt de hoofdpersoon Meursault door de gevangenisaalmoezenier ‘bezocht’. De priester probeert Meursault te bekeren. In feite beweegt hij hemel en aarde om Meursault zich tot beschaafde Fransman te laten bekennen, en beschaafde Europeanen zijn tenminste nominaal en formeel gristen – in dit geval: katholiek. L’Étranger speelt zich af in islamitisch Algerije, dat destijds een franse kolonie was.
Ook Hermans laat Osewoudt door een priester teisteren, maar maakt van de interactie tussen Osewoudt en pater Beer een komische akt voor twee mannen en zet pater Beers neer als een koddige imbiciel, terwijl Camus de priester als een schuimbekkend schlemiel portretteert. Zowel Meursault als Osewoudt moeten wachtend op hun executie de bezoeking door een zwartrok ondergaan.
Kun je zeggen dat ‘De donkere kamer van Damokles’ als twee druppels water lijkt op L’Étranger? Beide verhalen gaan over de absurditeit van het leven en ik weet bijna zeker dat Hermans zich bij het schrijven van De donkere kamer hevig door Camus (en Franz Kafka) heeft laten inspireren. Maar in hoeverre ‘lijken’ de respectieve verhalen en hun protagonisten op elkaar?

Nog een frappante ‘gelijkenis’ ontdekte ik in Hermans’ verhaal ‘Het behouden huis’ en ‘Nachttrein naar Lissabon’ van de Zwitserse filosoof Peter Bieri. De verteller Raimund Gregorius in Bieri’s verhaal valt het op dat in het huis de Portugese arts en denker Amadeu de Prado, in Lissabon, geen stof op de langbewaarde voorwerpen ligt.
De hoofdpersoon in Hermans verhaal valt tijdens zijn zoektocht in het huis eveneens op dat er nergens stof ligt: “Opeens wist ik het: er lag nergens stof. Zolang er in een huis geen stof ligt, leeft het nog …” Gregorius onderzoekt en evalueert zijn leven door zich aan andere levens te spiegelen, zijn leven met dat van andere te vergelijken. Osewoudt kijkt op belangrijk momenten in het verhaal in een spiegel en parasiteert via spiegelbeelden op het leven van Dorbeck. Lijken de verhalen van Hermans en Bieri op elkaar? Zo ja, in hoeverre?

de twee SS’ers aan geallieerde zijde
Een echt Hermansiaans grapje vind ik het laten figureren van twee SS’ers bij de Britten en de Nederlanders. De namen Smears – Slum (over speaking names gesproken!) en Slegtenhorst – Spuybroek beginnen vast niet toevallig alle vier met een ‘S’. De jonge SS’er op bladzijde 279 is ook niet toevallig zeventien jaar – Osewoudt was bijna net zo jong als het verhaal begint (zie bladzijde 18) – en heeft niet zo maar, net als Dorbeck groene ogen: “Het was een jongen van hoogstens zeventien jaar. Hij had een hoog voorhoofd en daaronder, in ondiepe kassen, de groene wolvenogen van de wildste germaanse stammen.”
Deze jongen zou de gelukte (169) Osewoudt kunnen zijn.

nazi-foto'sHieronder de tekst die Hermans de jonge SS’er op bladzijde 279-280 geeft: “- Jij bent die Osewoudt hè? Ik vind het interessant eens met je te praten. Iedereen heeft over je zaak gehoord. Als je het mij vraagt, dat onderzoek naar Dorbeck is een wandeling in een drijfzand! Elke stap naar voren is tegelijkertijd een stap naar beneden. Hoe denk je er zelf over?
– Dat gaat jou niet aan.
– Als je het mij vraagt ben je een grote klootzak, Osewoudt, ik zeg het niet om je te pesten, maar het is de waarheid. Weetje wat het met de meeste Nederlanders is? Ze hebben nooit denken geleerd. Kijk naar mij. Ik ben een jaar geleden in de ss gegaan. Ik ben een grote amorele theoreticus. Een theoreticus, want ik kan geen bloed zien en bovendien ging ik in de SS toen Duitsland de oorlog al verloren had en andere SS’ers een goed heenkomen zochten in de illegaliteit. Ik geloofde helemaal niet in de SS, het duizendjarig rijk en al die flauwekul waar volgens de kranten iedere SS-man in geloofd heeft. Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is. Jij hebt zeker niet veel gelezen, hè? Ik wel. Ik ben een intellectueel. Die waren er ook in de SS maar weinig. Het was een even groot stelletje stommelingen als de rest van de wereld. Er waren erbij die Himmler op handen droegen! Himmler! Een zeekoe met een lorgnet op! Ze dachten dat Hitler een genie was! Hitler! Een epileptische smaushond! Ze geloofden, godverdomme, in een betere toekomst! Als het van mij afhing gingen ze allemaal tegen de muur, nu, hier, onmiddellijk!”

Let op die echte Hermansiaanse zin: “Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is.” De moraal is een werkhypothese van tijdelijke duur.

Het motto dat ik aan het begin van deze posting heb gezet, staat in “De donkere kamer van Damocles” aan het slot van de tekst in Hermans’ vertaling van Wittgensteins tekst: “Ich kann ihn suchen, wenn er nicht da ist, aber ihn nicht hängen, wenn er nicht da ist. Man könnte sagen wollen: »Da muß er doch auch dabei sein, wenn ich ihn suche«. – Dann muß er auch dabei sein, wenn ich ihn nicht finde, und auch, wenn es ihn gar nicht gibt.“ Ook dat is niet toevallig, want na de “Damokles” schreef Hermans “Nooit meer slapen”. De hoofdpersoon van dat verhaal, Alfred Issendorf (let op dat ‘is’ in meervoud!), zoekt vergeefs naar een meteoriet.

Terzijde: Hermans vertelt in het Sadistische universum over ‘Het oor van Dionysius’ (“Even buiten de stad is een steengroeve te zien, een doodlopende grot die de vorm heeft van een s, ongeveer dezelfde vorm dus als het binnenste van een oor. Deze grot wordt nog altijd het Oor van Dionysius genoemd.”), mij valt die s-vorm en het doodlopen van de grot op.

“Bordewijk, die wis en zeker een Nederlands schrijver was, waarmee ik bedoel dat hij in veel opzichten oveenkomst met andere in dit land werkzame auteurs heeft, verschilt van hen soms door de verbijsterend oorspronkelijke manier waarop hij aan ook door hen gebruikte conventies een totaal nieuwe inhoud weet te geven.”
W.F. Hermans (1984:11): ‘Bordewijk’s miskende verhalen’

de queeste
Het gebruik van het werkwoord “zoeken” veronderstelt bijna dwingend dat iemand of iets naar wie of waarnaar gezocht wordt, gevonden kan worden omdat hij er is. Immers zoeken naar iemand of iets die niet bestaat, is een zinloze bezigheid. Juist die zinloosheid is bij Hermans des Pudels Kern.
Zowel Osewoudt als Issendorf (de held uit “Nooit meer slapen”) zijn volop verwikkeld in een queeste naar hun respectieve identiteit. Osewoudt zoekt quasi naar Dorbeck en Issendorf zoekt vergeefs naar een meteoriet. Beiden worden door hun moeder gefnuikt in hun “normale” ontwikkeling omdat Osewoudts moeder zijn vader vermoordt en mevrouw Issendorf haar echtgenoot de dood injaagt met haar hang naar maatschappelijke status. Osewoudt en Issendorf kunnen hierdoor hun Oedipale fase niet doorlopen.

E.A. Poe, Auguste Dupin en Charles Peirce

“The world of fact contains only what is, and not everything that is possible of any description. Hence the world of fact cannot contain a genuine triad. But though it cannot contain a genuine triad, it may be governed by genuine triads.”
C.S. Peirce (477, p. 256): Vol. I van de ‘Collected Papers of C.S. Peirce’

Zowel “De donkere kamer van Damokles” als “Nooit meer slapen” hebben sterke trekken van een detective-verhaal. W.F. Hermans was al vroeg geboeid door het werk van Poe (1809 – 1849). De amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce (1839 – 1914) was eveneens verslingerd aan het werk van Poe en zou zich zwaar hebben laten inspireren door de methode die Poes creatie, de detective Dupin, hanteert.
Peirce ontwikkelt – geïnspireerd door Poe?  – naast “deductie” en “inductie” het concept “abductie” en ontwerpt een “logische triade”: “Abduction is the process of forming an explanatory hypothesis. It is the only logical operation which introduces any new idea; for induction does nothing but determine a value, and deduction merely evolves the necessary consequences of a pure hypothesis. Deduction proves that something must be; Induction shows that something actually is operative; Abduction merely suggests that something may be. ”
(zie de Collected Papers, deel V, paragraaf 171, bladzijde 106 / uitgave uit 1934; Cambridge: Harvard UP).
Peirce bouwde zijn filosofie op trichotomieën en triadische relaties. Osewoudt, Dorbeck en Jagtman zullen vast ook op Peirceaanse wijze met elkaar zijn vervlochten. Het wachten is alleen op de onderzoeker die dit tot onderwerp van haar onderzoek waagt te maken.

Ik vermoed dat onderzoekers en analisten nog vele jaren bezig zullen kunnen zijn om het werk van Hermans onder andere met behulp van het filosofische apparaat van Peirce opnieuw onder de loep te leggen. Hermans las bijna alles, dus waarschijnlijk ook werk van Peirce [ Zie:  ” op diezelfde pagina veranderde Hermans de formulering ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder gebruikt door Peirce, Frege, Post, Lukasiewicz’ in ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder of onafhankelijk van W. gebruikt door Frege, Peirce, Post, Lukasiewicz’ (p. 144 en 145 in de editie, het tweede citaat daar met nog weer latere redactionele aanpassingen)], vooral vanwege hun gedeelde liefde voor Poe.

Aristoteles, Freud, David Cornwell en W.F. Hermans
Damokles gaat over gelijkenissen en Smulders (115-118) haalt aan de hand van conventies overeenkomsten en verschillen aan tussen Hermans’ Damokles (november 1958) en Le Carré’s verfilmde boek (januari 1964) The spy who came in from the cold. Hermans beweert, schrijft Smulders, dat Le Carré (= Cornwell) zijn Spy op Damokles had gebaseerd. Misschien, maar dan waarschijnlijk toch via de ‘Poëtica’ van Aristoteles en het werk van Freud.

“There is one moral quality without which a reasoner cannot escape fallacies, and that is a sturdy honesty of pupose. For the lack of that, we every day see creatures in the guise of men losing fortune health, and happiness too, deluded by their own sophisms.”
C.S. Peirce (1892): ‘Keppler’ (in ‘Writings’, vol. 8: 286-291)

Aristoteles raadt schrijvers aan om vooral bij de vooroordelen, stereotypen en conventies van hun publiek aan te sluiten. Dus voorzien zowel Hermans als Cornwell hun protagonisten van een getormenteerde jeugd met traumatiserende ervaringen, omdat die volgens Freud bijna honderd procent garant staan voor een abnormale ontwikkeling van de persoonlijkheid en wij intussen Freuds theorieën als belangrijke standaard hanteren bij de duiding en interpretatie van onze werkelijkheid. Ongeacht de ‘wetenschappelijk bewijzen’ die volgens de laatste stand van zaken in de psychiatrie zouden gelden. Bovendien kan de moderne psychiatrie natuurlijk niet dezelfde ‘mens’ tot onderzoeksobject hebben als die welke Freud op zijn divan had.
“De werkelijkheidsbeschrijving is aan mode onderhevig. De ontdekking van Freud dat er een onderbewustzijn bestaat dat zich aan de redelijke wil onttrekt, is niet meer weg te denken bij de beoordeling van het menselijk gedrag.”
Lees en bekijk trouwens Le Carré’s A perfect spy (1986) eens. Hermans zou misschien beweren dat Le Carré A perfect spy ook op Damokles baseerde. Aristoteles (384-322) “schreef” zijn Poëtica echter lang voordat Freud (1856-1939)  zijn Verzamelde Werken produceerde en Freud was er weer eerder mee dan Hermans en Corwell met hun romans.
De grootste gelijkenis tussen Magnus Pym (Perfect Spy) en Henri Osewoudt (Damokles) is dat hun moeders al vroeg in de ontwikkeling van hun zoons in een gekkenhuis belanden. Tevens draait zowel het werk van Cornwell als van Hermans om identiteiten, misverstanden, misleiding, verraad, bedrog en identiteitverwisselingen.
Hermans neemt Aristoteles’s raad om je als schrijver te voegen naar naar de stereotypen die je publiek erop nahoudt serieus. Daarom dat Mirjam Zettenbaum medicijnen studeert en psychiater Lichtenau ook joods is. Joodse mensen waren immers allemaal: of arts, of advocaat, of zakenman-handelaar, of muzikant. Ze zaten in de vrije beroepen. Natuurlijk, want dat was de enige niche waarin ze de ruimte kregen. Stel je – in die tijd – eens een Moshe Cohen voor als hoge officier bij de geallieerde contraspionage: ondenkbaar.
Dit aspect van opgelegde, opgedrongen, identiteit speelt eveneens door Damokles. Osewoudt krijgt zijn identiteit door zijn jeugd opgelegd en Mirjam en dokter Lichtenau krijgen hun joodse identiteit opgelegd door de duitsers. Of je je nu nederlander voelde of fransman, of oostenrijker, als de machthebbers je als joods klassificeerden, had je niets in te brengen en was het einde verhaal.

“Het belangrijkste avontuur dat een Nederlander schijnt te kunnen gebeuren is zijn bezoek aan de middelbare school.”
W.F. Hermans, in: ‘Scheppen riep hij gaat van Au’

Wie vaak, intensief en langdurig leest, zal misschien ontdekken dat zowel Le Carré als Hermans tenminste bepaalde saillante elementen en methoden aan de verhalen van E.A. Poe ontlenen. Zo noemt Cornwell zijn protagonist(-en) in de Spy niet toevallig Pym (vader en zoon) en ontleent Hermans aan Poe’s personage Dirk Peters karakteristieke trekken voor Osewoudt. Ik heb het hier natuurlijk over Poe’s “Narrative of A.G. Pym”, de Avonturen van Gordon Pym, die ook in het Nederlands is vertaald

vervreemding
Wat ik tot dusverre ook nog niet ben tegengekomen – maar ik heb natuurlijk lang niet alles over en van Hermans gelezen! – is de benadering van de russische formalisten zoals Viktor Sklovskij en Yuri Tynjanov (denk natuurlijk ook aan Bert Brecht) bij het bespreken van de vervreemdende effecten (ostranenje), aspecten en dimensies in Hermans belangrijkste romans.
Op bladzijde 90 van “Damokles” lees ik Hermans beschrijving van een erotische scene tussenOsewoudt en Marianne. Het doet me denken aan passages in het werk van Vladimir Nabokov en William Golding:

“- Ik verlang naar je, zei hij, greep haar hand en drukte die tegen zijn kruis, zonder precies te weten wat hij deed.
Marianne bleef glimlachen, maar het was nu eerder een treurige glimlach. Toch zei ze:
– Wie weet, misschien kan je verlangen bevredigd worden.
Voor zijn geestesoog rees hij op als een geweldige figuur, demon en heros,of minstens een sprookjesprins.”

Hermans beschrijft hier met humor vervreemdend de geweldige erectie die Osewoudt krijgt, een verrijzenis des vlezes zonder weerga.

De beschuldigingen van vaak pornografisch te werk te gaan, zullen hem siberisch hebben gelaten; hij neemt op de hem eigen wijze ook hier een loopje met de lezer.

“Wittgensteins doel was in feite helemaal niet wiskundig. Het onderwerp van zijn gedachten was, ook in de Tractatus-periode, de betrekking denken-wereld en niet de (al dan niet geidealiseerde) logische structuur van de taal of welk ander symbolenstelsel dan ook, op zichzelf.”
W.F. Hermans, in zijn aantekeningen bij zijn vertaling van de Tractatus, op bladzijde 163

“Een jaar geleden echter had hij in een bocht van diezelfde rivier de mokele mbembe vrijwel ten voeten uit in de modder zien staan. Een roodbruin beest, zo’n tien meter lang. Het lichaam deed denken aan een olifant, de poten aan een krokodil, de kop en nek aan een slang.”
Margriet de Moor (1992:31): Op de rug gezien

“Het was drie voet lang en maar zes duim hoog, met vier heel korte poten, voorzien van lange, vuurrode nagels, die iets koraalachtigs hadden. Het lichaam was bedekt met gekruld, zijdeachtig haar en volkomen wit. De staart was spits, zoals die van een rat en ongeveer anderhalve voet lang. De kop leek op die van een kat, behalve de oren, die naar beneden hingen als hondeoren. De tanden waren even vuurrood als de nagels.”
Edgar Allan Poe (1978:164-165): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym

‘’ Zie nu Behémoth, welken ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi gelijk een rund. … zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in de navel zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. Zijne beenderen zijn als vast koper; zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen.
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken.
Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijne tong met een koord dat gij laat nederzinken?
Job: 40; 10 vv

 

LITERATUUR & BEELD:

W.F. Hermans (2012/1958): De donkere kamer van Damokles / Amsterdam / ISBN: 978 90 5965 179 1 / NUR 301 (gratis paperback) Volledige Werken deel 3 / zie met name ook het Commentaar op bladzijde 717 – 756  http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/ In deel 3 zijn “De donkere kamer” en “Nooit meer slapen” in een band uitgebracht, met heel functioneel Wittgensteins lemma uit de Phil. Untersuchungen in het midden

W.F.Hermans (1974/1964): Het sadistische universum / Amsterdam: De Bezige Bij / isbn: 90 234 0120 4 (pbk)

Betlem (1966): De geboorte van een dubbelganger / artikel in het tijdschrift Merlyn. Jaargang 4 / Amsterdam: Polak & Van Gennep / op internet beschikbaar

Betlem (1967); Van Jean Paul tot Van der Waals. Nogmaals ‘De geboorte van een dubbelganger’ / artikel in het tijdschrift Raster. April 1967: 71-94 / niet op internet gevonden. In dit artikel geeft Betlem ondermeer een beknopt overzicht van de gelijkenissen tussen personages en gebeurtenissen in “De donkere kamer” en betrokkenen bij “De kwestie Van der Waals”.
Zie voor een eerste wijzer  http://www.dbnl.org/tekst/jans037over01_01/jans037over01_01_0010.php
Google in het kader van dubbelganger en W.F. Hermans voor de aardigheid eens op Ludwig Tieck (‘Ryno’ / ‘Nachgelassene Schriften, Auswahl und Nachlese’) en Jean Paul Richter: ‘Blume-, Frucht und Dornenstücke ….. Armenadvokaten F(irmian) St(anilaus) Siebenkäs’ & ‘Titan’.

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans / tweetalige uitgave: Duits – Nederlands / Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep / ISBN: 90 253 1534 8 (paperback)

De Philosophische Untersuchungen zijn in het Duits en Engels op internet te vinden

A Wittgenstein Dictionary door Hans-Johann Glock (1996): Oxford, UK – Cambridge, Mass.: Blackwell / isbn: 0-631-18112-1 (hbk)

W.H.M. Smulders (1983): De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles /  Utrecht: Hes / ISBN:  90 6194 074 5 / / Boeiend, doorwrocht, vernuftig en onderhoudend geschreven. Zeer aanbevolen.

Wilbert Smulders schreef ook een artikel waarin hij Hermans’ Damokles in verband brengt met werk van René Magritte (La reproduction interdite) en Maurits Escher. Het verscheen in Vooys en de Gids (googelen op http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=herm014)

Smulders legt in zijn artikel geen verband tussen de titel van Magrittes schilderij (Verboden te vermenigvudigen) en het doodgeboren kindje van Henri Osewoudt en Marianne/Mirjam  Sondaar/Zettenbaum. Ik leg een verband tussen Magritte, de zoon van een buitenechtelijke dochter van een engelse edelman (Edward James) die Magritte zou hebben afgebeeld en het “verbod” dat Osewoudt en Marianne Zettenbaum opgelegd krijgen zich te vermenigvuldigen (door de nazi’s hoogstwaarschijnlijk; Osewoudt is immers een crimineel, een misbaksel, en Marianne een jodin, dus volgens de Neurenbergse rassenwetten, waaraan orthodoxe rabbi’s lijken te hebben meegeschreven, is “baby Sondaar” joods, dubbel fout en zeer ongewenst). Ook Edward James was het resultaat van een overtreding van het gebod: verboden je te vermenigvuldigen. En natuurlijk Osewoudts nicht Ria, omdat zij immers al twee jaar was toen haar ouders wettelijk trouwden.

 Het grote W.F. Hermans boek (2010) onder redactie van Dirk Baartse en Bob Polak / Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 97890 388 93129  (dit leuke en verrassende boek heeft een tijd in de ramsj gelegen)

Saskia de Vries (1984): “De onkenbaarheid van ‘De donkere kamer’: het scenario van Willem Frederik Hermans” / opstel over de verfilming van Damokles door Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water – première 21 februari 1963 / artikel in Literatuur, 84/6, jaargang 1: 304-309 . De film is ook op dvd uitgebracht.

H.U. Jesserun d’Oliveira (1977): Scheppen riep hij gaat van Au (interviews) / Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep / isbn: 90 253 8020 4 (pbk) Het “interview” met Hermans staat aan het begin: 13-26

F. Bordewijk (1984/1950): De fruitkar – inleiding door W.F. Hermans / ’s-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 90 236 5608 3 (brochure van 30/31 pagina’s)

Margriet de Moor (1992/1988:31): Op de rug gezien / het debuut van De Moor, waarin naast Hij bestaat ondermeer de verhalen: Op de rug gezien en Robinson Crusoë / Amsterdam: Contact / isbn: 90-254-6916-7 (pbk)

Edgar Allan Poe (1978): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym (vertaald door A. Alberts) / Bussum: Unieboek – De Boer Maritiem / isbn: 90 228 1624 9 (hbk)

recent: On Edgar Allan Poe door Marilynne Robinson in de NYRoB, 2015 februari 05  /  “Marilynne Robinson’s article in this issue draws from her introduction to the new edition of The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket by Edgar Allan Poe, to be published by 
the Folio Society in February 2015. (February 2015)”

Poe, Edgar Allan

The Annotated Tales of Edgar Allan Poe / Stephen Peithman, editor / 1981, New York: Doubleday / isbn: 0 385 14990 5 (hbk)

Collected Works of Edgar Allan Poe in 3 volumes, 1978 / editor: Thomas Ollive Mabbott / Vol. 2 Tales and Sketches (1831-1842) / Cambridge, Mass. – London: Belknap Harvard UP / isbn: 0-674-13936-4 (hbk); Vol. 3 Tales and Sketches (1843-1849) / isbn: 0-674-13936-4 (hbk)

The Cambridge Companion to Edgar Allan Poe, 2002 / editor: Kevin J. Hayes / Cambridge, UK – New York etc.: Cambridge UP / isbn: 0 521 79326 2 (hbk) / hierin i.h.b.: Peter Thoms: Poe’s Dupin and the power of detection ( 133-147); Geoffrey Sanborn: A confused beginning: The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (163-177)

E.A. Poe: The Murders In The Rue Morgue; Is op internet te lezen  http://www.eapoe.org/works/tales/morgued.htm

Edgar Allan Poe’s Influence on Sir Arthur Conan Doyle (schrijver van de Sherlock Holmes-verhalen)

Abduction and Geometrical Analysis. Notes on Charles S. Peirce and Edgar Allan Poe (benaderd op 17.01.2015)

Peirce, Charles Sanders

Sami Paavola: The evolution of Peirce’s conception of abduction / to appear in Semiotica http://www.helsinki.fi/science/commens/papers/instinctorinference.pdf (benaderd op internet op 18.01.2015)

C.S. Peirce (1978/1940): The principles of phenomenology in: The Philosophy of Peirce – Selected Writings – editor Justus Buchler / London: Kegan Paul / isbn: 0-404-14694-5 (hbk)

C.S. Peirce (1931) : Vol. I van de Collected Papers of C.S. Peirce (6 vols.) / eds. Charles Hartstone & Paul Weiss / Cambridge, Mass.: Harvard UP

C.S. Peirce (1868): Some Consequences of Four Incapacities, pp. 211-242 in deel 2 (1867-1871) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1984 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37202-X (hbk)

C.S. Peirce (1883) A theory of Probable Inference – § v, pp. 420-423 in deel 4 (1879-1884) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1986 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37204-6 (hbk)

C.S. Peirce (1885): One, Two, Three: Fundamental Categories of Thought and of Nature; pp 242-247 in deel 5 (1884-1886) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1993 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37205-4 (hbk);

– (1886) One, Two, Three: An Evolutionist Speculation; pp 298 – 308 in deel 5 van Writings of Charles S. Peirce

John le Carré

A Perfect Spy – From Wikipedia, the free encyclopedia – http://en.wikipedia.org/wiki/A_Perfect_Spy

Dvd – A Perfect Spy – http://dvd.netflix.com/Movie/John-Le-Carre-s-A-Perfect-Spy/70045091

John le Carré: Behind the Smiley face, a man of mystery / Robert McCrum in The Observer, Sunday 9 March 2014 / http://www.theguardian.com/theobserver/2014/mar/09/john-le-carre-smiley-face-man-of-mystery-profile

John le Carré Has Not Mellowed With Age / Dwight Garner in The New York Times / Published: April 18, 2013

Graham Greene

De derde man (The Third Man) is een Engelse film uit 1949. Je kunt de novelle van Graham Greene en de film parallel of simultaan lezen en bekijken met Hermans “Donkere kamer”.
Van de Engelse film bestaat een dvd met Orson Welles in de rol van de derde man De protagonist Harry Lime (van het bekende Harry Lime theme) zou met een beetje goede wil voor Dorbeck kunnen figureren.

http://nl.wikipedia.org/wiki/The_Third_Man

Dvd – The Third Man – http://dvd.netflix.com/Movie/The-Third-Man/1039377?trkid=222336

Mikhail Bakhtin (vertaling 1985): Literatur und Karneval. Zur Romantheorie und Lachkultur – hoofdstukken: Der Held im polyphonen Roman en Linguistik und Metalinguistik; bladzijde 86-106 / Frankfurt/M. enz. : Ullstein / isbn: 3 548 35218 9 (pbk)

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism. Theory in Practice / London – New York: Routledge / isbn: 0-415-04582-7 (pbk)

 aristotle_tkst

“Speaking generally, one has to justify the impossible by reference to the requirements of poetry, or to the better, or to opinion. For the purpose of poetry a convincing impossibility is preferable to an unconvincing possibility.   ….
The improbable one has to justify either by showing it to be in accordance with opinion, or by urging that at times it is not improbable; for there is a probability of things happening also against probability.”

Aristoteles, in de ‘Poetica’ (1461-b: 10-15) | gebruikte tekst uit The Complete Works of Aristotle, The Revised Oxford Translation, volume 2 / Bolingen series; 71-2 / edited by Jonathan Barnes; Princeton NJ: Princeton UP, 1984:pagina 2339  /  isbn: 0-691-09950-2 (hbk)

 

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,