RSS

Tag Archives: psychoanalyse

Geslagen hond en visiefobie

 

 

‘ Wanneer je een hond keer op keer slaat, routinematig zonder duidelijke aanleiding, wordt het beest geheid vals,’ zegt Laure, ’wanneer je als politici de kiezers keer op keer voor de gek houdt, fopt en op het verkeerde been zet, idem dito, die kiezers worden vals en gaan naar kuiten happen.
Philippe Gautier, de hoofdpersoon uit de roman van Thierry Baudet, draagt littekens van een jeugdtrauma met zich mee: zijn vader placht hem als kind met de riem af te tuigen. Gautier gaat niet de politiek in, maar compenseert, sublimeert, zijn pijn door Kunst. En hij gebruikt zijn echtgenote Sylvia, hun dochter en zijn minnares Davide, die hij letterlijk verkleint, verkinderlijkt, infantiliseert, door ze diertje te noemen, dus klein dier. Een vrouwelijke driehoek – dubbelzinnig nietwaar? – die hij zowaar in en uit elkaar kan schuiven, zodat ze soms samenvallen. Let wel: ik heb Baudets novelle nog niet gelezen, maar baseer me vooral op de bespreking van Saskia Pieterse uit de Groene Amsterdammer. ’

Semanur: ‘Gaat de novelle Van elk waarheen bevrijd van blitzkikker Baudet volgens jou daarover? Over valsgemaakte kiezers? Maar als kiezer wil je juist graag weten waar jouw volksvertegenwoordigers heengaan, daarom stem je op partij X, A, of Z en niet op een andere partij. Iedere partij prijst immers een ander “waarheen” aan, maar niet heus. Hier dus via Rilke ironie. Heerlijk toch dat je een boek mag en kunt lezen zoals je dat zelf wil – en kunt, natuurlijk! Hetzelfde geldt voor cartoons. De maker kan er nog zo veel mee bedoelen, maar als beschouwer maak ik er zelf wat van. Zodra een cartoon of een boek is gepubliceerd, leidt het een eigen leven.
Zeg, zou de visie-fobie van VVD’er Mark Rutte uit zijn jeugdervaringen zijn te verklaren, op jeugdervaringen zijn te herleiden? Heeft zijn moeder misschien vroeger zijn dag, week, jaar altijd helemaal uitgestippeld, heeft ma zoon haar visie opgelegd en protesteert Rutte als vijftigjarige daar nog steeds tegen? Is Rutte bezig zijn moeder te behagen, rebelleert hij tegen haar, of wil hij zijn “afwezige vader” plezieren, misschien vervangen bij zijn moeder? Of een combinatie van alles? Ruttes beruchte woedeaanvallen, waar zijn die op terug te voeren? Jeugdtrauma’s die verharden, transformeren, vergroeien, tot neurosen, kunnen verhipte hinderlijk zijn. Gelukkig voor hem leeft Rutte in een tijdperk van de hyper-theatrale politiek en kan hij zijn ei daarin kwijt. Ziezo, dat was amateur-psychoanalyse in kort bestek.

O ja, die narcistische cirkel van Sarah Kofman waarover Pieterse het heeft? Hoe zie je dat in deze context?’

Laure: ‘ Ik laat het narcisme nu in de coulissen en breng de cirkel en de driehoek – een vierkant, met Philippe erbij – in verband met een Pavlov-experiment met honden: hoe maak je honden kierewiet. Wat deed Pavlov, hij confronteerde een hond afwisselend met een vierkant, dus rechte hoeken, en een cirkel, geen hoeken. Bij de cirkel kreeg de hond een stuk vlees en bij het vierkant een stroomstoot. De hond ging na een tijdje ook zonder vlees kwijlen bij het zien van de cirkel en janken bij het vierkant, ook als hij geen stroomstoot kreeg. De hond was geconditioneerd.

Toen maakte Pavlov de cirkel steeds vierkanter en het vierkant steeds ronder. Je kunt vast al raden wat er met de hond gebeurde: die wist op een bepaald moment niet meer wat zij kon verwachten, want cirkel en vierkant gingen immers steeds meer op elkaar lijken. De hond werd dus compleet gestoord.’

‘ Aha, ik denk dat ik ‘m snap,’ zegt Semanur, ’ de kiezer van nu weet niet meer wat zij eigenlijk kiest, want alle politieke merken lijken op elkaar. Ze worden via marketing technieken gedifferentieerd om zogenaamd diverse segmenten van de kiezersmarkt te bedienen en stemmen te scoren, maar in feite is het een grote nep. Er valt niet meer te onderscheiden, te discrimineren, tussen cirkels, ovalen, rechthoeken, driehoeken, vierkanten. De burger wordt voortdurend op het verkeerde been gezet door sleeze and spin en dus raakt de gedesoriënteerde burger op drift, wordt psychisch uit balans gebracht.

Op zo’n manier een boek lezen is veel leuker dan op de conventionele manieren. Zeker wanneer zo’n boek door een politicus als Thierry Baudet is afgescheiden. Baudet gebruikt trouwens het klassieke recept: geef de protagonist een akelige jeugd mee, waaruit de lezer zijn gedrag als volwassene kan verklaren. De tekening van Joep Bertrams is spot on: achteruitkijkspiegels. Leer van het verleden en zie vooral je eigen rugzakje onder ogen. Dus niks reactionaire politiek.
Ach, vergelijk het met Henri Osewoudt uit Hermans’ Donkere kamer van Damocles. Henri heeft een zeer getroubleerde jeugd gehad, inclusief een bijna-incesteuze relatie met zijn nicht, Hermans voorziet hem van een afstotend uiterlijk. Henri Osewoudt weet eigenlijk niet wie hij is. Hermans zet de lezer voortdurend op het verkeerde been met persoonsverwisselingen en spiegels. De lezer raakt met het personage het spoor bijster. Aan het einde weet je zelfs niet of het wel echt Osewoudt is die doodgeschoten wordt.’

Laure: ‘ Deze Baudet speelt op veel verschillende registers: hij speelt schaak, maakt muziek, schrijft romans, doet aan hedendaagse politiek en staat zelfingenomen nomenklatoeristen het jak uit te vegen. Een veelzijdig mens met een multipele persoonlijkheid? Dat is voor de gemiddelde Haagse plucheklever nauwelijks te volgen. Die sluiten zich aaneen en gaan keffen en janken. Voor de media geldt hetzelfde. Die moeten hele andere invalshoeken en frames uit de kast halen, dus ze moeten echt aan het werk, en dat vinden ze lang niet altijd leuk. Routine-duidingen volgens routine-frames en -modellen zijn natuurlijk veel gemakkelijker.

Ik denk er heel hard over om straks op meneer D.J. Eppink van het FvD te stemmen voor de Europese verkiezingen, omdat ik vóór Europa ben, maar tégen deze vorm van EU en ik wil het instituut van referendum terug, want de representatieve democratie werd gemaakt voor een heel ander soort politicus dan nu op het pluche fladdert en klautert. Deze types moet je niet eens per vier jaar legitimeren zonder ze tussenrapporten te kunnen geven. Dat geldt op ieder niveau: landelijk, maar ook bij de gemeenteraden. De kiezer moet worden getraind in, vertrouwd gemaakt met en opgevoed in het hanteren van referenda, net als met de Zwitsers is gebeurd. Dus niet weer plompverloren een referendum in de plas pleuren, de boel de soep in zien draaien en dan zeggen: zie je wel, het voldoet niet.
Kijk naar Amerika. Het is maar de vraag of de Amerikaanse instituties tegen het vandalisme van een Trump bestand zullen blijken. Die instituties werden voor heel andere en inmiddels achterhaalde types politici in elkaar gestoken. Zullen ze vandal-proof blijken?’

Semanur: ‘ Van de recensies die ik van Baudets novelle heb gelezen, vind ik die van Pieterse en Thomas de Veen (de flaneur en de fallische bakkunst) de meest interessante. Misschien heb ik enkele recensies gemist hoor, maar deze twee heb ik met aandacht gelezen. Vooral die van Saskia Pieterse. Thomas de Veen maakt zich er iets te makkelijk vanaf vind ik.

Misschien ga ik de novelle lezen en kunnen we hem parallel aan Hermans’ Damocles en Vestdijks Anton Wachter ontleden? Hoewel Anton Wachter natuurlijk wel een hele kluif is, maar we kunnen Mohammad vragen om het deel voor deel voor ons verklarend samen te vatten en dan een of twee delen zelf lezen?

In ieder geval ga ik op de FvD stemmen, straks bij Europa en over twee jaar bij de Kamerverkiezingen, want deze routinematige sloop van onze maatschappij door neoliberale nitwits en half-wits moet hoe dan ook gestopt worden.’

Laure: ‘ O ja. Bijna vergeten. Natuurlijk Paul Scheffer hè. Nu weer, met dat laatste stuk van hem in de NRC. Scheffer is voor ons zo vanzelfsprekend, redelijk en logisch normaal in zijn diagnose en receptuur dat hij voor mij intussen vanzelfsprekend is. Daardoor wordt hij door de politieke nomenklatoera en de horige media schromelijk veronachtzaamd. Helaas voor ons.

Wij stemmen voorlopig dus FvD.’

 

 

 

Franz Schubert – Who is Silvia ? – The King’s Singers

Schubert – An Sylvia – Fischer-Dieskau / Moore 1957

 

 

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De speld en de hooiberg: ‘Fehlleistung’, falsificatie en fjelljo. Over ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans

Jerry Mager – maart 2016

citaten LWitt_WFH

Waarom begint Alfred Issendorf, de 25-jarige hoofdpersoon uit de roman ‘Nooit meer slapen ’ van W.F. Hermans, in hemelsnaam aan een onderneming die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, bij voorbaat tot mislukken gedoemd lijkt? Omdat hij protagonist is in een Hermans-verhaal. Dan staat mislukking van te voren vast en zit het leesplezier hem in het ontdekken hoe Hermans de fiasco’s in elkaar steekt, hoe hij de mislukking gestalte geeft en het falen dwingend en aannemelijk construeert.

Nooit meer slapen is echter vooral de beschrijving van een ideaaltypische freudiaanse Fehlleistung (lapsus, parapraxis). Dat wil zeggen: ‘Een handeling waarbij het beoogde doel niet wordt bereikt, doordat het onbewuste storend tussenbeide komt.’ Ik citeer uit het registerdeel elf van de Boom-uitgave uit 2006. Het komt neer op onbewust zelfsaboterend gedrag.
Wie de roman meerdere keren grondig gelezen heeft – en W.F. Hermans vereist vooral close reading – moet concluderen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hoofdpersoon Alfred Issendorf in een niet-fictieve werkelijkheid zou beginnen aan zijn wetenschappelijke avontuur in Finnmark, Noord-Noorwegen, binnen de randvoorwaarden die de schrijver stelt.
De grootste makke in de roman is het feit dat Alfred zijn onderneming doorzet zonder ooit de relevante luchtfoto’s van Finnmark onder ogen te krijgen. Dat wordt op den duur onwaarschijnlijk. Hoe problematisch Alfred psychologisch ook in elkaar zit. Hermans doet het echter uiterst gewiekst. Daarom lezen we geboeid verder. Hermans maakt Alfred’s Fehhleistung blijkbaar erg aannemelijk, want herkenbaar voor de meeste lezers.

Zelfs onder het bizarre pathogene regime van outputfinanciering dat tegenwoordig in Nederland vigeert en ons onderwijs gestaag erodeert en onherroepelijk uitholt, is een expeditie als door Arne wordt ondernomen, ongeloofwaardig. Sibbelee kan dan nog zo’n scoringsbeluste labbekakpromotor zijn, die met zo min mogelijk werken zo veel mogelijk proefschriften van de lopende band wil laten rollen, dit onbekookte avontuur gaat zelfs voor ons huidige naargeestige academische business model nog te ver. Hermans moest zich met Onder professoren revancheren.

Nooit meer slapen verscheen in 1966 en bestaat uit 47 genummerde hoofdstukken die niet al te lang zijn. In totaal beslaat het verhaal  zo’n 260 bladzijden. Omdat de paginering per druk verschilt, verwijs ik naar hoofdstukken middels getallen tussen haken. Verwijzingen naar de bundel Scheppend nihilisme komen als SN tussen haken vergezeld van paginanummer.

De pas afgestudeerde promovendus Alfred gaat proberen om de hypothese van zijn promotor Sibbelee te staven. Sibbelee wil bewezen zien dat sommige van de kratervormige impressies waarmee de bodem van Finnmark in Noord-Noorwegen is bezaaid, zijn veroorzaakt door meteorieten. Hoe Sibbelee aan dit idee komt, wordt niet uit de doeken gedaan. Barringer krater VS
De gangbare verklaring voor de ronde gaten in de bodem van Finnmark is vijftig jaar geleden door de Noorse nestor in de geologie, Ørnulf Nummedal, te boek gesteld: het zijn doodijsgaten, met misschien wat pingo-ruïnes er tussendoor.

Alfred onderneemt de tocht in gezelschap van drie Noorse onderzoekers: Arne Jordal, Qvigstad en Mikkelsen. Jordal en Alfred kennen elkaar al van vroeger contacten.
Waarom begint Alfred Issendorf aan een heilloze onderneming in Finnmark? Omdat zijn moeder Aglaia wil dat hij een briljante wetenschappelijke carrière zal maken en daarmee wijlen zijn vader zal evenaren en liefst overtreffen. Een ambitieuze, eerzuchtige, manipulatieve, moeder, die haar zoon een richting op duwt die hij zelf niet wil, omdat die zoon haar hang naar status moet bevredigen. Dit is de wortel en kern van alle complicaties waarmee Hermans het verhaal heeft volgestopt.

‘Mijn moeder heeft mij opgevoed in het denkbeeld dat ik de carrière die hij niet heeft kunnen afmaken, moet voltooien.’ (16)

Alfred (7) koestert die ambitie niet en zou liefst een gewoon leven leiden: ‘Ik wilde fluitist worden, beroepsfluitist in een groot orkest.’

Dat Alfred zijn moeder haat (27: ‘Op een bepaalde manier haat ik mijn moeder en alles wat zij doet. Het is of zij mij een onuitwisbaar slecht voorbeeld geeft’ ) is niet vreemd. Hoe verknipt moet Alfred echter worden neergezet om aannemelijk te maken dat hij datgene doet wat Hermans hem 47 hoofdstukken lang laat doen? Maakt de schrijver op overtuigende wijze van zijn hoofdpersoon iemand die bijna moedwillig een kapitale Fehlleistung wrocht?

Alfred was liever fluitist geworden, gewoon en deel van een orkest en geen solo-sterspeler, niet per se een groot fluitist. De dood van zijn vader is spelbreker. Aglaia Issendorf fixeert haar ambitie op haar zoon (7): ‘Allereerst had mijn vader niet moeten verongelukken toen ik zeven jaar oud was. Maar als dat niet gebeurd was, zou ik misschien wel helemaal dit vak niet zijn gaan studeren, was ik mogelijk helemaal niet gaan studeren en fluitist geworden. Een groot fluitist? Dat is de vraag. Spijt? Nee. Spijt heb ik al lang niet meer. Als fluitist zou ik mijn vader nooit hebben kunnen wreken, zou ik nooit goed hebben kunnen doen wat hij verkeerd gedaan heeft.’

Blijkbaar heeft Alfred senior iets verkeerd gedaan. Het verhaal gelezen hebbende, kan echter niet anders dan worden vastgesteld dat het enige wat de man volgens Aglaia op zijn kerfstok had, was, dat hij doodviel voordat hij zijn veelbelovendheid ten volle had laten schijnen. Daarmee boorde hij Aglaia de status waarnaar zij haakt, door de neus. Dat manco moet zijn zoon compenseren. Hij moet de briljante wetenschapper worden die zijn vader heeft nagelaten te realiseren.
Aglaia haalt haar gram via de zoon. De vader heeft haar tekort gedaan en de zoon moet dat goedmaken. Een geval van triangulatie: moeder en zoon nemen positie in tegen de (dode) vader, waarbij de moeder de zoon min of meer gijzelt en voortdurend chanteert. Dat belooft  een complex relaas met veel duister drama.

In hoofdstuk 34 verzucht Alfred : ‘Werkelijk, goed beschouwd ben ik niet rijk gezegend met eigenschappen die mij te pas kunnen komen in de geologie. Vergeetachtig. In staat zelfs de weg kwijt te raken die ik goed ken. Onsportief, slecht geoefend. Onleesbaar schrijvend, houterig tekenend. Wat een ellende! Ik doe deze dingen alleen maar omdat ik zo graag wil en niet omdat ze mij vanzelf afgaan. Ik heb alleen mijn uithoudingsvermogen. Ook bezit ik de gave gauw te begrijpen wat er in een boek staat, waardoor ik al mijn examens vlug en heel goed heb afgelegd.’

Alfred is allerminst dom, maar hij zal nooit een briljant geleerde worden. Aan gezond zelfinzicht ontbreekt het hem onder normale omstandigheden niet. Hij zou tevreden zijn met een rustig leven als degelijk middenmoter in het beroep van keuze: fluitist.

De weduwe Aglaia, de trickster in het verhaal, praat haar zevenjarige zoon echter aan (7) dat hij veel ambitieuzer dient te zijn en zij prent hem in dat hij een unicum is, een uitzonderlijk mens: ‘[E]en fluitist mag meestal enkel maar meespelen met een groot orkest. En weet je wel dat je als fluitist in het gunstigste geval toch nooit iets anders doet dan naspelen wat een ander bedacht heeft? Dat argument gaf de doorslag. Ik begon stenen te verzamelen, want bioloog worden, als mijn vader, wilde ik niet. Liever dan fluitist zou ik een geleerde worden.’ Alfred wordt waartoe hij op rampzalige wijze lijkt voorbestemd: neuroot en narcist (7): ‘Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus.’

Uit alles blijkt dat Alfred op het verkeerde pad is. Toch gaat hij als een lemming door op de ingeslagen weg. In hoofdstuk 31 steekt Hermans bijna de draak met zijn personage. Alfred beseft in feite al dat het met zijn expeditie op niets zal uitlopen. Hij heeft in hoofdstuk 30 ontdekt dat Mikkelsen luchtfoto’s bij zich heeft en is ervan overtuigd dat Nummedal zijn student Mikkelsen de luchtfoto’s heeft gegeven die eigenlijk voor Alfred bestemd waren. Misschien zou Mikkelsen zelfs Alfred’s onderzoek willen stelen.
Uit de tekst valt nergens op te maken dat Alfred’s verdenkingen ook maar in het geringste juist kunnen zijn, hoewel Hermans er veel werk van maakt de lezer te verleiden dezelfde conclusies te laten trekken als de geflipte Alfred.
Alfred heeft zonder resultaat de luchtfoto’s van Mikkelsen bestudeerd en spreekt zichzelf toe: ‘Dit is, zeg ik hardop en plechtig, een heel belangrijk ogenblik in het leven van een onervaren jongeman. Ik bevind mij in een situatie waarin mij niets anders overblijft dan dat te doen, waarvan ik vrees dat het verkeerd is. De verkeerde richting ingeslagen, maar het is te laat om terug te keren. Op het verkeerde paard gewed, maar de wedstrijd is al half voorbij. Als ik immers de conclusies trek uit alles wat ik nu geconstateerd en bedacht heb, kom ik tot de slotsom dat ik zo gauw mogelijk naar Nederland terug dien te gaan, dat ik tegen Sibbelee moet zeggen: Het spijt me, professor. Dit onderzoek zal u noch mij opleveren wat we ervan verwachten. Ik groet u.’

We krijgen niet te lezen welk gebied de luchtfoto’s die Mikkelsen bij zich heeft, bestrijken. Logisch gedacht zal het een areaal zijn dat niet onmogelijk ver ligt van de plek waar de vier zich bevinden. Het moet immers zijn te belopen. Arne helpt Alfred bij het bestuderen van Mikkelsens luchtfoto’s (31) en laat daarbij zien dat hij feilloos weg weet met de luchtfoto’s en de geografische landkaart. Indien er hiaten in Mikkelsens foto’s zouden zijn (Alfred vraagt zich wantrouwig af of Mikkelsen hem wel alle foto’s laat zien die hij bij zich heeft) zouden die Arne zijn opgevallen. Op de luchtfoto’s zijn geen aanwijzingen te vinden die op meteoorkraters zouden kunnen wijzen.

In plaats van na deze domper terug te keren naar Nederland onder het motto: beter ten halve gekeerd, blijft onze held hardnekkig met de Noren meehobbelen. Dit lijkt op poriomanie te wijzen. Hermans hing de overtuiging aan dat iedere periode, elke eeuw, zijn eigen dominante persoonlijkheidsstoornis had: ‘ de era van de ontdekkingsreizen stond in het teken van de poriomanen [dwangmatige zwerfzucht, van het Griekse ‘poreia’, reis; een dwangmatig weglopen; jm],  en in onze tijd is de toekomst aan de schizofrenen.‘ (Wittgensteins levensvorm)

Volgens dat adagium zou hij Alfred dan vooral tot schizofreen hebben geboetseerd. Is Alfreds expeditie naar Finnmark echter niet ook deels als poriomanie te beschouwen? Hij blijft tegen beter weten in door de toendra struinen. Hij loopt immers weg van zijn manipulerende moeder, die hij zelfs zegt te haten. Zijn bruuske weglopen van Arne in hoofdstuk 34 valt hiermee ook te plaatsen.
Ik citeer de passage uit 34: ‘Ik pak mijn kompas en bepaal vast in welke richting het zuidwesten ligt. Arne kijkt op zijn eigen kaart en staat op.
– Daarheen! Hij wijst in een richting loodrecht op de richting die ik zojuist bepaald heb.
– Ach kom nou! Daar! Arne zet een gezicht alsof hij zijn lachen niet bedwingen kan en trekt aan het rafelige touwtje zijn padvinderskompasje van plastic uit zijn borstzakje. Ik buk, laad mijn rugzak op en begin te lopen, het kompas nog steeds opengeslagen op mijn linkerhand.
Ik kan mij niet vergissen! Arne zal mij wel achternakomen als het tot hem doordringt dat hij het bij het verkeerde eind heeft.’

In boven geciteerde passage laat Alfred zich niet door Arne (een surrogaatouder, die hem bovendien uitlacht) gezeggen. Hij gooit zijn kont tegen de krib en gaat letterlijk in de contramine: hij loopt precies de andere kant uit dan die welke Arne aanwijst. Op een ‘symbolisch niveau’ kun je in dit weglopen interpreteren als een poging alsnog de mislukte separatie-individuatie (Margaret Mahler; bij Freud ‘vervreemding’) uit de jeugd te forceren – Alfred wil zelfstandig zijn. Zijn separatie van Arne is echter disfunctioneel en zelfsaboterend.

Het vertelprincipe dat Hermans in de roman hanteert is eenvoudig: telkens wanneer het personage onder spanning, stress, komt te verkeren, treedt afweer in werking en schakelt Alfred over op dwangmatig gedrag om de intrapsychische spanning te neutraliseren. In psychotechnisch jargon: het conflict manifesteert zich in een symptoomhandeling (lapsus) waarbij drift en afweer gelijktijdig opspelen. De psychische prikkel wordt afgevoerd door middel van routinematig en repetitief handelen, inclusief fantaserende (dag-)dromen.
Alfreds astrante weglopen is hier een symptoomhandeling die zijn oorsprong heeft in het onbewuste conflict met de moeder.

Tragikomisch is dat Alfred aan de onderneming begint met de bedoeling meteorietkraters te vinden, maar allengs stenen gaat determineren in de hoop op Issendorfiet te stuiten. ‘[I]k wil geen stenen vinden die al eerder op aarde zijn geweest. Ik zou het liefst een meteoriet vinden, een brok afkomstig uit de kosmos en ik zou willen dat het uit een materiaal bestond, dat op aarde nog nooit was aangetroffen. De steen der wijzen, of minstens een mineraal dat naar mij zou worden genoemd: Issendorfiet.’

Hij vervalt in hetzelfde gedrag als zijn vader, die botanicus was en plantjes determineerde. Alfred en zijn vader vallen samen, al viel vader Issendorf vijftien jaar tevoren in Zwitserland dood en is samen vallen in fysiek opzicht strikt genomen dus niet aan de orde. Bovendien wil Alfred zijn vader overtreffen door hem te imiteren. Zou het te maken kunnen hebben met een niet helemaal gelukte separatie-individuatie-fase? Wittgenstein blijft in het verhaal meest onderhuids, maar is wel overal aanwezig.

In dit kader is het aardig om te lezen hoe Hermans het woordje ‘vaak’ angstvallig lijkt te vermijden als hij vertelt (7) dat Alfred zijn geologische kompas van zijn ‘domme’ zusje Eva krijgt, tijdens zijn eerste studiejaar: ‘ Het is een vrij groot instrument, met een nauwkeurige graadverdeling, rechthoekige grondplaat, vizieren, hellingmeter, waterpas en spiegel. Ik klap het open en bekijk mijn gezicht in het spiegeltje. Eva zei, toen ze het mij gaf, dat zij het daarom juist zo’n gek cadeau vond.
Ze zei: – Ik wist niet dat de geologie een wetenschap was, waarbij je voortdurend in de spiegel moet kijken. Toen was ze twaalf jaar, mijn kleine zusje.
Niet alleen is zij de eerste geweest die deze stelling onder woorden bracht: Wat mij betreft had ze zeker gelijk. Ik heb in de loop der jaren het kompas misschien wel tienmaal zo dikwijls uit zijn etui genomen om mijzelf erin te bekijken, als om er metingen mee te verrichten. ‘

(Dit dwangmatig in de spiegel kijken wordt in hoofdstuk 21 saillant onder de aandacht gebracht.)

Wanneer ik deze centrale verhaalpassage voor mezelf in gedachten breng, zeg ik in plaats van ‘voortdurend’ meestal ‘doorlopend’ of ‘vaak’; voortdurend klinkt naar mijn gevoel te onophoudelijk. Waar Hermans schrijft: ‘tienmaal zo dikwijls’, zeg ik: tien keer vaker.
Onlangs bedacht ik echter dat in doorlopend het werkwoord ‘lopen’ zit en dat ’vaak’ de achternaam is van de zandman: Klaas Vaak. In Zuid-Nederland betekent vaak nog steeds slaap: ik heb vaak. Waarom mijdt Hermans volgens mij hier ‘doorlopend’ en ‘vaak’? Omdat Alfred steeds meer gaat strompelen (Oedipus) in plaats van dat hij loopt en omdat je in een roman met de titel Nooit meer slapen liever niet Klaas Vaak in het onderbewustzijn van de lezer moet planten. Zou dit een freudiaantje zijn? Bij wie?

De lezer krijgt in 47 boeiende hoofdstukken de Werdegang van een verknipt personage voorgeschoteld en opgediend. Hermans zet een freudiaanse Fehlleistung neer, die klinkt als een klok. In een interview in 1966 (SN, 95) geeft hij een verdekte hint  dat bij ‘Nooit mee slapen’ een Fehlleistung aan de orde is, maar hij doet dat in de roman tegelijk met een verleidelijke suggestieve afleidingsmanoeuvre achteraf, die impliciet blijft: Alfred’s kompas zou van slag kunnen zijn geraakt (34) vanwege een aardmagnetisch veld (46) dat op een meteoriet zou kunnen duiden. Daarom loopt Alfred weg van Arne en struint hij de verkeerde kant op. Voor zover ik weet, is tot nogtoe iedere exegeet op dat doodlopende dwaalspoor (auf den Holzweg) verdergegaan, om zoals Ørnulf Nummedal Alfred in het eerste hoofdstuk waarschuwt: te gaan zoeken op plaatsen waar niets te vinden is.
Na de expeditie is Alfred’s kompas, net als Arne Jordal, niet meer voorhanden om onderzocht te worden op malfunctioneren, of, in het geval van Arne, bevraagd te worden. Alfred stoot per ongeluk zijn kompas, waar hij letterlijk naar op moet kijken, gebruik makende van het spiegeltje (‘De steen is zo hoog, dat ik het kompas moet aflezen in het rechtop gezette spiegeltje’), per ongeluk in een rotsspleet. Arne valt in het diepe kloofdal. Het kompas kreeg Alfred van zijn zusje, zijn nutteloos geworden horloge van zijn moeder. Dat zijn heel veel rijmende echo’s tegelijk in een hoofdstuk.

citaat SS symptoom en vondeling

symptomen
Hermans lardeert het verhaal met Alfred’s ‘symptoomhandelingen’. Het meest bekende dwangmatig gedrag valt vermoedelijk in het schema van de persoon die tig keer per dag haar handen moet wassen, of die ‘s morgens op weg naar de bushalte steeds naar huis terug moet om te verifiëren of hij wel echt alle ramen heeft gesloten, of het werkelijk gas uit is en wat al niet nog meer. Alfred kijkt voortdurend in de spiegel (7 – ‘ik zou het spiegeltje niet kunnen missen’, 9,21!,34); hij telt zijn voetstappen (1,7,18,20,36,38 – zijn neurose redt hem! ). In hoofdstuk 7 zien we het dwangmatige controleren:  ‘Voor ik ga ontbijten, controleer ik nog eenmaal de badkamer, de kast, het schrijfbureautje en het tafeltje naast het bed. Nee, niets laten liggen. Zelfs in de laden en kasten die ik helemaal niet heb gebruikt, kijk ik of ik niets vergeten heb. Bij mij mag nooit iets misgaan. Dingen laten slingeren, onvoorbereid in situaties terechtkomen, met je mond vol tanden staan, grotere gruwel ken ik niet.’
Enkele alinea’s hiervoor heeft Alfred voor de zoveelste keer de inhoud van zijn rugzak gecontroleerd. De grap zit hem hier in dat zinnetje: ‘Bij mij mag nooit iets misgaan.’ Intussen gaat alles mis wat maar mis kan gaan. In hoofdstuk 6 verdwaalt hij op de terugweg naar zijn hotel. Hij is gedesoriënteerd, want de zenuwen gieren Alfred door de keel. Hij gaat immers de bush in en heeft nog geen luchtfoto’s. Die hoopt hij tenslotte in Trondheim te bemachtigen.
Gesteld dat hij de luchtfoto’s krijgt. Dan nog is het de vraag wat die luchtfoto’s te zien geven en waar de eventueel voor Alfred interessante plekken zouden liggen. Moeten Arne en de beide andere Noren toevallig dezelfde kant uit? We weten niets over de onderzoek locatie, noch over de voor Alfred’s veldonderzoek begrote tijd.
Ter informatie: Finnmark beslaat 48.618 km² en is daarmee 7123 km² groter dan Nederland. Er wonen in Finnmark ongeveer zoveel mensen als in de stad Gouda. Dat Alfred uiteindelijk na zes weken stopt en naar huis gaat, komt doordat Arne Jordal doodvalt. Alfred banjert op de bonnefooi blindelings de Noorse bush in. Hij heeft zich door ene labbekakprofessor Sibbelee laten opzadelen met het zoeken naar de speld in de hooiberg.

Alfred’s narcisme komt het duidelijkst in beeld in de hoofdstukken 41 en 42, via zijn gedachten en houding en ten aanzien van zijn verongelukte vriend Arne. Zacht gezegd, kan het Alfred weinig schelen wat er met Arne gebeurt. Hij toont alleen belangstelling voor de pagina’s in Arne’s notitieboek waar zijn, Alfred’s, naam op voorkomt en doet bijvoorbeeld geen moeite om het Noors te laten vertalen, zodat hij kan achterhalen waar Arne mee bezig was.
Hella Haasse oppert in ‘Doodijs’ het idee dat Alfred zijn vriend een zet in de rug gegeven zou kunnen hebben, waardoor die doodviel. De vraag is of Alfred’s narcisme dermate ernstig is dat hij vanwege het gevoel door de Noren niet serieus genomen te worden (narcistische krenking), gevoegd bij de groeiende frustratie over zijn onderzoek, tot moord in staat moet worden geacht.

Zelfs met de gedissocieerde toestand die Hermans in hoofdstuk 33 suggereert, tijdens de woeste afdaling in het kloofdal – het onderbewuste – als het Es het grotendeels overneemt van Ego en Superego, wordt de eventuele moord in te tekst nergens expliciet: ‘Wat ik ook doe, wat mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst. Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt: dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waar volgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp.’

Wat Alfred in deze geestes- en gemoedstoestand ook moge uithalen: hij is ontoerekeningsvatbaar, geen meester over zichzelf. In hoofdstuk 34 loopt hij weg van Arne, en zwerft onbepaalde tijd wezenloos rond, zonder kompas en horloge, todat hij Arne in hoofdstuk 38 dood terugvindt. Zijn neurotische gewoonte zijn stappen te tellen, redt hem

Een bijkomende overweging voor een moord kan zijn dat Alfred niet wil dat bekend wordt wat hij in Finnmark doet en dat die poging op een fiasco uitliep. Arne is de enige aan wie Alfred vertelt (16) wat hij komt doen. In het hele verhaal lezen we verder niets over Alfred’s onderzoek en worden summier (29) ingelicht over de bezigheden van de Noren. Arne doet iets met gabbro’s lezen we (42) na zijn dood. We moeten Alfred dus op zijn woord geloven. Doet Arne dat ook, of doet hij maar alsof en denkt: laat ik deze jongen in hemelsnaam heelhuids terugbrengen in de bewoonde wereld?
Arne’s ongeluk betekenent bovendien dat de expeditie met goed fatsoen beëindigd kan worden. Arne’s woorden in hoofdstuk 13 krijgen een omineuze klank: ‘Het komt doordat in iedereen, hoe wijs ook, een krankzinnige zit verstopt. Een wilde krankzinnige en die krankzinnige groeit uit hetzelfde waaruit alle krankzinnigen groeien: uit het kind dat wij geweest zijn toen wij een, twee, drie jaar oud waren…’  Hermans is een virtuoze rijmelaar (SN, 167).

citaat Hermans_Wright_grap

Hoofdstuk 7 is het hoofdstuk waar de expeditie begint. Hij verlaat de beschaving, dus Alfred is gespannen, vandaar al die handelingen die hem een gevoel van zekerheid moeten verschaffen. Een saillant detail is het bijna ‘vergeten’ van de ansichtkaart aan zijn labbekak-promotor Sibbelee, waarop Alfred een onoprecht beleefd verhaaltje schrijft, dat in flagrante tegenstelling is met wat hij de lezer vertelt. Een op het nippertje gecorrigeerde Fehlleistung. De luchtfoto’s krijgt Alfred ook in Trondheim (9) niet. Toch vliegt hij noordwaarts om met de heilloze onderneming aan te vangen. Poriomanie?

Andere symptomen waarmee Hermans zijn protagonist opzadelt, zijn het fantaserende dagdromen wanneer de spanning hem te veel wordt. Alfred dwaalt dan als het ware tussen werkelijkheid en waan, waarbij het onderscheid vaag wordt. Nadat hij bijvoorbeeld in hoofdstuk 35 fysiek flink heeft afgezien en even de ogen sluit, krijgt hij een waanvoorstelling van een orkest met een fluitist en een meisje dat de bekkens hanteert: ‘Ik weet dat het meisje het eigendom is van de fluitist. Zij bekrachtigt dit met een oorverdovende bekkenslag, die mij wakker maakt.’

In hoofdstuk 27 fantaseert hij tegenover Arne dat hij net zo goed een vondeling had kunnen zijn. Het als Klein Duimpje lopen langs met steentjes afgebakende voetpaden (32, 40) alludeert op hetzelfde thema: het kind dat de ouders te veel is en wordt verkocht, aan vreemden meegegeven of te vondeling wordt gelegd. Bij Freud en Stack Sullivan lezen we dat mensen die fantaseren dat hun ouders niet hun echte ouders zijn en dat hun werkelijk ouders heel belangrijke, rijke en machtige mensen zijn, aan paranoïde wanen kunnen lijden. Alfred maakt het met zijn grootheidsfantasieën behoorlijk bont (34): hij zou warempel Jezus Christus, de zoon van god kunnen wezen. Over Arne komen we ook dingen te weten, die tot vraagtekens verleiden. Hij heeft een shabby uitrusting, maar beweert dat zijn vader rijk is (27). ‘ Dus jij kunt goed opschieten met je vader? -Te goed misschien. Mijn vader, weet je, is nogal rijk. Hij heeft altijd veel succes gehad. Ik ben zijn enige zoon. Dat schept ook problemen. Wel te rusten.’ De roman had misschien evengoed ‘Verknipte vaders en zonen’ kunnen heten?

Met mijn opstel pretendeer ik geenszins een ‘officieel professioneel klinisch’ portret te construeren, waarmee Alfred Issendorf waterdicht  wordt gecertificeerd voor de GGZ, maar ik ga impressionistisch, eclectisch te werk, als een strandjutter en bricoleur-doe-het-zelver. Tenslotte is Nooit meer slapen een ‘scriptible’ tekst, die tot mee-construeren noodt en noopt.

Wanneer de lezer het basisschema doorheeft volgens welk Hermans te werk gaat, kan zij met een beetje puzzelen een eigen roman-neuroticus in elkaar knutselen. De lezer moet daartoe opletten welke situaties voor de protagonist emotioneel, spannend of stressvol zijn en vervolgens het op de situatie betrekking hebbende en vertoonde gedrag bijeen lezen, en vice versa.
Alfred Issendorf is niet bepaald een ongecompliceerde, evenwichtige en harmonieuze persoonlijkheid. Hermans zet hem extra onder druk met de middernachtzon, een licht dat niet uitgaat en Alfred uit de slaap houdt, net als de fjelljo die te pas en te onpas onbezoldigd heggen snoeit. Dan zijn er de bloedzuigende steekvliegen en is er de dagelijkse fysieke afmatting die de ongetrainde Alfred niet in de koude kleren gaan zitten. Er is niet zo heel erg veel nodig om de labiele Alfred Issendorf door het lint te jagen.

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

schizofreen
Er wordt nogal in de secundaire literatuur over NMS nogal eens verwezen naar de dubbele structuur van Paul De Wispelaere terwijl Hella Haase opteert voor drie structuren. Mevrouw Haasse: ‘Paul de Wispelaere heeft twee structuren gesignaleerd in de roman Nooit meer slapen: het reisverslag van het personage Alfred, en de waarnemingen en ervaringen van een ‘groter’ bewustzijn, dat De Wispelaere aan de alwetende verteller van de roman toeschrijft. Ik zou voor drie structuren willen opteren: Alfreds reisreportage, vervolgens zijn herinnering, of geheugen, dat de gegevens verschaft waardoor het grondpatroon van zijn leven zichtbaar wordt, en tenslotte een derde vorm van bewustzijn, die slechts tijdelijk van Alfred bezit neemt, en wel in de periode waarin hij, zonder zijn tochtgenoot Arne, moederziel alleen ronddoolt …’

De tweedeling van De Wispelaere deed me denken aan schizofrenie: zou Alfred het verhaal met twee tongen verteld kunnen hebben? Of zouden Issendorf senior en junior een duet spelen? De splitsing van de meteoriet waarvan aan het slot van de roman wordt verteld associeer ik meteen met mogelijke schizofrene geestestoestanden waarin Alfred over de Noorse toendra zwerft. De Lappen kennen tenslotte de sjaman en het sjamanisme.
De driedeling van Hella Haasse riep de associatie op van triangulatie: Aglaia en dochter Eva tegen Alfred, of Alfred senior en Aglaia tegenover Alfred? Ik werk het niet uit, maar geef het als tip voor de liefhebber.

Karl Popper
Hermans neemt in Nooit meer slapen in een moeite door het demarcatie-criterium van Karl Popper op de korrel. Alfred moet immers Sibbelees hypothese verifiëren en dus zo mogelijk de theorie van Nummedal falsifiëren; dat zijn hier twee kanten van dezelfde medaille.
Overigens heeft Alfred het in hoofdstuk 26 over ‘de stoutmoedige hypothese van Sibbelee’ om dat aan het slot (44) af te waarderen als ‘een suggestie’, ‘bepaalde denkbeelden, en ‘veronderstellingen’ die ik moest verifiëren. Alfred geeft toe dat Sibbelee maar wat aanrommelt. Net als Popper – volgens Hermans.
Over Popper schrijft Hermans in een opstel uit 1981 getiteld ‘Over Popper’ als volgt: ‘Popper bracht in 1935 naar voren dat een bewering of een complex van beweringen (bij voorbeeld een wetenschappelijke theorie) des te minder informatie verschaft naarmate de formulering ervan algemener is. Minder algemene, meer specifieke theorieën, verschaffen meer informatie, wat met zich meebrengt dat een dergelijke theorie in meer opzichten op juistheid kan worden gecontroleerd.
Omdat er meer controlemogelijkheden zijn, neemt de kans toe dat een van de controles tot de conclusie voert dat de theorie niet klopt. Daarmee is een dergelijke theorie dan gefalsifieerd.

Voor de in het geheel niet-falsifieerbare theorieën geldt wel dat ze een hoge graad van waarschijnlijkheid hebben – maar hun wezen brengt het met zich mee, dat er dan ook (feitelijk) niets feitelijks in wordt beweerd.

Een vanzelfsprekend uitvloeisel van Popper’s grondstelling bestaat hierin, dat in hoge mate falsifieerbare theorieën in hogere mate wetenschappelijk zijn dan andere. Onfalsifieerbare theorieën hebben een geringe wetenschappelijke waarde, wat zeggen wil dat ze geen betekenis hebben, ze delen niets wetenswaardigs mee.

Een bezwaar tegen Popper’s falsificatietheorema is het feit dat fysische theorieën, tenminste in de moderne tijd, maar zelden totaal gefalsifieerd zijn (zoals Popper lijkt te denken).

Voor de natuurwetenschappen zijn Popper’s ideeën niet van wezenlijk belang. Men kan zich zeer goed en succesvol met natuurwetenschappelijk onderzoek bezighouden, zonder zich ooit in de filosofie van de natuurwetenschappen te hebben verdiept. [M]aar voor de niet-zakelijke wetenschappen, althans voor grote gedeelten daarvan (algemene theorievorming e.d.) zijn Popper’s ideeën dodelijk. ’ [citaat met enige redactie door mij; jm]

Hermans heeft geen al te hoge pet op van Popper’s filosofie: ‘Voor zover Popper’s stellingen oorspronkelijk zijn, zijn ze toch maar varianten op zulke waarheden als koeien dat het nietszeggende niet kan worden weerlegd. Oftewel dat spreken zilver is en zwijgen goud.’

Hermans laat Alfred het verhaal dan ook nogal bête-obligaat besluiten met de constatering dat hij weliswaar met twee cadeau gekregen halve meteorieten in de vorm van manchetknopen zit, maar geen enkel bewijs heeft voor de hypothese die hij moest bewijzen.
Hermans (SN, 98) mag dan over Nooit meer slapen beweren: ’ In mijn boek is geweldig belangrijk of grote wetenschappelijke ontdekkingen helemaal aan het toeval moeten worden toegeschreven of niet’, de vraag is natuurlijk hoeveel toeval geloofwaardig is voor de lezer. Zelfs de meest genereuze willing suspense of disbelief kan niet eindeloos worden opgerekt en dit begin is ongeloofwaardig. Alfred per toeval op een meteoorkrater laten stuiten dan wel Issendorfiet laten vinden, zou op onoverkomelijke romantechnische problemen stuiten. Het sterkste excuus is dat met Nooit meer slapen een Fehlleistung moest worden neergezet, die staat als een huis. Daarin is Hermans wat mij betreft geslaagd, dus neem ik als lezer de wat minder geloofwaardige trekjes van Alfred Issendorf voor lief.

citaten freud_Stack moeder-vader

Alfred is weliswaar behept met een baaierd van herkenbare neurotische tics en toegerust met een scala aan symptomen, die voor een belangrijk deel lijken te wortelen in de moeizame relatie met zijn moeder. Ook heeft hij de oedipale fase vermoedelijk niet normaal doorlopen, omdat hij immers zijn vader op zevenjarige leeftijd verloor. Toch rijst de vraag of Hermans er helemaal in is geslaagd personage Alfred Issendorf op een volledig geloofwaardige wijze neer te zetten als een neuroticus van wie met redelijke waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat hij alles doet waartoe Hermans hem in staat acht. Ook die dingen die in de roman impliciet blijven.
De dramatische uitsmijter bewaart Hermans voor de laatste alinea van het laatste hoofdstuk, als Afred denkt: ‘er is geen enkele instantie in mijn omgeving die iets anders van mij wil, dan wat ik zelf ook altijd heb gewild.’ Alfred heeft het hele verhaal door alleen maar gedaan wat anderen (inclusief zijn onbewuste) van hem verlangden of wat hij dacht dat er van hem verlangd werd, om dat op einde te rationaliseren. Iedereen wil alleen wat hij wil, zodat hij nooit hoeft te doen wat iemand anders van hem wil, want dat wil hijzelf ook.

Hoe verknipt is het personage Alfred Issendorf? Zadelt Hermans zijn anti-held met correcte, herkenbare, symptomen op? Boeiend om dat uit te puzzelen met de digitale Freud op schoot en misschien DSM-x-y-z in de hand, onderwijl, af en toe, hier en daar, in Wittgenstein glurend.

Het laatste woord over Nooit meer slapen is nog niet geschreven of gesproken. Tijdens het her-herlezen, vroeg ik me steeds vaker af wanneer het verhaal geschreven is. Kan het wezen dat ‘Nooit meer slapen’ en ‘De donkere kamer van Damokles’ hetzelfde boek zijn? Hermans zelf houdt staande (SN, 20) dat ‘eigenlijk elke romanschrijver steeds weer dezelfde roman schrijft.’
Toen hij Damokles (1958) schreef, zat Alfred Issendorf vermoedelijk op zijn schouder en tijdens het wrochten van Nooit meer slapen (1966), had Henri Osewoudt zich in het brein van de schrijver genesteld. De Paranoia (1948) van Cleever (spreek uit: cleaver) vinden we terug in onder andere de schizofrenie van Osewoudt en Issendorf. De gespleten meteoriet en manchetknopen zijn er het tastbare bewijs van. Er is, om Hermans te gerieven, zelfs een schisma in het westerse denken (SN 13) ontstaan: voor en na Freud. Damokles en Nooit meer slapen zijn post-freudiaans, daarom is het niet verwonderlijk dat beide romans zijn uitgevallen als de familieroman van een neuroticus (zie voor de Nederlandse vertaling: Freud Verzamelde Werken deel 4).

Volgens biograaf Willem Otterspeer klaagde Hermans in 1981 tegen Hermans-fan Frans Janssen dat hij er genoeg van had om zijn verhalen keer op keer op de conventionele manieren en volgens canonieke receptuur, ritualistisch herkauwd te zien worden. Dat was in de tijd dat de gedrukte media het publicatie-monopolie hadden. Met de steeds snellere inburgering van internet en andere digitale publicatiemiddelen en -methoden, wordt die periode in rap tempo afgesloten en kunnen de ramen en deuren open worden gezet.
Zeker zulke knappe teksten van een schrijver als W.F. Hermans verdienen een frisse bries.

 

 

LECTUUR (* betekent speciaal aanbevolen):

W.F. Hermans (1993, 23ste druk): Nooit meer slapen – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0173 5

W.F. Hermans (1990): Wittgenstein – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 3192 8

W.F. Hermans (1983): Klaas kwam niet – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0834 9

W.F. Hermans (1977): Het sadistische universum – 1 –  Amsterdam: Bezige Bij (hierin o.a. Wittgensteins levensvorm, 1964)  /  isbn 90 234 0120 4

* W.F. Hermans (1979): Scheppend nihilisme (interviews; samengesteld door Frans A. Janssen) – Amsterdam: Loeb & van der Velden / isbn: 90 6213 134 4 / op internet

Sigmund Freud, Werken (2006 / in 11 delen uitgegeven door Boom in Amsterdam, bezorgd door Wilfred Oranje Freuds werken zijn inmiddels vrij van auteursrechten en op internet te vinden, o.a. in het Duits, Engels en Nederlands

* Harry Stack Sullivan (1975/1940): Begrippen voor een toekomstige psychiatrie / Bilthoven: Ambo / isbn: 90 263 2004 3 / vertaling van Conceptions of Modern Psychiatry door Henk van Aller Werken van Stack Sullivan werden uitgegeven door The William Anson White Psychiatric Foundation by Norton & Co, New York

https://nl.wikipedia.org/wiki/Harry_Stack_Sullivan

http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1521/psyc.2012.75.1.3

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus – Amsterdam: Polak & Van Gennep /  isbn: 90 253 1534 8 / vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans

Raster, nummer gewijd aan Hermans: V, 2, zomer 1971, hierin ondermeer het artikel van * Hella Haasse: ‘Doodijs en hemelsteen’ / op internet  http://www.willemfrederikhermans.nl/tekst/haas013dood01_01/haas013dood01_01_0001.htm

Willem Otterspeer (2013): Freud en Hermans (en zijn biograaf)’   http://www.de-gids.nl/artikel/freud-en-hermans-en-zijn-biograaf

Margaret S. Mahler & Manuel Fuhrer (1969): On human symbiosis and the vicissitudes of individuation / London : The Hogarth Press and the Institute of Psycho-Analysis / isbn: 0 701 20 319 6

Margaret S. Mahler , Fred Pine & Anni Bergman (1975): The psychological birth of the human infant: symbiosis and individuation / New York : Basic Books / isbn: 0 465 06 659 3

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism – London & New York: Routledge / isbn: 0-415-04583-7

Gemma Venhuizen over het Finnmark onderzoek van Svein Olav Krøgli in de NRC van 25 september 2010 http://www.nrc.nl/handelsblad/2010/09/25/niet-elke-cirkel-is-een-krater-11947759

Voor de foto’s, even omlaag scrollen: ‘Maskevarri Ráhppát in Finnmark, northern Norway – is it an earthquake-induced landform complex?’ (2014) http://www.solid-earth.net/5/683/2014/se-5-683-2014.pdf

Jef van de Sande (1983): W.F. Hermans. ‘Nooit meer slapen’ / Vaassen-Apeldoorn: Walva-boek / isbn: 90 6675 601 2

Het Grote Willem Frederik Hermans Boek. Onder redactie van: Dirk Baartse en Bob Polak, m.m.v. Rob Delvigne / Uitgever: Nijgh & Van Ditmar / maart 2010

J.J.L. Derksen (1993): Handboek persoonlijkheidsstoornissen / Utrecht: De Tijdstroom / isbn: 90 352 1482 X / NUGI 712

http://www.psychoanalytischwoordenboek.nl/

 

 

Lapland Finnmark_80prct

…………  ……………  ……………  …………………………….  …………………………..  ……………….

 

 

 
Leave a comment

Posted by on maart 18, 2016 in literatuur, W.F.Hermans

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Soumission: de nieuwe Houellebecq is uit!

gepost door Jerry Mager op Work In Progress / zondag, 01 februari 2015 > aangevuld 03.02.15
“ ‘Na de oorlog, in 1946, werd Julian Huxley benoemd tot algemeen directeur van Unesco, die net was opgericht. In hetzelfde jaar publiceerde zijn broer [Aldous] Brave New World Revisited, waarin hij zijn eerste boek [Brave New World] probeert voor te stellen als een aanklacht, een satire. De metafysiche omwenteling die het materialisme en de moderne wetenschap heeft voortgebracht heeft twee grote gevolgen gehad: het rationalisme en het individualisme. Huxley’s fout is geweest dat hij het verband tusen die twee gevolgen verkeerd heeft ingeschat.
Heel specifiek gezegd is zijn fout geweest dat hij heeft onderschat hoezeer het individualisme zou toenemen onder invloed van het steeds sterker wordende doodsbesef. Individualisme leidt tot vrijheid, zelfbewustheid, de noodzaak je te onderscheiden en beter te zijn dan de anderen. In een rationele samenleving zoals beschreven in Brave New World kan de strijd worden verzacht. Economische concurrentie, een metafoor voor macht over de ruimte, heeft geen bestaansreden meer in een rijke samenleving waarin de economische stromen in toom worden gehouden. Maar Huxley rekent buiten het individualisme.
Waarom is het model van de Zweedse sociaaldemocratie er niet in geslaagd het liberale model te verdringen? Omdat de metafysische omwenteling waartoe de moderne wetenschap heeft geleid, noodzakelijkerwijs, individuatie, ijdelheid, haat en begeerte met zich meebrengt. In de kern van de zaak is begeerte – in tegenstelling tot genot – een bron van leed, haat en ongeluk. De erotisch-publicitaire maatschappij waarin wij leven, beijvert zich om die begeerte te organiseren, tot buitensporige proporties aan te wakkeren en de bevrediging ondertussen binnen de privé-sfeer te houden. Om de maatschappij te laten functioneren en de concurrentie te laten doorgaan, moet de begeerte blijven groeien, zich uitbreiden en het leven van de mensen verwoesten.’ “
Michel Houellebecq (1999:170-172): Elementaire deeltjes

Houel pres mus-60prct

“Het is niet de schuld van Michel Houellebecq dat zijn nieuwe roman Soumission (Onderwerping) in Frankrijk verscheen op de dag [7 januari 2015] dat fanatieke fundamentalisten de redactie van een satirisch tijdschrift afslachtten,” schrijft Jan Techau.
Over schuld zal ik het niet hebben, en Soumission heb ik nog niet gelezen, maar ik kan me levendig voorstellen dat de aanval door die twee moordenaars op het satirische weekblad Charlie Hebdo, beter in Soumission beschreven had kunnen worden dan in werkelijkheid uitgevoerd zoals gebeurd. Dat “de” moslims boos zijn op Houellebecq vanwege zijn boek kan ik me ook voorstellen. Tenminste, indien ik de samenvatting van Techau juist begrijp. Immers, volgens Techau eindigt Soumission ermee “dat de hoofdpersoon – een vertegenwoordiger van de vermoeide, middelmatige westerse elite – stilletjes gelukkig is omdat hij zich, na een minimaal verzet, niet meer hoeft te bekommeren om de druk die het moderne leven op hem legt.”
In dat geval zou alles dus voor niets zijn geweest en blijken de fundamentalisten net zo impotent als de westerse politici die zij middels hun jihad hebben onttroond en vervangen. Hun godsdienstige ideologie slaagt er evenmin in om Nietzsches laatste mens tot nieuw leven te wekken (zie voor een beschrijving van deze laatste mens, op internet, de voorrede tot Zarathustra).

Ik citeer Techau: “Soumission beschrijft een Franse samenleving die op instorten staat. Een charismatische moslimpoliticus is de populairste leider geworden, zijn partij is geleidelijk in aanzien gestegen en heeft de uitgeholde centrum-rechtse en centrum-linkse groeperingen weggedrukt. De Franse republikeinse elite besluit deze nieuwe kandidaat te steunen bij de presidentsverkiezingen van 2022 om te voor- komen dat Marine Le Pen, de populistische kandidaat van het extreem-rechtse Front National, de hoogste positie in het land zal opeisen. De nieuwe man wordt verkozen, en wat dan volgt is een verwrongen nieuwe Franse revolutie, ditmaal onder de vlag van de islam.

De invoering van islamitische, en zelfs fundamentalistische, idealen in de Franse maatschappij leidt tot een forse draai richting conservatisme; universiteiten en hogescholen worden verkocht aan Arabische sjeiks, en bekering tot de islam is een vereiste voor wie zijn baan bij de overheid wil houden. De plot is heel gewiekst en verleidelijk, niet alleen omdat hij inspeelt op de angsten die onder grote delen van de bevolking leven (een aspect dat het boek op een lading kritiek van de politiek correcte voorhoede is komen te staan), maar ook omdat het haarfijn de subtiele onderstromen bloot legt in het debat dat in het Westen wordt gevoerd over normen en waarden.

Ditmaal verbindt Houellebecq de onvermijdelijke politieke consequentie aan zijn kritiek op de vermoeide, decadente westerse cultuur.
Het Westen komt aan zijn eind, de politiek sterft af, de normen en waarden worden verworpen en de principes keren zich tegen zichzelf. Maar het eindigt niet met een tumultueuze botsing van beschavingen. Het eindigt ermee dat de hoofdpersoon – een vertegenwoordiger van de vermoeide, middelmatige westerse elite – stilletjes gelukkig is omdat hij zich, na een minimaal verzet, niet meer hoeft te bekommeren om de druk die het moderne leven op hem legt.” [einde citaat] peur sur la france_2 Indien Techau Soumission correct samenvat (voor zover dat al mogelijk is in zo’n kort bestek) en ik hem correct lees, slaan ook de fundamentalistische moslim-hervormers geen deuk in een pakje boter en zijn we met ons allen reddeloos verloren; als lemmingen dringen we massaal, globaal en integraal naar de onvermijdelijke afgrond. In ieder geval maak ik er tot dan maar het beste van. Dat doe ik ondermeer door andere profeten te lezen, bijvoorbeeld de Sloveen Slavoj Žižek, die onderhoudend schrijft en altijd goed blijft voor verrassende inzichten en nieuwe invalshoeken van waaruit je de problemen des levens kunt beschouwen en desgewenst re-framen.

Zo lees ik bij Žižek (2011:86) dat de fundamentalisten ons niet eens zouden kunnen bekeren, omdat ze “al zijn zoals wij, dat ze heimelijk onze normen al verinnerlijkt hebben en zichzelf daaraan meten.” Verrassend genoeg  – en dat vind ik het verfrissende aan Žižek – neemt hij twee regels verder meteen terug wat hij zegt, want wat volgens hem “de fundamentalisten werkelijk ontberen is paradoxaal genoeg een dosis van dat echte ‘racistische’ geloof in de eigen superioriteit.”

Gelukkig, ze zijn dus nog niet helemaal volmaakt, er valt toch nog iets te verbeteren. Alleen, de amish en tibetaanse boeddhisten erbij halen als voorbeelden van zuivere fundamentalisten in vergelijking tot de islamisten, vind ik slordig, want vergelijken van appels en peren.
De amish en de tibetanen zitten in hun eigen territorium en hebben geen geschiedenis van kolonisatie en gastarbeiderschap. Nu China Tibet heeft ingelijfd weet ik niet of die boeddhisten daar nog zo onverstoorbaar zijn als Žižek beweert. Een vietnamese (theravada) boeddhist stak zichzelf als protest in brand, 1963. Okay, hij nam geen andere mensen mee de dood in, maar effen en onaangedaan vind ik het allerminst.

zizek geweld_15prct gefopt met dooie mus
Als ik doorborduur op wat Žižek poneert, dan zou ik kunnen bedenken dat die fundamentalisten zo pisnijdig zijn, omdat ze – onze normen verinnerlijkt hebbende en zich daaraan metende – tot de ontdekking komen dat, 1) wij ons al lang niet meer aan die waarden en normen oriënteren en 2) dat wij hen, omdat zij zo naïef zijn dat wel te doen, eigenlijk maar sneue losers vinden.
Die fundi’s voelen zich zwaar bekocht omdat ze zich door ons een kat-in-de-zak blijken te hebben laten aansmeren, hoe je het ook wendt of keert: zij kunnen nooit winnen en zullen nooit worden als wij. Dus beginnen ze maar voor zichzelf, een heus kalifaat.

Ze zijn niet jaloers op ons, maar ze misgunnen ons te genieten van wat wij hebben – en zij blijkbaar niet, zonder te weten wat dat is – en daarom, zegt Žižek als ik hem goed begrijp, is er hier geen sprake van jaloezie of afgunst, maar moeten we van ressentiment spreken: zij kunnen het simpelweg niet hebben dat wij genieten. Waarvan wij genieten, dat weten wij net zo min als zij. Ik weet het eerlijk gezegd zelf ook niet helemaal: waar geniet ik nou 24/7/365 van? Het hóórt wel.

In ieder geval is Žižek (De Groene, 22.01.2015:26) van mening dat de aanslag op Charlie Hebdo niet mag worden beschouwd als een “ ‘gruwelijk voorval van voorbijgaande aard’. Deze aanslag volgde een zeer precieze religieuze en politieke agenda, en maakte als zodanig deel uit van een veel groter patroon. Uiteraard moeten we niet overreageren, als daarmee althans wordt bedoeld dat we niet ten prooi mogen vallen aan blinde islamofobie – maar we moeten dit patroon wél meedogenloos analyseren.” Let wel: we moeten hen meedogenloos analyseren, niet onszelf, maar vooral hen.

“Feitelijk is het gevoel van angst en wantrouwen tegenover de islam in alle westerse landen aanwezig, maar het modelleert zich en wordt beleefd volgens de geijkte voorstellingen van de politieke cultuur van elk land afzonderlijk. De choquerende elementen zijn van land tot land totaal verschillend, maar ieder land schrijft de islam een essentie toe die anders geaard is dan die van de westerse cultuur, hetgeen een enigszins paradoxaal element inbrengt: de islam wordt om de meest uiteenlopende redenen afgewezen maar tezamen vormen die redenen een soort negatieve Europese identiteit.”
Olivier Roy (2006:43): De islam en de scheiding van kerk en staat

Wat mij aan menige ‘analyse’ aan de hand van de aanslag van 7 januari irriteert en ongemakkelijk maakt, is het gevoel dat mij door zogenaamde experts wordt opgedrongen en door autoriteiten aangepraat onze manier van leven maar beter kritiekloos goed te vinden, omdat zij – de slechteriken dus – ons onze manier van leven blijkbaar misgunnen. Niet miezen en mauwen: dan doen wij het dus per definitie buitengewoon goed.
Dat is net iets subtieler dan wat ik de laatste tijd vaak om me heen hoorde: reken maar dat de politici deze aanslag goed uitkomt, zij spinnen er garen bij, want het klootjesvolk is weer bang en heeft een externe vijand, zodat de aandacht van het politieke geklungel wordt afgeleid. Nu kunnen ze ons weer afknijpen, want wij hebben de politici nodig voor onze veiligheid. Paradoxaal en ergerlijk genoeg is wel dat hun incompetentie de omstandigheden schept die hun werk verschaft, omdat het gros van de massa naar hen opkijkt om raad en leiding. CH_houel 30prct

meedogenloze analyse
Ik vind Žižek daarom zo verfrissend schrijven, omdat hij mij door zijn stellingnamen en formuleringen vaak automatisch verleidt tot het stellen van een tegenvraag. Als hij zegt dat wij de fundamen­talisten meedogenloos moeten analyseren, denk ik meteen: waarom onszelf niet even meedogenloos geanalyseerd? Wat is er zo benijdenswaardig aan onze leefwijze en de manier waarop wij onze planeet inrichten en uitbaten, dat het hen tot razernij brengt? Althans volgens schrijvers als Žižek en een Pascal Bruckner (in Trouw 17.01.2015).
Hoe weten Žižek en Bruckner overigens zo stellig dat “de” islamisten ons onze manier van leven en met deze planeet omgaan zo benijden? Hebben ze dat van die islamisten persoonlijk te horen gekregen of nemen ze dat maar voor gegeven aan?

Stel dat we onszelf aan zo’n meedogenloze analyse zouden onderwerpen als die Žižek voorstaat om op de terroristen los te laten. Wat zouden we kunnen ontdekken? Dat onze democratie is uitgehold en dat we feitelijk zijn uit- en overgeleverd aan naamloze, anonieme financiële conglomeraten die mondiaal de dienst uitmaken en aan de touwtjes trekken, terwijl onze politici niet meer zijn dan ledenpoppen en schmierende toneelspelers? Dat wereldwijd oligarchen (inclusief arabische en chinese) de zaakjes bekokstoven en onderling bedisselen? Dat zo’n “kredietcrisis” evengoed onderdeel is van een mondiaal business plan om ons – het klootjesvolk – stelselmatig uit te melken, te beroven en structureel in angstige onzekerheid te houden.
Zouden we ooit tot zo’n inzicht kunnen geraken? Zouden we het onder ogen durven zien? Zou dat niet al te pijnlijk, zelfs onverdraaglijk, zijn? Zouden onze vrije media dat durven erkennen en mogen beschrijven? Ik vraag het me af. Žižek schrijft – om in zijn vakjargon te spreken – een ‘inzichtgevende therapie’ voor als het om de islamisten gaat, maar zouden wij zo’n behandeling kunnen verdragen. Is onze ego-sterkte daar robuust genoeg voor? Wat wij gewoonlijk krijgen is hooguit een ‘ondersteunende therapie’, dus: een pappen-en-nathouden-behandeling.

complotdenken
Indien we de islamisten aan een meedogenloze analyse onderwerpen, dient dat om een satanisch complot aan het licht te brengen en hen als immorele baarlijke duivels aan de kaak te stellen. Iedereen die de financiële biotoop aan zo’n meedogenloze analyse zou onderwerpen – gesteld dat we die kans überhaupt zouden krijgen – die wordt vermoedelijk binnen de kortste keren  weggezet als gevaarlijke complotdenker en wanneer zo’n analist te dicht bij het deksel van de beerput kwam, zou hij hoogstwaarschijnlijk ‘’geneutraliseerd’’ worden; misschien letterlijk verzopen in de gier die hij kon ontdekken. Je moet tenslotte onderscheid maken tussen sociale onrust en sociale onrust.

Financiële massavernietigings-wapens zaaien een heel ander soort verderf en brengen een totaal ander soort naargeestigheid met zich. Een beschaafde, juridisch formeel gelegaliseerde en politiek gefaciliteerde welteverstaan.
Waarom worden klokkenluiders als Edward Snowden, Bradley Manning, William Binney en Thomas Drake zo keihard meedogenloos onder de grond geschoffeld? Wiens belangen bedreigen zij vooral?
Waarom trekken zo veel jongelui uit ons paradijs naar de slagvelden in Syrië (zie bijvoorbeeld recent Sarah Birke in de NYRoB)? Wat hopen ze er te vinden dat ze in ons luilekkerland blijkbaar niet kunnen krijgen? Meet Žižek niet met twee maten als hij het heeft over de Oekraïners (“Barbarism with a human face”) en de islamisten?

‘’[D]at veel dingen in deze wereld om seksualiteit draaien, of preciezer gezegd om begeerte, daar was ik net zozeer van doordrongen als ieder ander …… seksualiteit werd misschien, zoals zoveel dingen en bijna alles in deze wereld, overschat; misschien was het een list, bedoeld om de wedijver tussen mannen en de omloopsnelheid van het geheel op te voeren. Misschien ging er in seksualiteit wel niets meer schuil dan in een lunch bij Taillevent of een Bentley Continental GT.’’
Michel Houellebecq (2006:159): Mogelijkheid van een eiland

pornografie & psychoanalyse
Slavoj Žižek heeft doorgeleerd voor psychoanalyticus, dus als hij het over analyses heeft, is het niet gek ook aan psychoanalyse te denken. Vreemd dat niemand die slechte pornografische afbeeldingen, die voor satire moeten doorgaan, in verband brengt met nauw verholen seksuele aberraties bij de tekenaars. Waarom vergasten zij ons op zoveel vaak erbarmelijk slecht-getekende pornografische prenten van er als arabieren uitziende harige wezens en komen ze ermee weg ons dat als satire te verkopen? Vanwaar deze cartoonisten-obsessie met kinky sexualiteit, die vaak aan schier ziekelijk racisme lijkt te raken? Zit er niet iets fundamenteel fout bij die jongens? Me dunkt dat het voor een psychoanalyticus als Žižek gefundenes Fressen moeten zijn?

“Steunend op een massale niet-aflatende immigratie versterkte het mohammedanisme zijn positie in de westerse landen bijna in hetzelfde tempo als het elohimisme; het richtte zich in de eerste plaats op de bevolkingsgroepen van Maghrebijnse en zwart-Afrikaanse afkomst, maar kende toch ook een toenemend success bij de ‘rasechte’ Europeanen, dat volledig toe te schrijven viel aan het machismo dat de godsdienst uitdroeg.”
Michel Houellebecq (2006:306): Mogelijkheid van een eiland

anti-semitisme
Via racisme en psychoanalyse kom je vanzelf bij anti-joodse gevoelens (anti-semitisme is niet zo’n goede term, omdat arabieren etnisch gesproken immers ook semieten zijn). Kan het zijn dat deze bizarre cartoons en hun obsessieve makers evengoed geduid kunnen worden met behulp van wat in de psychoanalyse ‘verschuiving’ heet? Verschuiving is een verdedigingsmechanisme waarbij de (agressieve) impuls (anti-joodse sentiment) niet wordt afgeweerd, maar de uiting van de impuls tegenover een ander object wordt geuit. Op anti-semitisme (in de zin van anti-joodse gevoelens) rust zo’n zwaar taboe dat die uiting wel moet worden verschoven naar anti-vreemdeling en anti-moslim. Psychoanalyticus Žižek moet hierover toch interessante gedachten en theorieën in petto hebben?  Rabelais_80prct

receptie van ‘Soumission’
Houellebecq zal met zijn boek ongetwijfeld opnieuw open deuren intrappen, maar wat worden we daar behalve een ongetwijfeld goed geschreven en boeiend boek, wijzer van? Wat je ermee doet, hangt immers
af van je wereldbeeld, intellectuele bagage en interpretatiekaders.
Last but not least: bij de receptie van een roman speelt het sociopolitieke klimaat, de maatschappelijke atmosfeer, een zeer belangrijke rol.

Houellebecq lezen, zo bedacht ik onlangs, voelt soms als ronddolen een lunapark dat door Rabelais zou kunnen zijn geïnspireerd en ontworpen, om vervolgens door Jan Steen en Jeroen Bosch ge-photoshopped te worden, terwijl ze alle vier een flink stuk in de kraag hadden. Citoyenquatre.

“Gezien het heersende sociaaleconomische systeem, en vooral ook gezien onze filosofische uitgangspunten, is het duidelijk dat de mensheid op een catastrofe afstevent, die we elk moment kunnen bereiken en die verschrikkelijk zal zijn; feitelijk is het al zover. Het individualisme leidt noodzakelijkerwijze tot moord en ellende. Het enthousiasme waarmee we dat verlies begroeten is opmerkelijk, echt heel curieus. De geleidelijke ontbinding, in de loop der eeuwen, van de sociale familiale structuren, de toenemende neiging van individuen om zichzelf te zien als geïsoleerde deeltjes die onderworpen zijn aan de botsingswet, als tijdelijk samenklonteringen van kleinere deeltjes …. dat alles maakt elke politieke oplossing uiteraard onmogelijk.”
Michel Houellebecq (2004:151): De koude revolutie


LITERATUUR
etcetera:

Jan Techau (2015): “Het Westen zal zich vooral onderwerpen aan zijn kleinzielige zelf” / Volkskrant 29.01.2015 / http://www.volkskrant.nl/opinie/het-westen-zal-zich-vooral-onderwerpen-aan-zijn-kleinzielige-zelf~a3839605

Michel Houellebecq (1999/1998): Elementaire deeltjes / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 2156 2 (hbk)

Michel Houellebecq (2004/1991): De koude revolutie / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 2257 7 (hbk)

Michel Houellebecq (2006/2005): Mogelijkheid van een eiland / Amsterdam: Arbeiderspers / isbn: 90 295 6274 9 (hbk)

Slavoj Žižek (2011/2008) : Geweld / Amsterdam: Boom / isbn: 978 90 8506 749 8 (pbk); vertaling uit het engels. In De Groene Amsterdammer staat een stuk dat grotendeels is samengesteld uit teksten in Geweld en passages die ook zijn te vinden in een artikel uit de London Review of Books (googelen op Žižek).

Olivier Roy (2006/2005): De islam en de scheiding van kerk en staat / Amsterdam: Van Gennep / isbn: 90 5515 647 7 (pbk); vertaling van La laïcité face à l’islam / Paris: Hachette / isbn: 2.01.279280.4

Olivier Roy (2004/2002): Globalised Islam. The search for a new ummah / London: Hurst / isbn: 1-85065-598-7 (pbk); ook dit boek is bij Van Gennep in vertaling uitgebracht

Olivier Roy http://www.trouw.nl/tr/nl/4496/Buitenland/article/detail/3680650/2014/06/29/Olivier-Roy-Djihadisten-in-Europa-zijn-eenlingen.dhtml

Sarah Birke (2015): How ISIS Rules / New York Review of Books / February 5 – 18; vol. LXII, nr.2, pp. 26-28

David Bromwich (NYRoB, 2014:4,6 ), bespreekt een documentaire over Snowden (Citizenfour) waarin de laatste mens treffend wordt beschreven met het zinnetje: “ … otherwise judicious persons who want to get on with their business head-down and not be bothered.”

Pascal Bruckner: “Dit is een oorlog tegen onze vrijheid” interview in Trouw, 2015, januari 17

 

INTERESSANT om in dit kader ook te lezen:

Abram N. Shulsky: Gebiert der Liberalismus seine ideologischen Gegner selbst? in Internationale Politik 6, November/Dezember 2014, S. 114-123

“Es ist dem ‘Sieg’ des Liberalismus etwas Bemerkenswert zu eigen: Ihm sind in den zwei Jahrhunderten seiner Geschichte trotz seines relativen Erfolgs beständig Gegner entstanden. … Bei allen Unterschieden einte diese ideologischen Gegenbewegungen ein gemeinsames Gefühl: Dass die besondere Bedeutung, die der Liberalismus dem Eigeninteresse des Einzelnen im Gegensatz zum Gemeinwohl zuweist … ihm etwas Unedles verleiht. Dass er potenziell oder tatsächlich Ungerechtigkeit, auβerdem Choas oder sogar Anarchie Voorschub leistet – auf jeden Fall aber die Gesellschaft schwächt.   ……
[W]enn das Konzept der liberalen Demokratie überhaupt eine Bedeutung hat, dan doch wohl die, dass der Glaube als Privatangelegenheit zu gelten hat, aus der sich der Staat so weit wie möglich heraushalten soll. Die Fähigkeit des Islam dagegen, groβe Mengen von Anhängern zu mobilisieren, scheint auf der genau entgegengesetzten Auffassung zu beruhen.   …….
Auf diesem Hintergrund können wir auch den Islamismus besser verstehen – als eine von vielen ideologischen Bewegungen gegen den Liberalismus. Im Unterschied zu den anderen Gegenbewegugen jedoch nimmt der Islamismus eine göttliche Legitimation für seinen Opposition in Anspruch.  …. “

Shulsky’s artikel zwaluwstaart mooi met een bespreking door Guillaume Boccara van twee boeken van Jean-Loup Amselle, in L ‘Homme no. 211, 2014 141-156: Pour une anthropologie du capitalisme différentialiste.

Ik attendeer op noot 6 (p. 146), die aandacht besteedt aan het werk van de antropologe Andrea Muelebach.
Zowel Shulsky als Boccara/Muelebach behandelen een thema (centri-fugale versus centri-petale tendensen en ‘politiek-financiële manoeuvres/manipulaties’ die daarop gericht lijken) dat voor ‘het project Europa’ van vitaal belang is. Kort door de bocht samenvattend, immers: Europa is enerzijds een neo-liberaal project van ieder-voor-zich en graaien-wat-je-kunt, terwijl ons tegelijkertijd chanterend ingewreven wordt dat we solidair (in een héél aparte betekenis van het woord ongetwijfeld: het draait altijd uit op betalen, maar aan wie we betalen en waarvoor, wordt nooit echt duidelijk) moeten zijn met lidstaten als Griekenland, Spanje en meer “globaliserings- en moderniserings-losers”). De resulterende spanningen worden min of meer gekanaliseerd en frustraties worden afgewenteld, door vijanden te creeëren, desnoods middels provocatie, zoals door en via Charlie Hebdo gebeurde – zo kun je het proces tenminste naar mijn overtuiging ook framen – hetgeen resulteerde in de bekende uitbarsting op 7 januari. Wie spinnen garen bij zo’n verziekte maatschappelijke situatie en wie varen en wel bij zo’n naargeestige leefsfeer?
Bij Muelebach en Boccara komt onder andere een vergelijking tussen Afrika en Latijns-Amerika aan de orde: Afrika > secessies en bloedige strijd, versus Latijns-Amerika, met overheersend de vrees voor balkanisatie en de natiestaat als politiek concept. Heeft dit wellicht te maken met welke koloniale mogendheden de respectieve continenten destijds vooral koloniseerden en de respectieve invloeden / mentaliteiten / overgeërfde staatsinrichtingen, de politieke infrastructuur, die daaruit voortvloeiende nog steeds werkzaam zijn? Belangrijk is vanzelfsprekend ook hier de vraag wie vandaag de dag belang hebben bij onderlinge wedijver en oorlogen tussen naties/staten……

Tariq Ali on ‘Charlie Hebdo’ / ‘It didn’t need to be done’ London Review of Books, Vol. 37 No. 3 · 5 February 2015

Ik citeer uit de LRoB: “In the week following the atrocities, a wave of moral hysteria swept France. ‘Je suis Charlie’ became almost obligatory. The Hollande/Valls message was simple: either you were for the magazine or for the terrorists. Quite a few, now as in 2001, were for neither.   ……….

Slowly, a more critical France is beginning to speak up. An opinion poll two days after the big march revealed a divided country: 57 per cent were ‘Je suis Charlie’s, but 42 per cent were opposed to hurting the feelings of minorities. Some of the latter might have been thinking of the blanket publicity for Michel Houellebecq and his new novel, Soumission, on TV and in print in the week preceding the attack on the magazine. Those with longer memories might have recalled Houellebecq’s statement in 2001, which laid the basis for the title of his latest offering: ‘Reading the Quran is a disgusting experience. Ever since Islam’s birth it has been distinguished by its desire to make the world submit to itself. Submission is its very nature.’
Replace the Quran with the Old Testament and Islam with Judaism and you would be locked up in France today, as some have been, including a 16-year-old schoolboy who parodied Charlie Hebdo. A satirical magazine, it appears, cannot be satirised. …….

David Cameron and other Western leaders insist, as they do after every outrage, that the problem is radicalised Islam and therefore the responsibility lies within the religion. (Why was Catholicism never blamed for the IRA offensives?)
The real problem is not a secret: Western intelligence services regularly tell their leaders that the radicalisation of a tiny sliver of young Muslims (more work for the security services in Britain and France than for al-Qaida or ISIS) is a result of US foreign policy over the last decade and a half. Some of these Muslims have been happy to acquire new skills and priorities while fighting in Bosnia and, more recently, Syria.”

Marijn Kruk: Jihadisten van eigen bodem in Knack nr. 4; 2015: 68-73

 
Leave a comment

Posted by on februari 1, 2015 in Uncategorized

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,