RSS

Tag Archives: Ludwig Wittgenstein

De speld en de hooiberg: ‘Fehlleistung’, falsificatie en fjelljo. Over ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans

Jerry Mager – maart 2016

citaten LWitt_WFH

Waarom begint Alfred Issendorf, de 25-jarige hoofdpersoon uit de roman ‘Nooit meer slapen ’ van W.F. Hermans, in hemelsnaam aan een onderneming die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, bij voorbaat tot mislukken gedoemd lijkt? Omdat hij protagonist is in een Hermans-verhaal. Dan staat mislukking van te voren vast en zit het leesplezier hem in het ontdekken hoe Hermans de fiasco’s in elkaar steekt, hoe hij de mislukking gestalte geeft en het falen dwingend en aannemelijk construeert.

Nooit meer slapen is echter vooral de beschrijving van een ideaaltypische freudiaanse Fehlleistung (lapsus, parapraxis). Dat wil zeggen: ‘Een handeling waarbij het beoogde doel niet wordt bereikt, doordat het onbewuste storend tussenbeide komt.’ Ik citeer uit het registerdeel elf van de Boom-uitgave uit 2006. Het komt neer op onbewust zelfsaboterend gedrag.
Wie de roman meerdere keren grondig gelezen heeft – en W.F. Hermans vereist vooral close reading – moet concluderen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hoofdpersoon Alfred Issendorf in een niet-fictieve werkelijkheid zou beginnen aan zijn wetenschappelijke avontuur in Finnmark, Noord-Noorwegen, binnen de randvoorwaarden die de schrijver stelt.
De grootste makke in de roman is het feit dat Alfred zijn onderneming doorzet zonder ooit de relevante luchtfoto’s van Finnmark onder ogen te krijgen. Dat wordt op den duur onwaarschijnlijk. Hoe problematisch Alfred psychologisch ook in elkaar zit. Hermans doet het echter uiterst gewiekst. Daarom lezen we geboeid verder. Hermans maakt Alfred’s Fehhleistung blijkbaar erg aannemelijk, want herkenbaar voor de meeste lezers.

Zelfs onder het bizarre pathogene regime van outputfinanciering dat tegenwoordig in Nederland vigeert en ons onderwijs gestaag erodeert en onherroepelijk uitholt, is een expeditie als door Arne wordt ondernomen, ongeloofwaardig. Sibbelee kan dan nog zo’n scoringsbeluste labbekakpromotor zijn, die met zo min mogelijk werken zo veel mogelijk proefschriften van de lopende band wil laten rollen, dit onbekookte avontuur gaat zelfs voor ons huidige naargeestige academische business model nog te ver. Hermans moest zich met Onder professoren revancheren.

Nooit meer slapen verscheen in 1966 en bestaat uit 47 genummerde hoofdstukken die niet al te lang zijn. In totaal beslaat het verhaal  zo’n 260 bladzijden. Omdat de paginering per druk verschilt, verwijs ik naar hoofdstukken middels getallen tussen haken. Verwijzingen naar de bundel Scheppend nihilisme komen als SN tussen haken vergezeld van paginanummer.

De pas afgestudeerde promovendus Alfred gaat proberen om de hypothese van zijn promotor Sibbelee te staven. Sibbelee wil bewezen zien dat sommige van de kratervormige impressies waarmee de bodem van Finnmark in Noord-Noorwegen is bezaaid, zijn veroorzaakt door meteorieten. Hoe Sibbelee aan dit idee komt, wordt niet uit de doeken gedaan. Barringer krater VS
De gangbare verklaring voor de ronde gaten in de bodem van Finnmark is vijftig jaar geleden door de Noorse nestor in de geologie, Ørnulf Nummedal, te boek gesteld: het zijn doodijsgaten, met misschien wat pingo-ruïnes er tussendoor.

Alfred onderneemt de tocht in gezelschap van drie Noorse onderzoekers: Arne Jordal, Qvigstad en Mikkelsen. Jordal en Alfred kennen elkaar al van vroeger contacten.
Waarom begint Alfred Issendorf aan een heilloze onderneming in Finnmark? Omdat zijn moeder Aglaia wil dat hij een briljante wetenschappelijke carrière zal maken en daarmee wijlen zijn vader zal evenaren en liefst overtreffen. Een ambitieuze, eerzuchtige, manipulatieve, moeder, die haar zoon een richting op duwt die hij zelf niet wil, omdat die zoon haar hang naar status moet bevredigen. Dit is de wortel en kern van alle complicaties waarmee Hermans het verhaal heeft volgestopt.

‘Mijn moeder heeft mij opgevoed in het denkbeeld dat ik de carrière die hij niet heeft kunnen afmaken, moet voltooien.’ (16)

Alfred (7) koestert die ambitie niet en zou liefst een gewoon leven leiden: ‘Ik wilde fluitist worden, beroepsfluitist in een groot orkest.’

Dat Alfred zijn moeder haat (27: ‘Op een bepaalde manier haat ik mijn moeder en alles wat zij doet. Het is of zij mij een onuitwisbaar slecht voorbeeld geeft’ ) is niet vreemd. Hoe verknipt moet Alfred echter worden neergezet om aannemelijk te maken dat hij datgene doet wat Hermans hem 47 hoofdstukken lang laat doen? Maakt de schrijver op overtuigende wijze van zijn hoofdpersoon iemand die bijna moedwillig een kapitale Fehlleistung wrocht?

Alfred was liever fluitist geworden, gewoon en deel van een orkest en geen solo-sterspeler, niet per se een groot fluitist. De dood van zijn vader is spelbreker. Aglaia Issendorf fixeert haar ambitie op haar zoon (7): ‘Allereerst had mijn vader niet moeten verongelukken toen ik zeven jaar oud was. Maar als dat niet gebeurd was, zou ik misschien wel helemaal dit vak niet zijn gaan studeren, was ik mogelijk helemaal niet gaan studeren en fluitist geworden. Een groot fluitist? Dat is de vraag. Spijt? Nee. Spijt heb ik al lang niet meer. Als fluitist zou ik mijn vader nooit hebben kunnen wreken, zou ik nooit goed hebben kunnen doen wat hij verkeerd gedaan heeft.’

Blijkbaar heeft Alfred senior iets verkeerd gedaan. Het verhaal gelezen hebbende, kan echter niet anders dan worden vastgesteld dat het enige wat de man volgens Aglaia op zijn kerfstok had, was, dat hij doodviel voordat hij zijn veelbelovendheid ten volle had laten schijnen. Daarmee boorde hij Aglaia de status waarnaar zij haakt, door de neus. Dat manco moet zijn zoon compenseren. Hij moet de briljante wetenschapper worden die zijn vader heeft nagelaten te realiseren.
Aglaia haalt haar gram via de zoon. De vader heeft haar tekort gedaan en de zoon moet dat goedmaken. Een geval van triangulatie: moeder en zoon nemen positie in tegen de (dode) vader, waarbij de moeder de zoon min of meer gijzelt en voortdurend chanteert. Dat belooft  een complex relaas met veel duister drama.

In hoofdstuk 34 verzucht Alfred : ‘Werkelijk, goed beschouwd ben ik niet rijk gezegend met eigenschappen die mij te pas kunnen komen in de geologie. Vergeetachtig. In staat zelfs de weg kwijt te raken die ik goed ken. Onsportief, slecht geoefend. Onleesbaar schrijvend, houterig tekenend. Wat een ellende! Ik doe deze dingen alleen maar omdat ik zo graag wil en niet omdat ze mij vanzelf afgaan. Ik heb alleen mijn uithoudingsvermogen. Ook bezit ik de gave gauw te begrijpen wat er in een boek staat, waardoor ik al mijn examens vlug en heel goed heb afgelegd.’

Alfred is allerminst dom, maar hij zal nooit een briljant geleerde worden. Aan gezond zelfinzicht ontbreekt het hem onder normale omstandigheden niet. Hij zou tevreden zijn met een rustig leven als degelijk middenmoter in het beroep van keuze: fluitist.

De weduwe Aglaia, de trickster in het verhaal, praat haar zevenjarige zoon echter aan (7) dat hij veel ambitieuzer dient te zijn en zij prent hem in dat hij een unicum is, een uitzonderlijk mens: ‘[E]en fluitist mag meestal enkel maar meespelen met een groot orkest. En weet je wel dat je als fluitist in het gunstigste geval toch nooit iets anders doet dan naspelen wat een ander bedacht heeft? Dat argument gaf de doorslag. Ik begon stenen te verzamelen, want bioloog worden, als mijn vader, wilde ik niet. Liever dan fluitist zou ik een geleerde worden.’ Alfred wordt waartoe hij op rampzalige wijze lijkt voorbestemd: neuroot en narcist (7): ‘Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus.’

Uit alles blijkt dat Alfred op het verkeerde pad is. Toch gaat hij als een lemming door op de ingeslagen weg. In hoofdstuk 31 steekt Hermans bijna de draak met zijn personage. Alfred beseft in feite al dat het met zijn expeditie op niets zal uitlopen. Hij heeft in hoofdstuk 30 ontdekt dat Mikkelsen luchtfoto’s bij zich heeft en is ervan overtuigd dat Nummedal zijn student Mikkelsen de luchtfoto’s heeft gegeven die eigenlijk voor Alfred bestemd waren. Misschien zou Mikkelsen zelfs Alfred’s onderzoek willen stelen.
Uit de tekst valt nergens op te maken dat Alfred’s verdenkingen ook maar in het geringste juist kunnen zijn, hoewel Hermans er veel werk van maakt de lezer te verleiden dezelfde conclusies te laten trekken als de geflipte Alfred.
Alfred heeft zonder resultaat de luchtfoto’s van Mikkelsen bestudeerd en spreekt zichzelf toe: ‘Dit is, zeg ik hardop en plechtig, een heel belangrijk ogenblik in het leven van een onervaren jongeman. Ik bevind mij in een situatie waarin mij niets anders overblijft dan dat te doen, waarvan ik vrees dat het verkeerd is. De verkeerde richting ingeslagen, maar het is te laat om terug te keren. Op het verkeerde paard gewed, maar de wedstrijd is al half voorbij. Als ik immers de conclusies trek uit alles wat ik nu geconstateerd en bedacht heb, kom ik tot de slotsom dat ik zo gauw mogelijk naar Nederland terug dien te gaan, dat ik tegen Sibbelee moet zeggen: Het spijt me, professor. Dit onderzoek zal u noch mij opleveren wat we ervan verwachten. Ik groet u.’

We krijgen niet te lezen welk gebied de luchtfoto’s die Mikkelsen bij zich heeft, bestrijken. Logisch gedacht zal het een areaal zijn dat niet onmogelijk ver ligt van de plek waar de vier zich bevinden. Het moet immers zijn te belopen. Arne helpt Alfred bij het bestuderen van Mikkelsens luchtfoto’s (31) en laat daarbij zien dat hij feilloos weg weet met de luchtfoto’s en de geografische landkaart. Indien er hiaten in Mikkelsens foto’s zouden zijn (Alfred vraagt zich wantrouwig af of Mikkelsen hem wel alle foto’s laat zien die hij bij zich heeft) zouden die Arne zijn opgevallen. Op de luchtfoto’s zijn geen aanwijzingen te vinden die op meteoorkraters zouden kunnen wijzen.

In plaats van na deze domper terug te keren naar Nederland onder het motto: beter ten halve gekeerd, blijft onze held hardnekkig met de Noren meehobbelen. Dit lijkt op poriomanie te wijzen. Hermans hing de overtuiging aan dat iedere periode, elke eeuw, zijn eigen dominante persoonlijkheidsstoornis had: ‘ de era van de ontdekkingsreizen stond in het teken van de poriomanen [dwangmatige zwerfzucht, van het Griekse ‘poreia’, reis; een dwangmatig weglopen; jm],  en in onze tijd is de toekomst aan de schizofrenen.‘ (Wittgensteins levensvorm)

Volgens dat adagium zou hij Alfred dan vooral tot schizofreen hebben geboetseerd. Is Alfreds expeditie naar Finnmark echter niet ook deels als poriomanie te beschouwen? Hij blijft tegen beter weten in door de toendra struinen. Hij loopt immers weg van zijn manipulerende moeder, die hij zelfs zegt te haten. Zijn bruuske weglopen van Arne in hoofdstuk 34 valt hiermee ook te plaatsen.
Ik citeer de passage uit 34: ‘Ik pak mijn kompas en bepaal vast in welke richting het zuidwesten ligt. Arne kijkt op zijn eigen kaart en staat op.
– Daarheen! Hij wijst in een richting loodrecht op de richting die ik zojuist bepaald heb.
– Ach kom nou! Daar! Arne zet een gezicht alsof hij zijn lachen niet bedwingen kan en trekt aan het rafelige touwtje zijn padvinderskompasje van plastic uit zijn borstzakje. Ik buk, laad mijn rugzak op en begin te lopen, het kompas nog steeds opengeslagen op mijn linkerhand.
Ik kan mij niet vergissen! Arne zal mij wel achternakomen als het tot hem doordringt dat hij het bij het verkeerde eind heeft.’

In boven geciteerde passage laat Alfred zich niet door Arne (een surrogaatouder, die hem bovendien uitlacht) gezeggen. Hij gooit zijn kont tegen de krib en gaat letterlijk in de contramine: hij loopt precies de andere kant uit dan die welke Arne aanwijst. Op een ‘symbolisch niveau’ kun je in dit weglopen interpreteren als een poging alsnog de mislukte separatie-individuatie (Margaret Mahler; bij Freud ‘vervreemding’) uit de jeugd te forceren – Alfred wil zelfstandig zijn. Zijn separatie van Arne is echter disfunctioneel en zelfsaboterend.

Het vertelprincipe dat Hermans in de roman hanteert is eenvoudig: telkens wanneer het personage onder spanning, stress, komt te verkeren, treedt afweer in werking en schakelt Alfred over op dwangmatig gedrag om de intrapsychische spanning te neutraliseren. In psychotechnisch jargon: het conflict manifesteert zich in een symptoomhandeling (lapsus) waarbij drift en afweer gelijktijdig opspelen. De psychische prikkel wordt afgevoerd door middel van routinematig en repetitief handelen, inclusief fantaserende (dag-)dromen.
Alfreds astrante weglopen is hier een symptoomhandeling die zijn oorsprong heeft in het onbewuste conflict met de moeder.

Tragikomisch is dat Alfred aan de onderneming begint met de bedoeling meteorietkraters te vinden, maar allengs stenen gaat determineren in de hoop op Issendorfiet te stuiten. ‘[I]k wil geen stenen vinden die al eerder op aarde zijn geweest. Ik zou het liefst een meteoriet vinden, een brok afkomstig uit de kosmos en ik zou willen dat het uit een materiaal bestond, dat op aarde nog nooit was aangetroffen. De steen der wijzen, of minstens een mineraal dat naar mij zou worden genoemd: Issendorfiet.’

Hij vervalt in hetzelfde gedrag als zijn vader, die botanicus was en plantjes determineerde. Alfred en zijn vader vallen samen, al viel vader Issendorf vijftien jaar tevoren in Zwitserland dood en is samen vallen in fysiek opzicht strikt genomen dus niet aan de orde. Bovendien wil Alfred zijn vader overtreffen door hem te imiteren. Zou het te maken kunnen hebben met een niet helemaal gelukte separatie-individuatie-fase? Wittgenstein blijft in het verhaal meest onderhuids, maar is wel overal aanwezig.

In dit kader is het aardig om te lezen hoe Hermans het woordje ‘vaak’ angstvallig lijkt te vermijden als hij vertelt (7) dat Alfred zijn geologische kompas van zijn ‘domme’ zusje Eva krijgt, tijdens zijn eerste studiejaar: ‘ Het is een vrij groot instrument, met een nauwkeurige graadverdeling, rechthoekige grondplaat, vizieren, hellingmeter, waterpas en spiegel. Ik klap het open en bekijk mijn gezicht in het spiegeltje. Eva zei, toen ze het mij gaf, dat zij het daarom juist zo’n gek cadeau vond.
Ze zei: – Ik wist niet dat de geologie een wetenschap was, waarbij je voortdurend in de spiegel moet kijken. Toen was ze twaalf jaar, mijn kleine zusje.
Niet alleen is zij de eerste geweest die deze stelling onder woorden bracht: Wat mij betreft had ze zeker gelijk. Ik heb in de loop der jaren het kompas misschien wel tienmaal zo dikwijls uit zijn etui genomen om mijzelf erin te bekijken, als om er metingen mee te verrichten. ‘

(Dit dwangmatig in de spiegel kijken wordt in hoofdstuk 21 saillant onder de aandacht gebracht.)

Wanneer ik deze centrale verhaalpassage voor mezelf in gedachten breng, zeg ik in plaats van ‘voortdurend’ meestal ‘doorlopend’ of ‘vaak’; voortdurend klinkt naar mijn gevoel te onophoudelijk. Waar Hermans schrijft: ‘tienmaal zo dikwijls’, zeg ik: tien keer vaker.
Onlangs bedacht ik echter dat in doorlopend het werkwoord ‘lopen’ zit en dat ’vaak’ de achternaam is van de zandman: Klaas Vaak. In Zuid-Nederland betekent vaak nog steeds slaap: ik heb vaak. Waarom mijdt Hermans volgens mij hier ‘doorlopend’ en ‘vaak’? Omdat Alfred steeds meer gaat strompelen (Oedipus) in plaats van dat hij loopt en omdat je in een roman met de titel Nooit meer slapen liever niet Klaas Vaak in het onderbewustzijn van de lezer moet planten. Zou dit een freudiaantje zijn? Bij wie?

De lezer krijgt in 47 boeiende hoofdstukken de Werdegang van een verknipt personage voorgeschoteld en opgediend. Hermans zet een freudiaanse Fehlleistung neer, die klinkt als een klok. In een interview in 1966 (SN, 95) geeft hij een verdekte hint  dat bij ‘Nooit mee slapen’ een Fehlleistung aan de orde is, maar hij doet dat in de roman tegelijk met een verleidelijke suggestieve afleidingsmanoeuvre achteraf, die impliciet blijft: Alfred’s kompas zou van slag kunnen zijn geraakt (34) vanwege een aardmagnetisch veld (46) dat op een meteoriet zou kunnen duiden. Daarom loopt Alfred weg van Arne en struint hij de verkeerde kant op. Voor zover ik weet, is tot nogtoe iedere exegeet op dat doodlopende dwaalspoor (auf den Holzweg) verdergegaan, om zoals Ørnulf Nummedal Alfred in het eerste hoofdstuk waarschuwt: te gaan zoeken op plaatsen waar niets te vinden is.
Na de expeditie is Alfred’s kompas, net als Arne Jordal, niet meer voorhanden om onderzocht te worden op malfunctioneren, of, in het geval van Arne, bevraagd te worden. Alfred stoot per ongeluk zijn kompas, waar hij letterlijk naar op moet kijken, gebruik makende van het spiegeltje (‘De steen is zo hoog, dat ik het kompas moet aflezen in het rechtop gezette spiegeltje’), per ongeluk in een rotsspleet. Arne valt in het diepe kloofdal. Het kompas kreeg Alfred van zijn zusje, zijn nutteloos geworden horloge van zijn moeder. Dat zijn heel veel rijmende echo’s tegelijk in een hoofdstuk.

citaat SS symptoom en vondeling

symptomen
Hermans lardeert het verhaal met Alfred’s ‘symptoomhandelingen’. Het meest bekende dwangmatig gedrag valt vermoedelijk in het schema van de persoon die tig keer per dag haar handen moet wassen, of die ‘s morgens op weg naar de bushalte steeds naar huis terug moet om te verifiëren of hij wel echt alle ramen heeft gesloten, of het werkelijk gas uit is en wat al niet nog meer. Alfred kijkt voortdurend in de spiegel (7 – ‘ik zou het spiegeltje niet kunnen missen’, 9,21!,34); hij telt zijn voetstappen (1,7,18,20,36,38 – zijn neurose redt hem! ). In hoofdstuk 7 zien we het dwangmatige controleren:  ‘Voor ik ga ontbijten, controleer ik nog eenmaal de badkamer, de kast, het schrijfbureautje en het tafeltje naast het bed. Nee, niets laten liggen. Zelfs in de laden en kasten die ik helemaal niet heb gebruikt, kijk ik of ik niets vergeten heb. Bij mij mag nooit iets misgaan. Dingen laten slingeren, onvoorbereid in situaties terechtkomen, met je mond vol tanden staan, grotere gruwel ken ik niet.’
Enkele alinea’s hiervoor heeft Alfred voor de zoveelste keer de inhoud van zijn rugzak gecontroleerd. De grap zit hem hier in dat zinnetje: ‘Bij mij mag nooit iets misgaan.’ Intussen gaat alles mis wat maar mis kan gaan. In hoofdstuk 6 verdwaalt hij op de terugweg naar zijn hotel. Hij is gedesoriënteerd, want de zenuwen gieren Alfred door de keel. Hij gaat immers de bush in en heeft nog geen luchtfoto’s. Die hoopt hij tenslotte in Trondheim te bemachtigen.
Gesteld dat hij de luchtfoto’s krijgt. Dan nog is het de vraag wat die luchtfoto’s te zien geven en waar de eventueel voor Alfred interessante plekken zouden liggen. Moeten Arne en de beide andere Noren toevallig dezelfde kant uit? We weten niets over de onderzoek locatie, noch over de voor Alfred’s veldonderzoek begrote tijd.
Ter informatie: Finnmark beslaat 48.618 km² en is daarmee 7123 km² groter dan Nederland. Er wonen in Finnmark ongeveer zoveel mensen als in de stad Gouda. Dat Alfred uiteindelijk na zes weken stopt en naar huis gaat, komt doordat Arne Jordal doodvalt. Alfred banjert op de bonnefooi blindelings de Noorse bush in. Hij heeft zich door ene labbekakprofessor Sibbelee laten opzadelen met het zoeken naar de speld in de hooiberg.

Alfred’s narcisme komt het duidelijkst in beeld in de hoofdstukken 41 en 42, via zijn gedachten en houding en ten aanzien van zijn verongelukte vriend Arne. Zacht gezegd, kan het Alfred weinig schelen wat er met Arne gebeurt. Hij toont alleen belangstelling voor de pagina’s in Arne’s notitieboek waar zijn, Alfred’s, naam op voorkomt en doet bijvoorbeeld geen moeite om het Noors te laten vertalen, zodat hij kan achterhalen waar Arne mee bezig was.
Hella Haasse oppert in ‘Doodijs’ het idee dat Alfred zijn vriend een zet in de rug gegeven zou kunnen hebben, waardoor die doodviel. De vraag is of Alfred’s narcisme dermate ernstig is dat hij vanwege het gevoel door de Noren niet serieus genomen te worden (narcistische krenking), gevoegd bij de groeiende frustratie over zijn onderzoek, tot moord in staat moet worden geacht.

Zelfs met de gedissocieerde toestand die Hermans in hoofdstuk 33 suggereert, tijdens de woeste afdaling in het kloofdal – het onderbewuste – als het Es het grotendeels overneemt van Ego en Superego, wordt de eventuele moord in te tekst nergens expliciet: ‘Wat ik ook doe, wat mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst. Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt: dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waar volgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp.’

Wat Alfred in deze geestes- en gemoedstoestand ook moge uithalen: hij is ontoerekeningsvatbaar, geen meester over zichzelf. In hoofdstuk 34 loopt hij weg van Arne, en zwerft onbepaalde tijd wezenloos rond, zonder kompas en horloge, todat hij Arne in hoofdstuk 38 dood terugvindt. Zijn neurotische gewoonte zijn stappen te tellen, redt hem

Een bijkomende overweging voor een moord kan zijn dat Alfred niet wil dat bekend wordt wat hij in Finnmark doet en dat die poging op een fiasco uitliep. Arne is de enige aan wie Alfred vertelt (16) wat hij komt doen. In het hele verhaal lezen we verder niets over Alfred’s onderzoek en worden summier (29) ingelicht over de bezigheden van de Noren. Arne doet iets met gabbro’s lezen we (42) na zijn dood. We moeten Alfred dus op zijn woord geloven. Doet Arne dat ook, of doet hij maar alsof en denkt: laat ik deze jongen in hemelsnaam heelhuids terugbrengen in de bewoonde wereld?
Arne’s ongeluk betekenent bovendien dat de expeditie met goed fatsoen beëindigd kan worden. Arne’s woorden in hoofdstuk 13 krijgen een omineuze klank: ‘Het komt doordat in iedereen, hoe wijs ook, een krankzinnige zit verstopt. Een wilde krankzinnige en die krankzinnige groeit uit hetzelfde waaruit alle krankzinnigen groeien: uit het kind dat wij geweest zijn toen wij een, twee, drie jaar oud waren…’  Hermans is een virtuoze rijmelaar (SN, 167).

citaat Hermans_Wright_grap

Hoofdstuk 7 is het hoofdstuk waar de expeditie begint. Hij verlaat de beschaving, dus Alfred is gespannen, vandaar al die handelingen die hem een gevoel van zekerheid moeten verschaffen. Een saillant detail is het bijna ‘vergeten’ van de ansichtkaart aan zijn labbekak-promotor Sibbelee, waarop Alfred een onoprecht beleefd verhaaltje schrijft, dat in flagrante tegenstelling is met wat hij de lezer vertelt. Een op het nippertje gecorrigeerde Fehlleistung. De luchtfoto’s krijgt Alfred ook in Trondheim (9) niet. Toch vliegt hij noordwaarts om met de heilloze onderneming aan te vangen. Poriomanie?

Andere symptomen waarmee Hermans zijn protagonist opzadelt, zijn het fantaserende dagdromen wanneer de spanning hem te veel wordt. Alfred dwaalt dan als het ware tussen werkelijkheid en waan, waarbij het onderscheid vaag wordt. Nadat hij bijvoorbeeld in hoofdstuk 35 fysiek flink heeft afgezien en even de ogen sluit, krijgt hij een waanvoorstelling van een orkest met een fluitist en een meisje dat de bekkens hanteert: ‘Ik weet dat het meisje het eigendom is van de fluitist. Zij bekrachtigt dit met een oorverdovende bekkenslag, die mij wakker maakt.’

In hoofdstuk 27 fantaseert hij tegenover Arne dat hij net zo goed een vondeling had kunnen zijn. Het als Klein Duimpje lopen langs met steentjes afgebakende voetpaden (32, 40) alludeert op hetzelfde thema: het kind dat de ouders te veel is en wordt verkocht, aan vreemden meegegeven of te vondeling wordt gelegd. Bij Freud en Stack Sullivan lezen we dat mensen die fantaseren dat hun ouders niet hun echte ouders zijn en dat hun werkelijk ouders heel belangrijke, rijke en machtige mensen zijn, aan paranoïde wanen kunnen lijden. Alfred maakt het met zijn grootheidsfantasieën behoorlijk bont (34): hij zou warempel Jezus Christus, de zoon van god kunnen wezen. Over Arne komen we ook dingen te weten, die tot vraagtekens verleiden. Hij heeft een shabby uitrusting, maar beweert dat zijn vader rijk is (27). ‘ Dus jij kunt goed opschieten met je vader? -Te goed misschien. Mijn vader, weet je, is nogal rijk. Hij heeft altijd veel succes gehad. Ik ben zijn enige zoon. Dat schept ook problemen. Wel te rusten.’ De roman had misschien evengoed ‘Verknipte vaders en zonen’ kunnen heten?

Met mijn opstel pretendeer ik geenszins een ‘officieel professioneel klinisch’ portret te construeren, waarmee Alfred Issendorf waterdicht  wordt gecertificeerd voor de GGZ, maar ik ga impressionistisch, eclectisch te werk, als een strandjutter en bricoleur-doe-het-zelver. Tenslotte is Nooit meer slapen een ‘scriptible’ tekst, die tot mee-construeren noodt en noopt.

Wanneer de lezer het basisschema doorheeft volgens welk Hermans te werk gaat, kan zij met een beetje puzzelen een eigen roman-neuroticus in elkaar knutselen. De lezer moet daartoe opletten welke situaties voor de protagonist emotioneel, spannend of stressvol zijn en vervolgens het op de situatie betrekking hebbende en vertoonde gedrag bijeen lezen, en vice versa.
Alfred Issendorf is niet bepaald een ongecompliceerde, evenwichtige en harmonieuze persoonlijkheid. Hermans zet hem extra onder druk met de middernachtzon, een licht dat niet uitgaat en Alfred uit de slaap houdt, net als de fjelljo die te pas en te onpas onbezoldigd heggen snoeit. Dan zijn er de bloedzuigende steekvliegen en is er de dagelijkse fysieke afmatting die de ongetrainde Alfred niet in de koude kleren gaan zitten. Er is niet zo heel erg veel nodig om de labiele Alfred Issendorf door het lint te jagen.

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

schizofreen
Er wordt nogal in de secundaire literatuur over NMS nogal eens verwezen naar de dubbele structuur van Paul De Wispelaere terwijl Hella Haase opteert voor drie structuren. Mevrouw Haasse: ‘Paul de Wispelaere heeft twee structuren gesignaleerd in de roman Nooit meer slapen: het reisverslag van het personage Alfred, en de waarnemingen en ervaringen van een ‘groter’ bewustzijn, dat De Wispelaere aan de alwetende verteller van de roman toeschrijft. Ik zou voor drie structuren willen opteren: Alfreds reisreportage, vervolgens zijn herinnering, of geheugen, dat de gegevens verschaft waardoor het grondpatroon van zijn leven zichtbaar wordt, en tenslotte een derde vorm van bewustzijn, die slechts tijdelijk van Alfred bezit neemt, en wel in de periode waarin hij, zonder zijn tochtgenoot Arne, moederziel alleen ronddoolt …’

De tweedeling van De Wispelaere deed me denken aan schizofrenie: zou Alfred het verhaal met twee tongen verteld kunnen hebben? Of zouden Issendorf senior en junior een duet spelen? De splitsing van de meteoriet waarvan aan het slot van de roman wordt verteld associeer ik meteen met mogelijke schizofrene geestestoestanden waarin Alfred over de Noorse toendra zwerft. De Lappen kennen tenslotte de sjaman en het sjamanisme.
De driedeling van Hella Haasse riep de associatie op van triangulatie: Aglaia en dochter Eva tegen Alfred, of Alfred senior en Aglaia tegenover Alfred? Ik werk het niet uit, maar geef het als tip voor de liefhebber.

Karl Popper
Hermans neemt in Nooit meer slapen in een moeite door het demarcatie-criterium van Karl Popper op de korrel. Alfred moet immers Sibbelees hypothese verifiëren en dus zo mogelijk de theorie van Nummedal falsifiëren; dat zijn hier twee kanten van dezelfde medaille.
Overigens heeft Alfred het in hoofdstuk 26 over ‘de stoutmoedige hypothese van Sibbelee’ om dat aan het slot (44) af te waarderen als ‘een suggestie’, ‘bepaalde denkbeelden, en ‘veronderstellingen’ die ik moest verifiëren. Alfred geeft toe dat Sibbelee maar wat aanrommelt. Net als Popper – volgens Hermans.
Over Popper schrijft Hermans in een opstel uit 1981 getiteld ‘Over Popper’ als volgt: ‘Popper bracht in 1935 naar voren dat een bewering of een complex van beweringen (bij voorbeeld een wetenschappelijke theorie) des te minder informatie verschaft naarmate de formulering ervan algemener is. Minder algemene, meer specifieke theorieën, verschaffen meer informatie, wat met zich meebrengt dat een dergelijke theorie in meer opzichten op juistheid kan worden gecontroleerd.
Omdat er meer controlemogelijkheden zijn, neemt de kans toe dat een van de controles tot de conclusie voert dat de theorie niet klopt. Daarmee is een dergelijke theorie dan gefalsifieerd.

Voor de in het geheel niet-falsifieerbare theorieën geldt wel dat ze een hoge graad van waarschijnlijkheid hebben – maar hun wezen brengt het met zich mee, dat er dan ook (feitelijk) niets feitelijks in wordt beweerd.

Een vanzelfsprekend uitvloeisel van Popper’s grondstelling bestaat hierin, dat in hoge mate falsifieerbare theorieën in hogere mate wetenschappelijk zijn dan andere. Onfalsifieerbare theorieën hebben een geringe wetenschappelijke waarde, wat zeggen wil dat ze geen betekenis hebben, ze delen niets wetenswaardigs mee.

Een bezwaar tegen Popper’s falsificatietheorema is het feit dat fysische theorieën, tenminste in de moderne tijd, maar zelden totaal gefalsifieerd zijn (zoals Popper lijkt te denken).

Voor de natuurwetenschappen zijn Popper’s ideeën niet van wezenlijk belang. Men kan zich zeer goed en succesvol met natuurwetenschappelijk onderzoek bezighouden, zonder zich ooit in de filosofie van de natuurwetenschappen te hebben verdiept. [M]aar voor de niet-zakelijke wetenschappen, althans voor grote gedeelten daarvan (algemene theorievorming e.d.) zijn Popper’s ideeën dodelijk. ’ [citaat met enige redactie door mij; jm]

Hermans heeft geen al te hoge pet op van Popper’s filosofie: ‘Voor zover Popper’s stellingen oorspronkelijk zijn, zijn ze toch maar varianten op zulke waarheden als koeien dat het nietszeggende niet kan worden weerlegd. Oftewel dat spreken zilver is en zwijgen goud.’

Hermans laat Alfred het verhaal dan ook nogal bête-obligaat besluiten met de constatering dat hij weliswaar met twee cadeau gekregen halve meteorieten in de vorm van manchetknopen zit, maar geen enkel bewijs heeft voor de hypothese die hij moest bewijzen.
Hermans (SN, 98) mag dan over Nooit meer slapen beweren: ’ In mijn boek is geweldig belangrijk of grote wetenschappelijke ontdekkingen helemaal aan het toeval moeten worden toegeschreven of niet’, de vraag is natuurlijk hoeveel toeval geloofwaardig is voor de lezer. Zelfs de meest genereuze willing suspense of disbelief kan niet eindeloos worden opgerekt en dit begin is ongeloofwaardig. Alfred per toeval op een meteoorkrater laten stuiten dan wel Issendorfiet laten vinden, zou op onoverkomelijke romantechnische problemen stuiten. Het sterkste excuus is dat met Nooit meer slapen een Fehlleistung moest worden neergezet, die staat als een huis. Daarin is Hermans wat mij betreft geslaagd, dus neem ik als lezer de wat minder geloofwaardige trekjes van Alfred Issendorf voor lief.

citaten freud_Stack moeder-vader

Alfred is weliswaar behept met een baaierd van herkenbare neurotische tics en toegerust met een scala aan symptomen, die voor een belangrijk deel lijken te wortelen in de moeizame relatie met zijn moeder. Ook heeft hij de oedipale fase vermoedelijk niet normaal doorlopen, omdat hij immers zijn vader op zevenjarige leeftijd verloor. Toch rijst de vraag of Hermans er helemaal in is geslaagd personage Alfred Issendorf op een volledig geloofwaardige wijze neer te zetten als een neuroticus van wie met redelijke waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat hij alles doet waartoe Hermans hem in staat acht. Ook die dingen die in de roman impliciet blijven.
De dramatische uitsmijter bewaart Hermans voor de laatste alinea van het laatste hoofdstuk, als Afred denkt: ‘er is geen enkele instantie in mijn omgeving die iets anders van mij wil, dan wat ik zelf ook altijd heb gewild.’ Alfred heeft het hele verhaal door alleen maar gedaan wat anderen (inclusief zijn onbewuste) van hem verlangden of wat hij dacht dat er van hem verlangd werd, om dat op einde te rationaliseren. Iedereen wil alleen wat hij wil, zodat hij nooit hoeft te doen wat iemand anders van hem wil, want dat wil hijzelf ook.

Hoe verknipt is het personage Alfred Issendorf? Zadelt Hermans zijn anti-held met correcte, herkenbare, symptomen op? Boeiend om dat uit te puzzelen met de digitale Freud op schoot en misschien DSM-x-y-z in de hand, onderwijl, af en toe, hier en daar, in Wittgenstein glurend.

Het laatste woord over Nooit meer slapen is nog niet geschreven of gesproken. Tijdens het her-herlezen, vroeg ik me steeds vaker af wanneer het verhaal geschreven is. Kan het wezen dat ‘Nooit meer slapen’ en ‘De donkere kamer van Damokles’ hetzelfde boek zijn? Hermans zelf houdt staande (SN, 20) dat ‘eigenlijk elke romanschrijver steeds weer dezelfde roman schrijft.’
Toen hij Damokles (1958) schreef, zat Alfred Issendorf vermoedelijk op zijn schouder en tijdens het wrochten van Nooit meer slapen (1966), had Henri Osewoudt zich in het brein van de schrijver genesteld. De Paranoia (1948) van Cleever (spreek uit: cleaver) vinden we terug in onder andere de schizofrenie van Osewoudt en Issendorf. De gespleten meteoriet en manchetknopen zijn er het tastbare bewijs van. Er is, om Hermans te gerieven, zelfs een schisma in het westerse denken (SN 13) ontstaan: voor en na Freud. Damokles en Nooit meer slapen zijn post-freudiaans, daarom is het niet verwonderlijk dat beide romans zijn uitgevallen als de familieroman van een neuroticus (zie voor de Nederlandse vertaling: Freud Verzamelde Werken deel 4).

Volgens biograaf Willem Otterspeer klaagde Hermans in 1981 tegen Hermans-fan Frans Janssen dat hij er genoeg van had om zijn verhalen keer op keer op de conventionele manieren en volgens canonieke receptuur, ritualistisch herkauwd te zien worden. Dat was in de tijd dat de gedrukte media het publicatie-monopolie hadden. Met de steeds snellere inburgering van internet en andere digitale publicatiemiddelen en -methoden, wordt die periode in rap tempo afgesloten en kunnen de ramen en deuren open worden gezet.
Zeker zulke knappe teksten van een schrijver als W.F. Hermans verdienen een frisse bries.

 

 

LECTUUR (* betekent speciaal aanbevolen):

W.F. Hermans (1993, 23ste druk): Nooit meer slapen – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0173 5

W.F. Hermans (1990): Wittgenstein – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 3192 8

W.F. Hermans (1983): Klaas kwam niet – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0834 9

W.F. Hermans (1977): Het sadistische universum – 1 –  Amsterdam: Bezige Bij (hierin o.a. Wittgensteins levensvorm, 1964)  /  isbn 90 234 0120 4

* W.F. Hermans (1979): Scheppend nihilisme (interviews; samengesteld door Frans A. Janssen) – Amsterdam: Loeb & van der Velden / isbn: 90 6213 134 4 / op internet

Sigmund Freud, Werken (2006 / in 11 delen uitgegeven door Boom in Amsterdam, bezorgd door Wilfred Oranje Freuds werken zijn inmiddels vrij van auteursrechten en op internet te vinden, o.a. in het Duits, Engels en Nederlands

* Harry Stack Sullivan (1975/1940): Begrippen voor een toekomstige psychiatrie / Bilthoven: Ambo / isbn: 90 263 2004 3 / vertaling van Conceptions of Modern Psychiatry door Henk van Aller Werken van Stack Sullivan werden uitgegeven door The William Anson White Psychiatric Foundation by Norton & Co, New York

https://nl.wikipedia.org/wiki/Harry_Stack_Sullivan

http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1521/psyc.2012.75.1.3

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus – Amsterdam: Polak & Van Gennep /  isbn: 90 253 1534 8 / vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans

Raster, nummer gewijd aan Hermans: V, 2, zomer 1971, hierin ondermeer het artikel van * Hella Haasse: ‘Doodijs en hemelsteen’ / op internet  http://www.willemfrederikhermans.nl/tekst/haas013dood01_01/haas013dood01_01_0001.htm

Willem Otterspeer (2013): Freud en Hermans (en zijn biograaf)’   http://www.de-gids.nl/artikel/freud-en-hermans-en-zijn-biograaf

Margaret S. Mahler & Manuel Fuhrer (1969): On human symbiosis and the vicissitudes of individuation / London : The Hogarth Press and the Institute of Psycho-Analysis / isbn: 0 701 20 319 6

Margaret S. Mahler , Fred Pine & Anni Bergman (1975): The psychological birth of the human infant: symbiosis and individuation / New York : Basic Books / isbn: 0 465 06 659 3

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism – London & New York: Routledge / isbn: 0-415-04583-7

Gemma Venhuizen over het Finnmark onderzoek van Svein Olav Krøgli in de NRC van 25 september 2010 http://www.nrc.nl/handelsblad/2010/09/25/niet-elke-cirkel-is-een-krater-11947759

Voor de foto’s, even omlaag scrollen: ‘Maskevarri Ráhppát in Finnmark, northern Norway – is it an earthquake-induced landform complex?’ (2014) http://www.solid-earth.net/5/683/2014/se-5-683-2014.pdf

Jef van de Sande (1983): W.F. Hermans. ‘Nooit meer slapen’ / Vaassen-Apeldoorn: Walva-boek / isbn: 90 6675 601 2

Het Grote Willem Frederik Hermans Boek. Onder redactie van: Dirk Baartse en Bob Polak, m.m.v. Rob Delvigne / Uitgever: Nijgh & Van Ditmar / maart 2010

J.J.L. Derksen (1993): Handboek persoonlijkheidsstoornissen / Utrecht: De Tijdstroom / isbn: 90 352 1482 X / NUGI 712

http://www.psychoanalytischwoordenboek.nl/

 

 

Lapland Finnmark_80prct

…………  ……………  ……………  …………………………….  …………………………..  ……………….

 

 

 
Leave a comment

Posted by on maart 18, 2016 in literatuur, W.F.Hermans

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De derde man in Hermans’ ‘Donkere kamer van Damokles’

door Jerry Mager
op de blogsite Work In Progress in de periode januari 2015 – 02 februari 2015

‘’Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: ‘‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’’ – Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’
Ludwig Wittgenstein:
Philosophische Untersuchungen.

“If I see two men at once, I cannot by any such direct experience identify both of them with a man I saw before. I can only identify them if I regard them, not as the very same, but as two different manifestations of of the same man.”
C.S. Peirce (1978/1940:93): The principles of phenomenology

“Er zijn twee soorten schrijvers. De eerste soort wil zich, zichzelf, rechtvaardigen als mens. De tweede soort wil zich rechtvaardigen als schrijver. De diepere werkelijkheid van de tweede soort schrijver is een onmiddellijk als mythologisch geconcipieerde werkelijkheid. Hij is geen realist en gelooft niet aan ‘de’ werkelijkheid. Zijn romanpersonages zijn geen zelfportretten of portretten van personen die de schrijver heeft ontmoet. Maar het zijn de incarnaties van de wilde jungledieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen.”
W.F. Hermans in
Het sadistische universum

Bij de debatten en discussies over ‘De donkere kamer van Damocles’ van W.F. Hermans ging en gaat het nog altijd hoofdzakelijk over de vraag of Osewoudts ‘dubbelganger’ Dorbeck al dan niet bestaat of bestaan kan hebben. Hermans voert in zijn roman echter een tweede dubbelganger ten tonele: Egbert Jagtman. Deze Jagtman zou Dorbecks dubbelganger kunnen zijn en dus – in commissie – ook die van Osewoudt. Aan dit personage Jagtman is door de analysten en critici verrassend weinig aandacht besteed, terwijl het toch een belangrijk aspect belichaamt van de mate waarin Hermans in zijn verhaal consistent en geloofwaardig is.

aannemelijk?
De drie personages Osewoudt, Dorbeck en Jagtman moeten door de schrijver op aannemelijke wijze als voor elkaar inwisselbaar gepresenteerd worden. Als Jagtman het evenbeeld is van Dorbeck en Dorbeck dat van Osewoudt, dan is Jagtman dus ook het evenbeeld van Osewoudt. Is het waarschijnlijk dat Jagtman op Dorbeck en dus ook Osewoudt lijkt? Is de manier waarop de geallieerde autoriteiten te werk gaan bij de verificatie van de eventuele overeenkomsten tussen het kadaver en Osewoudt en Dorbeck, waarschijnlijk?

In deze posting enkele ideëen.

In de roman introduceert Hermans het personage Jagtman via Dorbeck, op bladzijde 30. (Mijn paginaverwijzingen zijn naar het gratis exemplaar dat in november 2012 werd verspreid door de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de actie Nederland leest, isbn: 978 90 5965 179 1). We bevinden ons dan in de begintijd van de Duitse bezetting, rond eind 1940. Tot op bladzijde 278 – de roman telt 328 bladzijden – horen we daarna niets over Jagtman (en Dorbeck). Op bladzijde 278 zijn we vier jaar verder en in de prille dagen na de bevrijding van Nederland (april – mei 1945) beland en bevindt Osewoudt zich in Nederlandse detentie op verdenking van spionage, sabotage en liquidaties in opdracht van de Duitsers, ten tijde van de bezetting. Tot zijn verdediging voert Osewoudt aan dat hij voor het geallieerde verzet werkte en op instigatie en aanwijzingen van Dorbeck handelde. Alle pogingen om Dorbeck na de bevrijding op te sporen echter, mislukken. Ieder spoor loopt dood.

Op bladzijde 278 informeert de Nederlandse politieman Spuybroek Osewoudt dat er een massagraf is ontdekt: “We hebben bericht gekregen van een Engelse commandant ergens in de buurt van Oldenburg. Ze hebben daar een massagraf opgegraven. Bij de lijken die tevoorschijn gekomen zijn, schijnt er een te wezen dat aan de beschrijving beantwoordt.” Het betreffende kadaver zou Egbert Jagtman kunnen zijn. Spuybroek: “Herinner je je nog, dat je een verhaal verteld hebt waarin de naam Jagtman voorkwam. Jagtman… een naam en een adres die je van Dorbeck had opgekregen. Je moest daar foto’s naartoe sturen. Het was op het Legmeerplein in Amsterdam. Maar toen je daar eens ging kijken, bleek dat er juist de vorige nacht een vliegtuig was neergestort op dat huis en dat de hele familie Jagtman daarbij was omgekomen? Was het zo niet?
– Ja, ongeveer.
– Nou. Weet je wie zich aangemeld heeft? De tandarts van die familie Jagtman. Hij weet precies hoe de gebitten van die mensen eruitzagen. Als nu het gebit van dat lijk in Oldenburg overeenkomt met dat van een lid van die familie Jagtman, dan zijn we heel wat verder. Dan wordt het begrijpelijk waarom niemand van Dorbeck heeft gehoord. Dan ligt de veronderstelling voor de hand dat Dorbeck een schuilnaam geweest is en dat hij in werkelijkheid Jagtman heette.”

Ze gaan naar Oldenburg. De tandarts wordt onderweg opgepikt en tussen Osewoudt en hem ontspint zich het volgende gesprekje.

“Pas toen de auto aan de ingang van de Engelse legerplaats te Oldenburg stopte, kreeg Osewoudt de kans enkele woorden te wisselen met de tandarts die zij onderweg hadden opgepikt.
– Meneer, vroeg Osewoudt, u heeft dus de hele familie Jagtman goed gekend?
– Ja, ze waren allemaal bij mij in behandeling.
– En er was er een bij die op mij leek?
– Ik zou zeggen van wel. Daarom heb ik ook de politie opgebeld toen ik die foto van Dorbeck in de krant zag. Maar u moet wel begrijpen, het is alweer vijf jaar geleden dat ik hem het laatst gezien heb. Ik houd geen fotoalbum bij van mijn patiënten.
– Hoe heette hij precies?
– Egbert.
– Egbert. Heeft u hem na mei 1940 nog gezien?
– Dat is het hem juist. Hij is het laatst bij mij geweest in augustus 1939 – Daarna is hij gemobiliseerd.
– Was hij bij de artillerie?
– Ik zou het niet precies kunnen zeggen.
– Hoe oud was hij?
– Drie en twintig.
– Maar als nu een andere tandarts terwijl hij in dienst was, een heleboel aan zijn gebit veranderd heeft?”

Osewoudt heeft op het moment dat dit voorval in Oldenburg zich afspeelt alweer zijn gewone witte dunne haar. Als de tandarts vindt dat Jagtman op de foto (is die van Dorbeck of Osewoudt?) lijkt, dan moet Egbert Jagtman licht haar hebben gehad. Zelfs op een zwart-wit foto is te zien of iemand wit of zwart haar heeft. Over de haarkleur van Jagtman en Osewoudt wordt echter met geen woord gerept, terwijl de tandarts Osewoudt toch in persoon voor zich heeft. Dan is er de kwestie van de lichaamslengte. Osewoudt is vanwege zijn kleine postuur afgekeurd voor militaire dienst – hij was een halve centimeter te kort – terwijl Egbert Jagtman officier zou zijn geweest. Valt Osewoudts geringe lichaamslengte de tandarts niet op en komt die overeen met die van zijn patiënt Jagtman? Dorbeck zou bijna even kort als Osewoudt moeten zijn, maar net een halve centimeter langer. Dat was Dorbeck althans tijdelijk, want Dorbeck beweert dat hij zich vlak voor de militaire keuring heeft uitgerekt. Na de keuring moet Dorbeck tenminste een halve centimeter zijn teruggezakt, als een pudding, misschien zelfs iets meer dan die halve centimeter indien hij zich vóór de keuring verder dan een halve centimeter had opgerekt. Ook Jagtman moet dus tamelijk klein van stuk zijn geweest. Hoe kort of lang was Jagtman? Hierover rept Hermans met geen woord.

het kadaver
Op bladzijde 284 wordt in Oldenburg het kadaver onderzocht dat eventueel van Dorbeck zou kunnen zijn. “Helemaal achterin lag het lijk dat hij bedoelde. Het had een kruis van rode menie op de lichtblauwe, opgezwollen buik. De ogen waren open, maar de oogballen verdwenen. Op de wangen kleefde een dunne zwarte baard. Ook het hoofdhaar was zwart.
– Is dit Dorbeck? vroeg Selderhorst. Osewoudt aarzelde.
De tandarts hurkte, zette zijn spatel tussen de gesloten kaken van de dode, en wrikte de mond open. In de andere hand hield hij zijn zaklantaren.
– Al gezien! riep hij, zich weer oprichtend, heeft geen tand of kies meer in de mond!”

Ook over het postuur van dit lijk geeft Hermans niet de informatie die je onder de gegeven omstandigheden mag verwachten: hoe lang is de dode man en is zijn zwarte hoofdhaar van nature zwart, dus niet zwart geverfd. Heeft hij ook zwart oksel- en schaamhaar? De lezer krijgt er niets over te lezen. Op de wangen van het kadaver kleefde een “dunne zwarte baard” terwijl van Dorbeck op bladzijde 24 wordt gemeld dat hij blauwe kaken had vanwege een zware baardgroei: “ Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels.” Waarom zouden de autoriteiten Osewoudt en de tandarts naar Oldenburg slepen, terwijl ze al wisten dat het lijk geen gebit en geen ogen had? Op z’n minst hadden ze de lichaamslengte van de dode kunnen doorgeven. Spuybroek zegt dat ze afgaan op een beschrijving, maar aan welke beschrijving beantwoordt het lijk dan? Waarom ligt het kadaver dat onderzocht zal worden nog tussen de andere lijken in de drab en smurrie, terwijl de Engelsen weten dat de delegatie in aantocht is om het lijkt te inspecteren? Het massagraf werd nota bene tien dagen ervoor al gevonden. Hermans verstrekt geen forensische gegevens over het kadaver, behalve de opgezwollen buik (284). Als lezer kun je onmogelijk nagaan of het kadaver geloofwaardig “vers” genoeg is, juist te vers, of net over de waarschijnlijke houdbaarheidsdatum onder die omstandigheden.  Men sleept Osewoudt wel heen en weer naar Engeland (bladzijde 242-255) om hem te ‘verhoren’ maar gaat blijkbaar erg nonchalant met dit belangrijke lijk om. Uiterst vreemd en niet bijster overtuigend.

Hermans’ wisseltruc met shifters

“Der Held interessiert Dostojewski nicht als ein Phänomen der Wirklichkeit, das bestimmte, fest augeprägte sozialtypische und individuell-charakteristische Merkmale aufweist, nicht als eine äuβere Gestalt, die sich aus eindeutigen und objektiven Zügen zusammensetzt, welche in ihrer Gesamtheit die Frage > Wer ist er? < beantworten. Dostojewskij kommt es nicht darauf an, was sein Held in der Welt darstellt, sondern darauf , was die Welt für den Helden, was der Held für sichselber darstellt.”
Mikhail Bakhtin (1985:86): Literatur und Karneval.

Hermans haalt echter een wisseltruc uit met Osewoudt en met de lezer. Dat doet hij middels de shifters Osewoudt, Dorbeck en Jagtman. Een shifter (Otto Jespersen, Roman Jakobson) is een taalteken dat verwijst naar een situationele context, naar de concrete taalgebruikssituatie. Het zijn deiktische uitdrukkingen (bijvoorbeeld: die, gisteren, jij, hier) waarvan de referentie – hetgeen waarnaar ze verwijzen – afhangt van en verandert met de gebruikssituatie. Smulders gebruikt zeer overtuigend ‘cross-world identity’ (google bijvoorbeeld op de filosoof David Lewis), maar ik prefereer shifters. In een ander stuk zal ik uitleggen waarom.
De namen Dorbeck, Osewoudt en Jagtman ( aan het eind strooit Hermans met de naam Elkan, zand in de raderen) verwijzen naar steeds andere personages, afhankelijk van de taalgebruikssituatie. Terwijl we denken een passage te lezen die over Osewoudt lijkt te gaan, blijkt achteraf – daar kun je door oefening tot op zekere hoogte op leren anticiperen – dat het eigenlijk over Dorbeck/Jagtman gaat, en andersom, omgekeerd, achterstevoren en binnenstebuiten.
Immers Osewoudt, Slegtenhorst, Spuybroek en de tandarts van Egbert Jagtman gaan naar Oldenburg om een kadaver te inspecteren dat mogelijkerwijze de dode Jagtman kan zijn. Dat meldt Spuybroek op bladzijde 278-279 aan Osewoudt. Maar ook Spuybroek is niet eenduidig. Hij heeft het over “de beschrijving”, maar zegt niet van wie de beschrijving afkomstig is en wie er beschreven wordt: de politie, Osewoudt, Jagtman of Dorbeck?
Osewoudt beweert dat hij Dorbeck kent, maar (291) nooit heeft beweerd dat Jagtman en Dorbeck dezelfde zijn. Hermans laat Slegtenhorst een wisseltruc uithalen om Osewoudt in zijn verwarring te bevestigen, zodat die straks terecht als verrader voor het gaas kan. De tandarts echter gaat mee om te verifiëren of het kadaver misschien van zijn patiënt Jagtman zou kunnen zijn, niet van Dorbeck, want de tandarts kent Dorbeck helemaal niet.
Slegtenhorst stelt Osewoudt echter de vraag of het lijk Dorbeck is (284). Osewoudt aarzelt, logisch, want hij heeft Jagtman nooit gezien en Dorbeck hoogstwaarschijnlijk ook niet (Smulders: is het noodzakelijk dat Dorbeck bestaat?) .
Voordat Osewoudt iets kan zeggen, laat Hermans de tandarts melden dat het lijk geen tand of kies meer in de mond heeft. Hij kan dus niet vaststellen of het Jagtman is. De tandarts bekijkt alleen het gebit en niet het hele kadaver. Hij zegt niets over de lengte van Jagtman. Of het kadaver van Jagtman kan zijn, kan de tandarts niet vaststellen, of het Dorbeck is, kan Osewoudt evenmin zeggen. (boek Smulders, 249) Slegtenhorst dringt niet verder bij Osewoudt aan en de lezer krijgt dus hom noch kuit.

Smulders’ redenen

“It appears to me that this mystery is considered insoluble, for the very reason which should cause it to be regarded as easy of solution”
E.A.Poe, in: ‘The Murders In The Rue Morgue’

De Neerlandicus Smulders heeft vast niet toevallig een naam die ook met een S begint en bovendien op een s eindigt: een molenaar – “mulder” – tussen essen. Om te smullen! Wilbert Smulders zegt op bladzijde 50 – 51 van zijn boeiende boek dat hij zich niet wil bezighouden met de vraag omtrent het al dan niet bestaan van Dorbeck. Hij concludeert dat de roman van Hermans een onoplosbaar interpretatieprobleem met zich brengt en stelt zich ten doel te achterhalen welke redenen daarvoor verantwoordelijk zijn.

Smulders is geïnteresseerd in de redenen die de lezer nopen zich op een gegeven moment de vraag te stellen of Dorbeck al dan niet bestaat. Het knappe van Smulders is dat hij postuleert dat die redenen (die volgens Smulders de lezer dus zullen dwingen) dezelfde zijn die ervoor zorgen dat op de vraag of Dorbeck wel of niet bestaat, geen antwoord mogelijk is. Smulders’ formulering deed me sterk denken aan een passage bij Poe – zie citaat hierboven.

Het gaat bij Smulders dus om dezelfde redenen die een ander doel niet dienen. Kan dit, zeg ik het zo correct? Bij Smulders gaat het om identieke redenen terwijl het in Hermans’ roman om identieke personages gaat. Slaagt Smulders in zijn queeste? Wie een antwoord op die vraag wil, moet Smulders’ verhandeling zelf lezen. Die is zeer de moeite waard.

“Het centrale idee van het boek [i.e. Damokles; jm] is dat van het misverstand. Het is ook een kwestie van zichzelf verkeerd beoordelen, dat kun je geen misverstand noemen. Het is mogelijk dat de mens innerlijk verandert, dat de man die vandaag leeft niet meer kan onderschrijven wat hij gisteren heeft gedaan. Mensen uit één stuk bestaan in mijn romans niet. Die verandering, dat is juist het vreemde, die is niet discontinu, maar juist continu, maar omdat we geen houvast hebben aan iets dat voortdurend verandert, stellen we ons dus onophoudelijk de vraag, wat is authentiek in wat we doen en wat we denken.”
W.F. Hermans (1959,1962) over ‘De donkere kamer van Damokles’ in ‘Scheppen riep hij, gaat van Au’

Op eigen ervaring afgaande, meen ik dat je je als lezer van Damokles op verschillende momenten tijdens het lezen de vraag stellen kunt of zelfs moet, of Dorbeck/Jagtman bestaan, en dat die vraag bij iedere lezing van het verhaal op een ander moment gesteld zal worden en het antwoord steeds wisselend moet zijn. Je stelt je die vraag als lezer echter bijna nooit bewust en dat veroorzaakt de desoriëntatie waarover Smulders het heeft in hoofdstuk 4 van zijn verhandeling.
Dat de mens ook innerlijk verandert, geldt zowel voor de lezer als voor het personage waarover hij leest. Wie verandering bij wie veroorzaakt, weet ik niet en dat interesseert me ook niet. De redenen die Smulders misschien vandaag verstrekt, waren gisteren vermoedelijk al niet meer valide. Dat doet aan mijn leesplezier – van zowel Hermans als Smulders – evenwel geen sikkepit af.
In plaats van de ‘mise en abyme’ / het Droste-effect (Smulders, 248), opteer ik tijdens lezing daarom toch eerder en vaker voor Derrida’s ‘différance’, dat doet mij me meer thuis voelen bij het lezen, omdat ik het voortdurende uitstellen van betekenis, inherent aan de (non-)identiteit, als een natuurlijk gegeven ervaar. Ik denk in dit kader ondermeer aan die niet-op-elkaar-lijkende-namen Osewou-dt en Dorbe-ck, waarvan Osewoudt beweert dat ze op elkaar lijken. Alleen omdat je niet kunt horen dat Dorbeck met ‘ck’ geschreven wordt en Osewoudt met ‘dt’. Is dit een geval van functionele redundantie?

het negatief van de pudding

 “Geen enkel verhaal, hoe realistisch ook, geeft antwoord op alle vragen die eraan zouden kunnen worden gesteld. De kunst van de realistische auteur is alleen dat hij te krasse tegenspraken vermijdt, dat hij in waarnemingsvermogen niet achterstaat bij de gemiddelde waarnemer. Kortom, hij weet de indruk te wekken dat ‘het klopt’.
Toch geeft hij op eenvoudige vragen geen antwoord. Zijn kunst is het scheppen van een sfeer waarin bepaalde vragen niet passen.”
W.F.Hermans (1974:117): ‘Het sadistische universum’

Indien Jagtman dezelfde persoon zou zijn als Dorbeck, dan nog moeten zowel Jagtman als Dorbeck op Osewoudt lijken. Maar lijkt Osewoudt wel op Dorbeck? Op bladzijde 25 ziet Ria Dorbeck en ze meent: “ Hij leek precies op jou, zoals een negatief van een foto lijkt op een positief. Jij lijkt op hem zoals een mislukte pudding lijkt op een… weet ik veel… op een pudding die wel gelukt is.” Lijkt een negatief op een positief? Probeer maar eens van zes postieven en de zes bijbehorende negatieven bij ieder positief het juiste negatief te vinden. Zelfs met behulp van een lichtbak zal dat een hele klus blijken.
Ria vindt Dorbeck en Osewoudt beiden op een pudding lijken, dus zij waardeert Dorbeck heel anders dan Osewoudt, die Dorbeck adoreert en idealiseert. Ria is misschien geen sympathieke vertelinstantie, maar is zij daarom een onbetrouwbare? “De mensen waar romans over handelen, worden door de lezers onderscheiden in sympathieke en antipathieke. Wat is een sympathiek romanpersonage? Het is een personage waarover de schrijver niet meer bekend maakt dan de massa, in zijn op schijnwaarden gebaseerde onderlinge verkeer, in het openbaar over zichzelf wil weten.”

Kun je spreken van betekenisvol onderscheid tussen een gelukte en een mislukte pudding? Voor mij is pudding pudding, de puddingachtige substantie maakt het wezenlijke van pudding uit.
En dan Osewoudts mond (19), die “deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.” Over Dorbecks mond (24) vertelt Hermans niets. We worden alleen over zijn witte tanden geïnformeerd: “Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond.” Over Osewoudts gebit krijgen we niets te lezen. De beschrijvingen van Osewoudts mond (“bek”) en Dorbecks gebit suggereren alleen dat het onwaarschijnlijk is dat de monden van Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken.

De enige die Dorbeck zo op Osewoudt vindt lijken dat ze inwisselbaar zouden zijn, is Osewoudt. Marianne zegt bij het zien van het op het bioscoopscherm geprojecteerde portret (bladzijde 139) “ Filip, wat is dat gek! Die man lijkt op jou!” Waarom vindt Marianne dat “gek”? Lijken op iemand wil nog niet zeggen dat je voor elkaars dubbelganger kunt doorgaan. Wat de mensen in de zaal precies voor een foto krijgen te zien, weten we niet. Is het een profiel foto, en face, half profiel? Osewoudt heeft “een neusje” (bladzijde 19, 289) dat aan het eind opwipt met brede dunne neusvleugels, doorzichtige afstaande oren en een bek in plaats van een mond. Worden al deze kenmerken zichtbaar op de geprojecteerde foto? Zou je bij deze beschrijving direct aan Dorbeck denken?

van fonemen en morfemen
Hermans haalt nog aardig een grapje uit op bladzijde 24. Ik geef de hele passage.
“Hoe is de naam?
– Dorbeck. Met ck. ‘Dorbeck’ schreef Osewoudt op het filmpje, met ck.
– Ik heet Osewoudt met dt, zei hij en legde het rolletje in de la van de toonbank.
– Dan lijken onze namen op elkaar.
De officier gaf Osewoudt een hand en keek hem recht in zijn ogen. Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen. Het waren grijsgroene ogen, die hem aankeken of zij iets bijzonders in hem zagen. Nog nooit hadden ogen hem aangekeken op zo’n manier, behalve als hij zichzelf in de spiegel zag.
– U bent even lang als ik, zei Osewoudt, en ik ben afgekeurd voor de militaire dienst.
– Ik bijna ook. Maar ik heb mij uitgerekt.
Dorbeck lachte. Zijn witte tanden stonden zo recht en aaneengesloten, dat het leek of zijn gebit uit twee ononderbroken messen van ivoor bestond. Hij had zwart haar en langs zijn onderkaak lag een blauwe schaduw van baardstoppels. Het vel van zijn wangen leek daardoor des te witter, maar onder zijn jukbeenderen gloeide het roodachtig. Hij had een stem als een klok van brons. – Bedankt, zei hij. …”

Wie kan er nou beweren dat de namen Dorbeck en Osewoudt op elkaar lijken? Ze klinken anders en ze worden heel anders geschreven. Het enige waarin ze “op elkaar lijken” is dat je de “dt” en “ck” aan het eind niet hoort. Hermans vertaalt hier als het ware Wittgensteins uitspraak 4.1212 uit de Tractatus: “Wat getoond worden kan, kan niet worden gezegd.” Je moet de namen geschreven zien, of ze moeten voor je gespeld worden. (Jacques Derrida zal er zijn idee van het primaat van het schrift aan ontleend hebben).
Hermans zegt hier in feite dat Osewoudt en Dorbeck op elkaar lijken door iets wat er niet hoorbaar is. Bedenk dat Osewoudt een hoge piepstem heeft terwijl de schrijver Dorbeck een bronzen stemgeluid toebedeelt. In lemma 3.26 van de Tractatus beweert Wittgenstein bovendien: “De naam kan door geen enkele definitie verder worden ontleed: hij is een oerteken.” Hermans legt op bladzijde 175 van zijn vertaling van de Tractatus uit dat namen bij Wittgenstein niet verwijzen naar personen of dingen maar dat het de kleinste betekenisvolle eenheden (morphemen) in de volzin zijn.

De beide namen Osewoudt en Dorbeck lijken helemaal niet op elkaar, alleen hoor je het verschil tussen de ‘dt’ of ‘d’ of ‘t’ aan het eind van een woord in het Nederlands niet. In ‘hij deed’ en ‘hij doet’ klinken de eind-d en eind-t hetzelfde. Laat je een Nederlander de Engelse zin uitspreken: ‘He had a hat on his flat head’ dan zal in negen van de tien gevallen een native speaker Engels even moeten slikken bij het snel proberen te achterhalen wat de Nederlander precies bedoelt.
In het Engels zijn de eind-t en eind-d namelijk wel discriminerend, net als de ‘a’ en de ‘e’ in bijvoorbeeld ‘hat’ en ‘the Met’ (the Metropolitan). De ‘ck’ daarentegen spreek je ook het Engels eender uit als in het Nederlands, bijvoorbeeld in: ‘cheek’ en ‘check’. Wie hier verder in wil grasduinen googele om te beginnen bijvoorbeeld op ‘fonemen’.

Wie zegt in de hierboven gegeven tekst de woorden: “Dan lijken onze namen op elkaar.”?

Dat kan zowel Osewoudt als Dorbeck zijn. Wie informeert de lezer over de gelijke lengte van Dorbeck en Osewoudt middels: “Osewoudt zag dat de ogen van de luitenant op precies dezelfde hoogte als de zijne lagen.” Is diegene een betrouwbare verteller? Dorbeck beweert dat hij zich heeft uitgerekt. Zou Osewoudt dat niet ook hebben gedaan? En dan nog: de ogen kunnen aan halve centimeter hoger of lager in de schedel staan. Wordt het aannemelijker dat de ogen van Dorbeck, het kadaver, en Osewoudt op de gelijke plek in de respectieve schedels zijn gesitueerd door de oogballen van het kadaver kwijt te maken, of is dit ook zo’n typisch Hermans’ plagerijtje? Kortom, de sprekende gelijkenis tussen Osewoudt, Dorbeck – en Jagtmans – die Hermans ons, lezers, zo succcesvol probeert op te dringen, is helemaal niet zo vanzelfsprekend.

P.C. Hooft
Gebruik voor de aardigheid de P.C. Hooft-prijs eens in een dictee aan middelbare scholieren. De helft die niet weet wie P.C. Hooft is en dat er een literaire prijs naar hem is vernoemd, schrijft PC-hoofdprijs en denkt dat het om een prijs in de computerij gaat.
Er bestaan zelfs leerlingen die PC-hooftprijs opschrijven omdat zij én niet weten wie Hooft was nóch hoe je hoofd/kop spelt. Toch horen ze allemaal hetzelfde woord en bestaan zowel Hooft als hoofd.

wat heet ‘lijken op’?
Lijkt Osewoudt op Meursault van Camus?
Hermans kende het werk van Albert Camus op zijn duimpje; zeker de klassiekers ‘De vreemdeling’ en ‘De mythe van Sisyphus’. In ‘De vreemdeling’ van Camus wordt de hoofdpersoon Meursault door de gevangenisaalmoezenier ‘bezocht’. De priester probeert Meursault te bekeren. In feite beweegt hij hemel en aarde om Meursault zich tot beschaafde Fransman te laten bekennen, en beschaafde Europeanen zijn tenminste nominaal en formeel gristen – in dit geval: katholiek. L’Étranger speelt zich af in islamitisch Algerije, dat destijds een franse kolonie was.
Ook Hermans laat Osewoudt door een priester teisteren, maar maakt van de interactie tussen Osewoudt en pater Beer een komische akt voor twee mannen en zet pater Beers neer als een koddige imbiciel, terwijl Camus de priester als een schuimbekkend schlemiel portretteert. Zowel Meursault als Osewoudt moeten wachtend op hun executie de bezoeking door een zwartrok ondergaan.
Kun je zeggen dat ‘De donkere kamer van Damokles’ als twee druppels water lijkt op L’Étranger? Beide verhalen gaan over de absurditeit van het leven en ik weet bijna zeker dat Hermans zich bij het schrijven van De donkere kamer hevig door Camus (en Franz Kafka) heeft laten inspireren. Maar in hoeverre ‘lijken’ de respectieve verhalen en hun protagonisten op elkaar?

Nog een frappante ‘gelijkenis’ ontdekte ik in Hermans’ verhaal ‘Het behouden huis’ en ‘Nachttrein naar Lissabon’ van de Zwitserse filosoof Peter Bieri. De verteller Raimund Gregorius in Bieri’s verhaal valt het op dat in het huis de Portugese arts en denker Amadeu de Prado, in Lissabon, geen stof op de langbewaarde voorwerpen ligt.
De hoofdpersoon in Hermans verhaal valt tijdens zijn zoektocht in het huis eveneens op dat er nergens stof ligt: “Opeens wist ik het: er lag nergens stof. Zolang er in een huis geen stof ligt, leeft het nog …” Gregorius onderzoekt en evalueert zijn leven door zich aan andere levens te spiegelen, zijn leven met dat van andere te vergelijken. Osewoudt kijkt op belangrijk momenten in het verhaal in een spiegel en parasiteert via spiegelbeelden op het leven van Dorbeck. Lijken de verhalen van Hermans en Bieri op elkaar? Zo ja, in hoeverre?

de twee SS’ers aan geallieerde zijde
Een echt Hermansiaans grapje vind ik het laten figureren van twee SS’ers bij de Britten en de Nederlanders. De namen Smears – Slum (over speaking names gesproken!) en Slegtenhorst – Spuybroek beginnen vast niet toevallig alle vier met een ‘S’. De jonge SS’er op bladzijde 279 is ook niet toevallig zeventien jaar – Osewoudt was bijna net zo jong als het verhaal begint (zie bladzijde 18) – en heeft niet zo maar, net als Dorbeck groene ogen: “Het was een jongen van hoogstens zeventien jaar. Hij had een hoog voorhoofd en daaronder, in ondiepe kassen, de groene wolvenogen van de wildste germaanse stammen.”
Deze jongen zou de gelukte (169) Osewoudt kunnen zijn.

nazi-foto'sHieronder de tekst die Hermans de jonge SS’er op bladzijde 279-280 geeft: “- Jij bent die Osewoudt hè? Ik vind het interessant eens met je te praten. Iedereen heeft over je zaak gehoord. Als je het mij vraagt, dat onderzoek naar Dorbeck is een wandeling in een drijfzand! Elke stap naar voren is tegelijkertijd een stap naar beneden. Hoe denk je er zelf over?
– Dat gaat jou niet aan.
– Als je het mij vraagt ben je een grote klootzak, Osewoudt, ik zeg het niet om je te pesten, maar het is de waarheid. Weetje wat het met de meeste Nederlanders is? Ze hebben nooit denken geleerd. Kijk naar mij. Ik ben een jaar geleden in de ss gegaan. Ik ben een grote amorele theoreticus. Een theoreticus, want ik kan geen bloed zien en bovendien ging ik in de SS toen Duitsland de oorlog al verloren had en andere SS’ers een goed heenkomen zochten in de illegaliteit. Ik geloofde helemaal niet in de SS, het duizendjarig rijk en al die flauwekul waar volgens de kranten iedere SS-man in geloofd heeft. Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is. Jij hebt zeker niet veel gelezen, hè? Ik wel. Ik ben een intellectueel. Die waren er ook in de SS maar weinig. Het was een even groot stelletje stommelingen als de rest van de wereld. Er waren erbij die Himmler op handen droegen! Himmler! Een zeekoe met een lorgnet op! Ze dachten dat Hitler een genie was! Hitler! Een epileptische smaushond! Ze geloofden, godverdomme, in een betere toekomst! Als het van mij afhing gingen ze allemaal tegen de muur, nu, hier, onmiddellijk!”

Let op die echte Hermansiaanse zin: “Maar wat ik wel geloof, dat is dat de moraal niets anders is dan een werkhypotese van tijdelijke duur en dat na de dood van de mens, elke moraal voorbij is.” De moraal is een werkhypothese van tijdelijke duur.

Het motto dat ik aan het begin van deze posting heb gezet, staat in “De donkere kamer van Damocles” aan het slot van de tekst in Hermans’ vertaling van Wittgensteins tekst: “Ich kann ihn suchen, wenn er nicht da ist, aber ihn nicht hängen, wenn er nicht da ist. Man könnte sagen wollen: »Da muß er doch auch dabei sein, wenn ich ihn suche«. – Dann muß er auch dabei sein, wenn ich ihn nicht finde, und auch, wenn es ihn gar nicht gibt.“ Ook dat is niet toevallig, want na de “Damokles” schreef Hermans “Nooit meer slapen”. De hoofdpersoon van dat verhaal, Alfred Issendorf (let op dat ‘is’ in meervoud!), zoekt vergeefs naar een meteoriet.

Terzijde: Hermans vertelt in het Sadistische universum over ‘Het oor van Dionysius’ (“Even buiten de stad is een steengroeve te zien, een doodlopende grot die de vorm heeft van een s, ongeveer dezelfde vorm dus als het binnenste van een oor. Deze grot wordt nog altijd het Oor van Dionysius genoemd.”), mij valt die s-vorm en het doodlopen van de grot op.

“Bordewijk, die wis en zeker een Nederlands schrijver was, waarmee ik bedoel dat hij in veel opzichten oveenkomst met andere in dit land werkzame auteurs heeft, verschilt van hen soms door de verbijsterend oorspronkelijke manier waarop hij aan ook door hen gebruikte conventies een totaal nieuwe inhoud weet te geven.”
W.F. Hermans (1984:11): ‘Bordewijk’s miskende verhalen’

de queeste
Het gebruik van het werkwoord “zoeken” veronderstelt bijna dwingend dat iemand of iets naar wie of waarnaar gezocht wordt, gevonden kan worden omdat hij er is. Immers zoeken naar iemand of iets die niet bestaat, is een zinloze bezigheid. Juist die zinloosheid is bij Hermans des Pudels Kern.
Zowel Osewoudt als Issendorf (de held uit “Nooit meer slapen”) zijn volop verwikkeld in een queeste naar hun respectieve identiteit. Osewoudt zoekt quasi naar Dorbeck en Issendorf zoekt vergeefs naar een meteoriet. Beiden worden door hun moeder gefnuikt in hun “normale” ontwikkeling omdat Osewoudts moeder zijn vader vermoordt en mevrouw Issendorf haar echtgenoot de dood injaagt met haar hang naar maatschappelijke status. Osewoudt en Issendorf kunnen hierdoor hun Oedipale fase niet doorlopen.

E.A. Poe, Auguste Dupin en Charles Peirce

“The world of fact contains only what is, and not everything that is possible of any description. Hence the world of fact cannot contain a genuine triad. But though it cannot contain a genuine triad, it may be governed by genuine triads.”
C.S. Peirce (477, p. 256): Vol. I van de ‘Collected Papers of C.S. Peirce’

Zowel “De donkere kamer van Damokles” als “Nooit meer slapen” hebben sterke trekken van een detective-verhaal. W.F. Hermans was al vroeg geboeid door het werk van Poe (1809 – 1849). De amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce (1839 – 1914) was eveneens verslingerd aan het werk van Poe en zou zich zwaar hebben laten inspireren door de methode die Poes creatie, de detective Dupin, hanteert.
Peirce ontwikkelt – geïnspireerd door Poe?  – naast “deductie” en “inductie” het concept “abductie” en ontwerpt een “logische triade”: “Abduction is the process of forming an explanatory hypothesis. It is the only logical operation which introduces any new idea; for induction does nothing but determine a value, and deduction merely evolves the necessary consequences of a pure hypothesis. Deduction proves that something must be; Induction shows that something actually is operative; Abduction merely suggests that something may be. ”
(zie de Collected Papers, deel V, paragraaf 171, bladzijde 106 / uitgave uit 1934; Cambridge: Harvard UP).
Peirce bouwde zijn filosofie op trichotomieën en triadische relaties. Osewoudt, Dorbeck en Jagtman zullen vast ook op Peirceaanse wijze met elkaar zijn vervlochten. Het wachten is alleen op de onderzoeker die dit tot onderwerp van haar onderzoek waagt te maken.

Ik vermoed dat onderzoekers en analisten nog vele jaren bezig zullen kunnen zijn om het werk van Hermans onder andere met behulp van het filosofische apparaat van Peirce opnieuw onder de loep te leggen. Hermans las bijna alles, dus waarschijnlijk ook werk van Peirce [ Zie:  ” op diezelfde pagina veranderde Hermans de formulering ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder gebruikt door Peirce, Frege, Post, Lukasiewicz’ in ‘Matrices (waarheidstafels) waren al eerder of onafhankelijk van W. gebruikt door Frege, Peirce, Post, Lukasiewicz’ (p. 144 en 145 in de editie, het tweede citaat daar met nog weer latere redactionele aanpassingen)], vooral vanwege hun gedeelde liefde voor Poe.

Aristoteles, Freud, David Cornwell en W.F. Hermans
Damokles gaat over gelijkenissen en Smulders (115-118) haalt aan de hand van conventies overeenkomsten en verschillen aan tussen Hermans’ Damokles (november 1958) en Le Carré’s verfilmde boek (januari 1964) The spy who came in from the cold. Hermans beweert, schrijft Smulders, dat Le Carré (= Cornwell) zijn Spy op Damokles had gebaseerd. Misschien, maar dan waarschijnlijk toch via de ‘Poëtica’ van Aristoteles en het werk van Freud.

“There is one moral quality without which a reasoner cannot escape fallacies, and that is a sturdy honesty of pupose. For the lack of that, we every day see creatures in the guise of men losing fortune health, and happiness too, deluded by their own sophisms.”
C.S. Peirce (1892): ‘Keppler’ (in ‘Writings’, vol. 8: 286-291)

Aristoteles raadt schrijvers aan om vooral bij de vooroordelen, stereotypen en conventies van hun publiek aan te sluiten. Dus voorzien zowel Hermans als Cornwell hun protagonisten van een getormenteerde jeugd met traumatiserende ervaringen, omdat die volgens Freud bijna honderd procent garant staan voor een abnormale ontwikkeling van de persoonlijkheid en wij intussen Freuds theorieën als belangrijke standaard hanteren bij de duiding en interpretatie van onze werkelijkheid. Ongeacht de ‘wetenschappelijk bewijzen’ die volgens de laatste stand van zaken in de psychiatrie zouden gelden. Bovendien kan de moderne psychiatrie natuurlijk niet dezelfde ‘mens’ tot onderzoeksobject hebben als die welke Freud op zijn divan had.
“De werkelijkheidsbeschrijving is aan mode onderhevig. De ontdekking van Freud dat er een onderbewustzijn bestaat dat zich aan de redelijke wil onttrekt, is niet meer weg te denken bij de beoordeling van het menselijk gedrag.”
Lees en bekijk trouwens Le Carré’s A perfect spy (1986) eens. Hermans zou misschien beweren dat Le Carré A perfect spy ook op Damokles baseerde. Aristoteles (384-322) “schreef” zijn Poëtica echter lang voordat Freud (1856-1939)  zijn Verzamelde Werken produceerde en Freud was er weer eerder mee dan Hermans en Corwell met hun romans.
De grootste gelijkenis tussen Magnus Pym (Perfect Spy) en Henri Osewoudt (Damokles) is dat hun moeders al vroeg in de ontwikkeling van hun zoons in een gekkenhuis belanden. Tevens draait zowel het werk van Cornwell als van Hermans om identiteiten, misverstanden, misleiding, verraad, bedrog en identiteitverwisselingen.
Hermans neemt Aristoteles’s raad om je als schrijver te voegen naar naar de stereotypen die je publiek erop nahoudt serieus. Daarom dat Mirjam Zettenbaum medicijnen studeert en psychiater Lichtenau ook joods is. Joodse mensen waren immers allemaal: of arts, of advocaat, of zakenman-handelaar, of muzikant. Ze zaten in de vrije beroepen. Natuurlijk, want dat was de enige niche waarin ze de ruimte kregen. Stel je – in die tijd – eens een Moshe Cohen voor als hoge officier bij de geallieerde contraspionage: ondenkbaar.
Dit aspect van opgelegde, opgedrongen, identiteit speelt eveneens door Damokles. Osewoudt krijgt zijn identiteit door zijn jeugd opgelegd en Mirjam en dokter Lichtenau krijgen hun joodse identiteit opgelegd door de duitsers. Of je je nu nederlander voelde of fransman, of oostenrijker, als de machthebbers je als joods klassificeerden, had je niets in te brengen en was het einde verhaal.

“Het belangrijkste avontuur dat een Nederlander schijnt te kunnen gebeuren is zijn bezoek aan de middelbare school.”
W.F. Hermans, in: ‘Scheppen riep hij gaat van Au’

Wie vaak, intensief en langdurig leest, zal misschien ontdekken dat zowel Le Carré als Hermans tenminste bepaalde saillante elementen en methoden aan de verhalen van E.A. Poe ontlenen. Zo noemt Cornwell zijn protagonist(-en) in de Spy niet toevallig Pym (vader en zoon) en ontleent Hermans aan Poe’s personage Dirk Peters karakteristieke trekken voor Osewoudt. Ik heb het hier natuurlijk over Poe’s “Narrative of A.G. Pym”, de Avonturen van Gordon Pym, die ook in het Nederlands is vertaald

vervreemding
Wat ik tot dusverre ook nog niet ben tegengekomen – maar ik heb natuurlijk lang niet alles over en van Hermans gelezen! – is de benadering van de russische formalisten zoals Viktor Sklovskij en Yuri Tynjanov (denk natuurlijk ook aan Bert Brecht) bij het bespreken van de vervreemdende effecten (ostranenje), aspecten en dimensies in Hermans belangrijkste romans.
Op bladzijde 90 van “Damokles” lees ik Hermans beschrijving van een erotische scene tussenOsewoudt en Marianne. Het doet me denken aan passages in het werk van Vladimir Nabokov en William Golding:

“- Ik verlang naar je, zei hij, greep haar hand en drukte die tegen zijn kruis, zonder precies te weten wat hij deed.
Marianne bleef glimlachen, maar het was nu eerder een treurige glimlach. Toch zei ze:
– Wie weet, misschien kan je verlangen bevredigd worden.
Voor zijn geestesoog rees hij op als een geweldige figuur, demon en heros,of minstens een sprookjesprins.”

Hermans beschrijft hier met humor vervreemdend de geweldige erectie die Osewoudt krijgt, een verrijzenis des vlezes zonder weerga.

De beschuldigingen van vaak pornografisch te werk te gaan, zullen hem siberisch hebben gelaten; hij neemt op de hem eigen wijze ook hier een loopje met de lezer.

“Wittgensteins doel was in feite helemaal niet wiskundig. Het onderwerp van zijn gedachten was, ook in de Tractatus-periode, de betrekking denken-wereld en niet de (al dan niet geidealiseerde) logische structuur van de taal of welk ander symbolenstelsel dan ook, op zichzelf.”
W.F. Hermans, in zijn aantekeningen bij zijn vertaling van de Tractatus, op bladzijde 163

“Een jaar geleden echter had hij in een bocht van diezelfde rivier de mokele mbembe vrijwel ten voeten uit in de modder zien staan. Een roodbruin beest, zo’n tien meter lang. Het lichaam deed denken aan een olifant, de poten aan een krokodil, de kop en nek aan een slang.”
Margriet de Moor (1992:31): Op de rug gezien

“Het was drie voet lang en maar zes duim hoog, met vier heel korte poten, voorzien van lange, vuurrode nagels, die iets koraalachtigs hadden. Het lichaam was bedekt met gekruld, zijdeachtig haar en volkomen wit. De staart was spits, zoals die van een rat en ongeveer anderhalve voet lang. De kop leek op die van een kat, behalve de oren, die naar beneden hingen als hondeoren. De tanden waren even vuurrood als de nagels.”
Edgar Allan Poe (1978:164-165): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym

‘’ Zie nu Behémoth, welken ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi gelijk een rund. … zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in de navel zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. Zijne beenderen zijn als vast koper; zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen.
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zou kunnen intrekken.
Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijne tong met een koord dat gij laat nederzinken?
Job: 40; 10 vv

 

LITERATUUR & BEELD:

W.F. Hermans (2012/1958): De donkere kamer van Damokles / Amsterdam / ISBN: 978 90 5965 179 1 / NUR 301 (gratis paperback) Volledige Werken deel 3 / zie met name ook het Commentaar op bladzijde 717 – 756  http://www.wfhermansvolledigewerken.nl/ In deel 3 zijn “De donkere kamer” en “Nooit meer slapen” in een band uitgebracht, met heel functioneel Wittgensteins lemma uit de Phil. Untersuchungen in het midden

W.F.Hermans (1974/1964): Het sadistische universum / Amsterdam: De Bezige Bij / isbn: 90 234 0120 4 (pbk)

Betlem (1966): De geboorte van een dubbelganger / artikel in het tijdschrift Merlyn. Jaargang 4 / Amsterdam: Polak & Van Gennep / op internet beschikbaar

Betlem (1967); Van Jean Paul tot Van der Waals. Nogmaals ‘De geboorte van een dubbelganger’ / artikel in het tijdschrift Raster. April 1967: 71-94 / niet op internet gevonden. In dit artikel geeft Betlem ondermeer een beknopt overzicht van de gelijkenissen tussen personages en gebeurtenissen in “De donkere kamer” en betrokkenen bij “De kwestie Van der Waals”.
Zie voor een eerste wijzer  http://www.dbnl.org/tekst/jans037over01_01/jans037over01_01_0010.php
Google in het kader van dubbelganger en W.F. Hermans voor de aardigheid eens op Ludwig Tieck (‘Ryno’ / ‘Nachgelassene Schriften, Auswahl und Nachlese’) en Jean Paul Richter: ‘Blume-, Frucht und Dornenstücke ….. Armenadvokaten F(irmian) St(anilaus) Siebenkäs’ & ‘Titan’.

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus. Vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans / tweetalige uitgave: Duits – Nederlands / Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep / ISBN: 90 253 1534 8 (paperback)

De Philosophische Untersuchungen zijn in het Duits en Engels op internet te vinden

A Wittgenstein Dictionary door Hans-Johann Glock (1996): Oxford, UK – Cambridge, Mass.: Blackwell / isbn: 0-631-18112-1 (hbk)

W.H.M. Smulders (1983): De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles /  Utrecht: Hes / ISBN:  90 6194 074 5 / / Boeiend, doorwrocht, vernuftig en onderhoudend geschreven. Zeer aanbevolen.

Wilbert Smulders schreef ook een artikel waarin hij Hermans’ Damokles in verband brengt met werk van René Magritte (La reproduction interdite) en Maurits Escher. Het verscheen in Vooys en de Gids (googelen op http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=herm014)

Smulders legt in zijn artikel geen verband tussen de titel van Magrittes schilderij (Verboden te vermenigvudigen) en het doodgeboren kindje van Henri Osewoudt en Marianne/Mirjam  Sondaar/Zettenbaum. Ik leg een verband tussen Magritte, de zoon van een buitenechtelijke dochter van een engelse edelman (Edward James) die Magritte zou hebben afgebeeld en het “verbod” dat Osewoudt en Marianne Zettenbaum opgelegd krijgen zich te vermenigvuldigen (door de nazi’s hoogstwaarschijnlijk; Osewoudt is immers een crimineel, een misbaksel, en Marianne een jodin, dus volgens de Neurenbergse rassenwetten, waaraan orthodoxe rabbi’s lijken te hebben meegeschreven, is “baby Sondaar” joods, dubbel fout en zeer ongewenst). Ook Edward James was het resultaat van een overtreding van het gebod: verboden je te vermenigvuldigen. En natuurlijk Osewoudts nicht Ria, omdat zij immers al twee jaar was toen haar ouders wettelijk trouwden.

 Het grote W.F. Hermans boek (2010) onder redactie van Dirk Baartse en Bob Polak / Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 97890 388 93129  (dit leuke en verrassende boek heeft een tijd in de ramsj gelegen)

Saskia de Vries (1984): “De onkenbaarheid van ‘De donkere kamer’: het scenario van Willem Frederik Hermans” / opstel over de verfilming van Damokles door Fons Rademakers onder de titel Als twee druppels water – première 21 februari 1963 / artikel in Literatuur, 84/6, jaargang 1: 304-309 . De film is ook op dvd uitgebracht.

H.U. Jesserun d’Oliveira (1977): Scheppen riep hij gaat van Au (interviews) / Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep / isbn: 90 253 8020 4 (pbk) Het “interview” met Hermans staat aan het begin: 13-26

F. Bordewijk (1984/1950): De fruitkar – inleiding door W.F. Hermans / ’s-Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar / isbn: 90 236 5608 3 (brochure van 30/31 pagina’s)

Margriet de Moor (1992/1988:31): Op de rug gezien / het debuut van De Moor, waarin naast Hij bestaat ondermeer de verhalen: Op de rug gezien en Robinson Crusoë / Amsterdam: Contact / isbn: 90-254-6916-7 (pbk)

Edgar Allan Poe (1978): Het reisverhaal van Arthur Gordon Pym (vertaald door A. Alberts) / Bussum: Unieboek – De Boer Maritiem / isbn: 90 228 1624 9 (hbk)

recent: On Edgar Allan Poe door Marilynne Robinson in de NYRoB, 2015 februari 05  /  “Marilynne Robinson’s article in this issue draws from her introduction to the new edition of The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket by Edgar Allan Poe, to be published by 
the Folio Society in February 2015. (February 2015)”

Poe, Edgar Allan

The Annotated Tales of Edgar Allan Poe / Stephen Peithman, editor / 1981, New York: Doubleday / isbn: 0 385 14990 5 (hbk)

Collected Works of Edgar Allan Poe in 3 volumes, 1978 / editor: Thomas Ollive Mabbott / Vol. 2 Tales and Sketches (1831-1842) / Cambridge, Mass. – London: Belknap Harvard UP / isbn: 0-674-13936-4 (hbk); Vol. 3 Tales and Sketches (1843-1849) / isbn: 0-674-13936-4 (hbk)

The Cambridge Companion to Edgar Allan Poe, 2002 / editor: Kevin J. Hayes / Cambridge, UK – New York etc.: Cambridge UP / isbn: 0 521 79326 2 (hbk) / hierin i.h.b.: Peter Thoms: Poe’s Dupin and the power of detection ( 133-147); Geoffrey Sanborn: A confused beginning: The Narrative of Arthur Gordon Pym of Nantucket (163-177)

E.A. Poe: The Murders In The Rue Morgue; Is op internet te lezen  http://www.eapoe.org/works/tales/morgued.htm

Edgar Allan Poe’s Influence on Sir Arthur Conan Doyle (schrijver van de Sherlock Holmes-verhalen)

Abduction and Geometrical Analysis. Notes on Charles S. Peirce and Edgar Allan Poe (benaderd op 17.01.2015)

Peirce, Charles Sanders

Sami Paavola: The evolution of Peirce’s conception of abduction / to appear in Semiotica http://www.helsinki.fi/science/commens/papers/instinctorinference.pdf (benaderd op internet op 18.01.2015)

C.S. Peirce (1978/1940): The principles of phenomenology in: The Philosophy of Peirce – Selected Writings – editor Justus Buchler / London: Kegan Paul / isbn: 0-404-14694-5 (hbk)

C.S. Peirce (1931) : Vol. I van de Collected Papers of C.S. Peirce (6 vols.) / eds. Charles Hartstone & Paul Weiss / Cambridge, Mass.: Harvard UP

C.S. Peirce (1868): Some Consequences of Four Incapacities, pp. 211-242 in deel 2 (1867-1871) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1984 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37202-X (hbk)

C.S. Peirce (1883) A theory of Probable Inference – § v, pp. 420-423 in deel 4 (1879-1884) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1986 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37204-6 (hbk)

C.S. Peirce (1885): One, Two, Three: Fundamental Categories of Thought and of Nature; pp 242-247 in deel 5 (1884-1886) van Writings of Charles S. Peirce / Christian J.W. Kloesel, editor / 1993 ; Bloomington & Indianapolis: Indiana UP / isbn: 0-253-37205-4 (hbk);

– (1886) One, Two, Three: An Evolutionist Speculation; pp 298 – 308 in deel 5 van Writings of Charles S. Peirce

John le Carré

A Perfect Spy – From Wikipedia, the free encyclopedia – http://en.wikipedia.org/wiki/A_Perfect_Spy

Dvd – A Perfect Spy – http://dvd.netflix.com/Movie/John-Le-Carre-s-A-Perfect-Spy/70045091

John le Carré: Behind the Smiley face, a man of mystery / Robert McCrum in The Observer, Sunday 9 March 2014 / http://www.theguardian.com/theobserver/2014/mar/09/john-le-carre-smiley-face-man-of-mystery-profile

John le Carré Has Not Mellowed With Age / Dwight Garner in The New York Times / Published: April 18, 2013

Graham Greene

De derde man (The Third Man) is een Engelse film uit 1949. Je kunt de novelle van Graham Greene en de film parallel of simultaan lezen en bekijken met Hermans “Donkere kamer”.
Van de Engelse film bestaat een dvd met Orson Welles in de rol van de derde man De protagonist Harry Lime (van het bekende Harry Lime theme) zou met een beetje goede wil voor Dorbeck kunnen figureren.

http://nl.wikipedia.org/wiki/The_Third_Man

Dvd – The Third Man – http://dvd.netflix.com/Movie/The-Third-Man/1039377?trkid=222336

Mikhail Bakhtin (vertaling 1985): Literatur und Karneval. Zur Romantheorie und Lachkultur – hoofdstukken: Der Held im polyphonen Roman en Linguistik und Metalinguistik; bladzijde 86-106 / Frankfurt/M. enz. : Ullstein / isbn: 3 548 35218 9 (pbk)

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism. Theory in Practice / London – New York: Routledge / isbn: 0-415-04582-7 (pbk)

 aristotle_tkst

“Speaking generally, one has to justify the impossible by reference to the requirements of poetry, or to the better, or to opinion. For the purpose of poetry a convincing impossibility is preferable to an unconvincing possibility.   ….
The improbable one has to justify either by showing it to be in accordance with opinion, or by urging that at times it is not improbable; for there is a probability of things happening also against probability.”

Aristoteles, in de ‘Poetica’ (1461-b: 10-15) | gebruikte tekst uit The Complete Works of Aristotle, The Revised Oxford Translation, volume 2 / Bolingen series; 71-2 / edited by Jonathan Barnes; Princeton NJ: Princeton UP, 1984:pagina 2339  /  isbn: 0-691-09950-2 (hbk)

 

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,