RSS

Tag Archives: W.F.Hermans

Geslagen hond en visiefobie

 

 

‘ Wanneer je een hond keer op keer slaat, routinematig zonder duidelijke aanleiding, wordt het beest geheid vals,’ zegt Laure, ’wanneer je als politici de kiezers keer op keer voor de gek houdt, fopt en op het verkeerde been zet, idem dito, die kiezers worden vals en gaan naar kuiten happen.
Philippe Gautier, de hoofdpersoon uit de roman van Thierry Baudet, draagt littekens van een jeugdtrauma met zich mee: zijn vader placht hem als kind met de riem af te tuigen. Gautier gaat niet de politiek in, maar compenseert, sublimeert, zijn pijn door Kunst. En hij gebruikt zijn echtgenote Sylvia, hun dochter en zijn minnares Davide, die hij letterlijk verkleint, verkinderlijkt, infantiliseert, door ze diertje te noemen, dus klein dier. Een vrouwelijke driehoek – dubbelzinnig nietwaar? – die hij zowaar in en uit elkaar kan schuiven, zodat ze soms samenvallen. Let wel: ik heb Baudets novelle nog niet gelezen, maar baseer me vooral op de bespreking van Saskia Pieterse uit de Groene Amsterdammer. ’

Semanur: ‘Gaat de novelle Van elk waarheen bevrijd van blitzkikker Baudet volgens jou daarover? Over valsgemaakte kiezers? Maar als kiezer wil je juist graag weten waar jouw volksvertegenwoordigers heengaan, daarom stem je op partij X, A, of Z en niet op een andere partij. Iedere partij prijst immers een ander “waarheen” aan, maar niet heus. Hier dus via Rilke ironie. Heerlijk toch dat je een boek mag en kunt lezen zoals je dat zelf wil – en kunt, natuurlijk! Hetzelfde geldt voor cartoons. De maker kan er nog zo veel mee bedoelen, maar als beschouwer maak ik er zelf wat van. Zodra een cartoon of een boek is gepubliceerd, leidt het een eigen leven.
Zeg, zou de visie-fobie van VVD’er Mark Rutte uit zijn jeugdervaringen zijn te verklaren, op jeugdervaringen zijn te herleiden? Heeft zijn moeder misschien vroeger zijn dag, week, jaar altijd helemaal uitgestippeld, heeft ma zoon haar visie opgelegd en protesteert Rutte als vijftigjarige daar nog steeds tegen? Is Rutte bezig zijn moeder te behagen, rebelleert hij tegen haar, of wil hij zijn “afwezige vader” plezieren, misschien vervangen bij zijn moeder? Of een combinatie van alles? Ruttes beruchte woedeaanvallen, waar zijn die op terug te voeren? Jeugdtrauma’s die verharden, transformeren, vergroeien, tot neurosen, kunnen verhipte hinderlijk zijn. Gelukkig voor hem leeft Rutte in een tijdperk van de hyper-theatrale politiek en kan hij zijn ei daarin kwijt. Ziezo, dat was amateur-psychoanalyse in kort bestek.

O ja, die narcistische cirkel van Sarah Kofman waarover Pieterse het heeft? Hoe zie je dat in deze context?’

Laure: ‘ Ik laat het narcisme nu in de coulissen en breng de cirkel en de driehoek – een vierkant, met Philippe erbij – in verband met een Pavlov-experiment met honden: hoe maak je honden kierewiet. Wat deed Pavlov, hij confronteerde een hond afwisselend met een vierkant, dus rechte hoeken, en een cirkel, geen hoeken. Bij de cirkel kreeg de hond een stuk vlees en bij het vierkant een stroomstoot. De hond ging na een tijdje ook zonder vlees kwijlen bij het zien van de cirkel en janken bij het vierkant, ook als hij geen stroomstoot kreeg. De hond was geconditioneerd.

Toen maakte Pavlov de cirkel steeds vierkanter en het vierkant steeds ronder. Je kunt vast al raden wat er met de hond gebeurde: die wist op een bepaald moment niet meer wat zij kon verwachten, want cirkel en vierkant gingen immers steeds meer op elkaar lijken. De hond werd dus compleet gestoord.’

‘ Aha, ik denk dat ik ‘m snap,’ zegt Semanur, ’ de kiezer van nu weet niet meer wat zij eigenlijk kiest, want alle politieke merken lijken op elkaar. Ze worden via marketing technieken gedifferentieerd om zogenaamd diverse segmenten van de kiezersmarkt te bedienen en stemmen te scoren, maar in feite is het een grote nep. Er valt niet meer te onderscheiden, te discrimineren, tussen cirkels, ovalen, rechthoeken, driehoeken, vierkanten. De burger wordt voortdurend op het verkeerde been gezet door sleeze and spin en dus raakt de gedesoriënteerde burger op drift, wordt psychisch uit balans gebracht.

Op zo’n manier een boek lezen is veel leuker dan op de conventionele manieren. Zeker wanneer zo’n boek door een politicus als Thierry Baudet is afgescheiden. Baudet gebruikt trouwens het klassieke recept: geef de protagonist een akelige jeugd mee, waaruit de lezer zijn gedrag als volwassene kan verklaren. De tekening van Joep Bertrams is spot on: achteruitkijkspiegels. Leer van het verleden en zie vooral je eigen rugzakje onder ogen. Dus niks reactionaire politiek.
Ach, vergelijk het met Henri Osewoudt uit Hermans’ Donkere kamer van Damocles. Henri heeft een zeer getroubleerde jeugd gehad, inclusief een bijna-incesteuze relatie met zijn nicht, Hermans voorziet hem van een afstotend uiterlijk. Henri Osewoudt weet eigenlijk niet wie hij is. Hermans zet de lezer voortdurend op het verkeerde been met persoonsverwisselingen en spiegels. De lezer raakt met het personage het spoor bijster. Aan het einde weet je zelfs niet of het wel echt Osewoudt is die doodgeschoten wordt.’

Laure: ‘ Deze Baudet speelt op veel verschillende registers: hij speelt schaak, maakt muziek, schrijft romans, doet aan hedendaagse politiek en staat zelfingenomen nomenklatoeristen het jak uit te vegen. Een veelzijdig mens met een multipele persoonlijkheid? Dat is voor de gemiddelde Haagse plucheklever nauwelijks te volgen. Die sluiten zich aaneen en gaan keffen en janken. Voor de media geldt hetzelfde. Die moeten hele andere invalshoeken en frames uit de kast halen, dus ze moeten echt aan het werk, en dat vinden ze lang niet altijd leuk. Routine-duidingen volgens routine-frames en -modellen zijn natuurlijk veel gemakkelijker.

Ik denk er heel hard over om straks op meneer D.J. Eppink van het FvD te stemmen voor de Europese verkiezingen, omdat ik vóór Europa ben, maar tégen deze vorm van EU en ik wil het instituut van referendum terug, want de representatieve democratie werd gemaakt voor een heel ander soort politicus dan nu op het pluche fladdert en klautert. Deze types moet je niet eens per vier jaar legitimeren zonder ze tussenrapporten te kunnen geven. Dat geldt op ieder niveau: landelijk, maar ook bij de gemeenteraden. De kiezer moet worden getraind in, vertrouwd gemaakt met en opgevoed in het hanteren van referenda, net als met de Zwitsers is gebeurd. Dus niet weer plompverloren een referendum in de plas pleuren, de boel de soep in zien draaien en dan zeggen: zie je wel, het voldoet niet.
Kijk naar Amerika. Het is maar de vraag of de Amerikaanse instituties tegen het vandalisme van een Trump bestand zullen blijken. Die instituties werden voor heel andere en inmiddels achterhaalde types politici in elkaar gestoken. Zullen ze vandal-proof blijken?’

Semanur: ‘ Van de recensies die ik van Baudets novelle heb gelezen, vind ik die van Pieterse en Thomas de Veen (de flaneur en de fallische bakkunst) de meest interessante. Misschien heb ik enkele recensies gemist hoor, maar deze twee heb ik met aandacht gelezen. Vooral die van Saskia Pieterse. Thomas de Veen maakt zich er iets te makkelijk vanaf vind ik.

Misschien ga ik de novelle lezen en kunnen we hem parallel aan Hermans’ Damocles en Vestdijks Anton Wachter ontleden? Hoewel Anton Wachter natuurlijk wel een hele kluif is, maar we kunnen Mohammad vragen om het deel voor deel voor ons verklarend samen te vatten en dan een of twee delen zelf lezen?

In ieder geval ga ik op de FvD stemmen, straks bij Europa en over twee jaar bij de Kamerverkiezingen, want deze routinematige sloop van onze maatschappij door neoliberale nitwits en half-wits moet hoe dan ook gestopt worden.’

Laure: ‘ O ja. Bijna vergeten. Natuurlijk Paul Scheffer hè. Nu weer, met dat laatste stuk van hem in de NRC. Scheffer is voor ons zo vanzelfsprekend, redelijk en logisch normaal in zijn diagnose en receptuur dat hij voor mij intussen vanzelfsprekend is. Daardoor wordt hij door de politieke nomenklatoera en de horige media schromelijk veronachtzaamd. Helaas voor ons.

Wij stemmen voorlopig dus FvD.’

 

 

 

Franz Schubert – Who is Silvia ? – The King’s Singers

Schubert – An Sylvia – Fischer-Dieskau / Moore 1957

 

 

 

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De speld en de hooiberg: ‘Fehlleistung’, falsificatie en fjelljo. Over ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans

Jerry Mager – maart 2016

citaten LWitt_WFH

Waarom begint Alfred Issendorf, de 25-jarige hoofdpersoon uit de roman ‘Nooit meer slapen ’ van W.F. Hermans, in hemelsnaam aan een onderneming die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, bij voorbaat tot mislukken gedoemd lijkt? Omdat hij protagonist is in een Hermans-verhaal. Dan staat mislukking van te voren vast en zit het leesplezier hem in het ontdekken hoe Hermans de fiasco’s in elkaar steekt, hoe hij de mislukking gestalte geeft en het falen dwingend en aannemelijk construeert.

Nooit meer slapen is echter vooral de beschrijving van een ideaaltypische freudiaanse Fehlleistung (lapsus, parapraxis). Dat wil zeggen: ‘Een handeling waarbij het beoogde doel niet wordt bereikt, doordat het onbewuste storend tussenbeide komt.’ Ik citeer uit het registerdeel elf van de Boom-uitgave uit 2006. Het komt neer op onbewust zelfsaboterend gedrag.
Wie de roman meerdere keren grondig gelezen heeft – en W.F. Hermans vereist vooral close reading – moet concluderen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat hoofdpersoon Alfred Issendorf in een niet-fictieve werkelijkheid zou beginnen aan zijn wetenschappelijke avontuur in Finnmark, Noord-Noorwegen, binnen de randvoorwaarden die de schrijver stelt.
De grootste makke in de roman is het feit dat Alfred zijn onderneming doorzet zonder ooit de relevante luchtfoto’s van Finnmark onder ogen te krijgen. Dat wordt op den duur onwaarschijnlijk. Hoe problematisch Alfred psychologisch ook in elkaar zit. Hermans doet het echter uiterst gewiekst. Daarom lezen we geboeid verder. Hermans maakt Alfred’s Fehhleistung blijkbaar erg aannemelijk, want herkenbaar voor de meeste lezers.

Zelfs onder het bizarre pathogene regime van outputfinanciering dat tegenwoordig in Nederland vigeert en ons onderwijs gestaag erodeert en onherroepelijk uitholt, is een expeditie als door Arne wordt ondernomen, ongeloofwaardig. Sibbelee kan dan nog zo’n scoringsbeluste labbekakpromotor zijn, die met zo min mogelijk werken zo veel mogelijk proefschriften van de lopende band wil laten rollen, dit onbekookte avontuur gaat zelfs voor ons huidige naargeestige academische business model nog te ver. Hermans moest zich met Onder professoren revancheren.

Nooit meer slapen verscheen in 1966 en bestaat uit 47 genummerde hoofdstukken die niet al te lang zijn. In totaal beslaat het verhaal  zo’n 260 bladzijden. Omdat de paginering per druk verschilt, verwijs ik naar hoofdstukken middels getallen tussen haken. Verwijzingen naar de bundel Scheppend nihilisme komen als SN tussen haken vergezeld van paginanummer.

De pas afgestudeerde promovendus Alfred gaat proberen om de hypothese van zijn promotor Sibbelee te staven. Sibbelee wil bewezen zien dat sommige van de kratervormige impressies waarmee de bodem van Finnmark in Noord-Noorwegen is bezaaid, zijn veroorzaakt door meteorieten. Hoe Sibbelee aan dit idee komt, wordt niet uit de doeken gedaan. Barringer krater VS
De gangbare verklaring voor de ronde gaten in de bodem van Finnmark is vijftig jaar geleden door de Noorse nestor in de geologie, Ørnulf Nummedal, te boek gesteld: het zijn doodijsgaten, met misschien wat pingo-ruïnes er tussendoor.

Alfred onderneemt de tocht in gezelschap van drie Noorse onderzoekers: Arne Jordal, Qvigstad en Mikkelsen. Jordal en Alfred kennen elkaar al van vroeger contacten.
Waarom begint Alfred Issendorf aan een heilloze onderneming in Finnmark? Omdat zijn moeder Aglaia wil dat hij een briljante wetenschappelijke carrière zal maken en daarmee wijlen zijn vader zal evenaren en liefst overtreffen. Een ambitieuze, eerzuchtige, manipulatieve, moeder, die haar zoon een richting op duwt die hij zelf niet wil, omdat die zoon haar hang naar status moet bevredigen. Dit is de wortel en kern van alle complicaties waarmee Hermans het verhaal heeft volgestopt.

‘Mijn moeder heeft mij opgevoed in het denkbeeld dat ik de carrière die hij niet heeft kunnen afmaken, moet voltooien.’ (16)

Alfred (7) koestert die ambitie niet en zou liefst een gewoon leven leiden: ‘Ik wilde fluitist worden, beroepsfluitist in een groot orkest.’

Dat Alfred zijn moeder haat (27: ‘Op een bepaalde manier haat ik mijn moeder en alles wat zij doet. Het is of zij mij een onuitwisbaar slecht voorbeeld geeft’ ) is niet vreemd. Hoe verknipt moet Alfred echter worden neergezet om aannemelijk te maken dat hij datgene doet wat Hermans hem 47 hoofdstukken lang laat doen? Maakt de schrijver op overtuigende wijze van zijn hoofdpersoon iemand die bijna moedwillig een kapitale Fehlleistung wrocht?

Alfred was liever fluitist geworden, gewoon en deel van een orkest en geen solo-sterspeler, niet per se een groot fluitist. De dood van zijn vader is spelbreker. Aglaia Issendorf fixeert haar ambitie op haar zoon (7): ‘Allereerst had mijn vader niet moeten verongelukken toen ik zeven jaar oud was. Maar als dat niet gebeurd was, zou ik misschien wel helemaal dit vak niet zijn gaan studeren, was ik mogelijk helemaal niet gaan studeren en fluitist geworden. Een groot fluitist? Dat is de vraag. Spijt? Nee. Spijt heb ik al lang niet meer. Als fluitist zou ik mijn vader nooit hebben kunnen wreken, zou ik nooit goed hebben kunnen doen wat hij verkeerd gedaan heeft.’

Blijkbaar heeft Alfred senior iets verkeerd gedaan. Het verhaal gelezen hebbende, kan echter niet anders dan worden vastgesteld dat het enige wat de man volgens Aglaia op zijn kerfstok had, was, dat hij doodviel voordat hij zijn veelbelovendheid ten volle had laten schijnen. Daarmee boorde hij Aglaia de status waarnaar zij haakt, door de neus. Dat manco moet zijn zoon compenseren. Hij moet de briljante wetenschapper worden die zijn vader heeft nagelaten te realiseren.
Aglaia haalt haar gram via de zoon. De vader heeft haar tekort gedaan en de zoon moet dat goedmaken. Een geval van triangulatie: moeder en zoon nemen positie in tegen de (dode) vader, waarbij de moeder de zoon min of meer gijzelt en voortdurend chanteert. Dat belooft  een complex relaas met veel duister drama.

In hoofdstuk 34 verzucht Alfred : ‘Werkelijk, goed beschouwd ben ik niet rijk gezegend met eigenschappen die mij te pas kunnen komen in de geologie. Vergeetachtig. In staat zelfs de weg kwijt te raken die ik goed ken. Onsportief, slecht geoefend. Onleesbaar schrijvend, houterig tekenend. Wat een ellende! Ik doe deze dingen alleen maar omdat ik zo graag wil en niet omdat ze mij vanzelf afgaan. Ik heb alleen mijn uithoudingsvermogen. Ook bezit ik de gave gauw te begrijpen wat er in een boek staat, waardoor ik al mijn examens vlug en heel goed heb afgelegd.’

Alfred is allerminst dom, maar hij zal nooit een briljant geleerde worden. Aan gezond zelfinzicht ontbreekt het hem onder normale omstandigheden niet. Hij zou tevreden zijn met een rustig leven als degelijk middenmoter in het beroep van keuze: fluitist.

De weduwe Aglaia, de trickster in het verhaal, praat haar zevenjarige zoon echter aan (7) dat hij veel ambitieuzer dient te zijn en zij prent hem in dat hij een unicum is, een uitzonderlijk mens: ‘[E]en fluitist mag meestal enkel maar meespelen met een groot orkest. En weet je wel dat je als fluitist in het gunstigste geval toch nooit iets anders doet dan naspelen wat een ander bedacht heeft? Dat argument gaf de doorslag. Ik begon stenen te verzamelen, want bioloog worden, als mijn vader, wilde ik niet. Liever dan fluitist zou ik een geleerde worden.’ Alfred wordt waartoe hij op rampzalige wijze lijkt voorbestemd: neuroot en narcist (7): ‘Niet Prometheus die het vuur ontdekte is de grootste geleerde van de Oudheid, maar Narcissus.’

Uit alles blijkt dat Alfred op het verkeerde pad is. Toch gaat hij als een lemming door op de ingeslagen weg. In hoofdstuk 31 steekt Hermans bijna de draak met zijn personage. Alfred beseft in feite al dat het met zijn expeditie op niets zal uitlopen. Hij heeft in hoofdstuk 30 ontdekt dat Mikkelsen luchtfoto’s bij zich heeft en is ervan overtuigd dat Nummedal zijn student Mikkelsen de luchtfoto’s heeft gegeven die eigenlijk voor Alfred bestemd waren. Misschien zou Mikkelsen zelfs Alfred’s onderzoek willen stelen.
Uit de tekst valt nergens op te maken dat Alfred’s verdenkingen ook maar in het geringste juist kunnen zijn, hoewel Hermans er veel werk van maakt de lezer te verleiden dezelfde conclusies te laten trekken als de geflipte Alfred.
Alfred heeft zonder resultaat de luchtfoto’s van Mikkelsen bestudeerd en spreekt zichzelf toe: ‘Dit is, zeg ik hardop en plechtig, een heel belangrijk ogenblik in het leven van een onervaren jongeman. Ik bevind mij in een situatie waarin mij niets anders overblijft dan dat te doen, waarvan ik vrees dat het verkeerd is. De verkeerde richting ingeslagen, maar het is te laat om terug te keren. Op het verkeerde paard gewed, maar de wedstrijd is al half voorbij. Als ik immers de conclusies trek uit alles wat ik nu geconstateerd en bedacht heb, kom ik tot de slotsom dat ik zo gauw mogelijk naar Nederland terug dien te gaan, dat ik tegen Sibbelee moet zeggen: Het spijt me, professor. Dit onderzoek zal u noch mij opleveren wat we ervan verwachten. Ik groet u.’

We krijgen niet te lezen welk gebied de luchtfoto’s die Mikkelsen bij zich heeft, bestrijken. Logisch gedacht zal het een areaal zijn dat niet onmogelijk ver ligt van de plek waar de vier zich bevinden. Het moet immers zijn te belopen. Arne helpt Alfred bij het bestuderen van Mikkelsens luchtfoto’s (31) en laat daarbij zien dat hij feilloos weg weet met de luchtfoto’s en de geografische landkaart. Indien er hiaten in Mikkelsens foto’s zouden zijn (Alfred vraagt zich wantrouwig af of Mikkelsen hem wel alle foto’s laat zien die hij bij zich heeft) zouden die Arne zijn opgevallen. Op de luchtfoto’s zijn geen aanwijzingen te vinden die op meteoorkraters zouden kunnen wijzen.

In plaats van na deze domper terug te keren naar Nederland onder het motto: beter ten halve gekeerd, blijft onze held hardnekkig met de Noren meehobbelen. Dit lijkt op poriomanie te wijzen. Hermans hing de overtuiging aan dat iedere periode, elke eeuw, zijn eigen dominante persoonlijkheidsstoornis had: ‘ de era van de ontdekkingsreizen stond in het teken van de poriomanen [dwangmatige zwerfzucht, van het Griekse ‘poreia’, reis; een dwangmatig weglopen; jm],  en in onze tijd is de toekomst aan de schizofrenen.‘ (Wittgensteins levensvorm)

Volgens dat adagium zou hij Alfred dan vooral tot schizofreen hebben geboetseerd. Is Alfreds expeditie naar Finnmark echter niet ook deels als poriomanie te beschouwen? Hij blijft tegen beter weten in door de toendra struinen. Hij loopt immers weg van zijn manipulerende moeder, die hij zelfs zegt te haten. Zijn bruuske weglopen van Arne in hoofdstuk 34 valt hiermee ook te plaatsen.
Ik citeer de passage uit 34: ‘Ik pak mijn kompas en bepaal vast in welke richting het zuidwesten ligt. Arne kijkt op zijn eigen kaart en staat op.
– Daarheen! Hij wijst in een richting loodrecht op de richting die ik zojuist bepaald heb.
– Ach kom nou! Daar! Arne zet een gezicht alsof hij zijn lachen niet bedwingen kan en trekt aan het rafelige touwtje zijn padvinderskompasje van plastic uit zijn borstzakje. Ik buk, laad mijn rugzak op en begin te lopen, het kompas nog steeds opengeslagen op mijn linkerhand.
Ik kan mij niet vergissen! Arne zal mij wel achternakomen als het tot hem doordringt dat hij het bij het verkeerde eind heeft.’

In boven geciteerde passage laat Alfred zich niet door Arne (een surrogaatouder, die hem bovendien uitlacht) gezeggen. Hij gooit zijn kont tegen de krib en gaat letterlijk in de contramine: hij loopt precies de andere kant uit dan die welke Arne aanwijst. Op een ‘symbolisch niveau’ kun je in dit weglopen interpreteren als een poging alsnog de mislukte separatie-individuatie (Margaret Mahler; bij Freud ‘vervreemding’) uit de jeugd te forceren – Alfred wil zelfstandig zijn. Zijn separatie van Arne is echter disfunctioneel en zelfsaboterend.

Het vertelprincipe dat Hermans in de roman hanteert is eenvoudig: telkens wanneer het personage onder spanning, stress, komt te verkeren, treedt afweer in werking en schakelt Alfred over op dwangmatig gedrag om de intrapsychische spanning te neutraliseren. In psychotechnisch jargon: het conflict manifesteert zich in een symptoomhandeling (lapsus) waarbij drift en afweer gelijktijdig opspelen. De psychische prikkel wordt afgevoerd door middel van routinematig en repetitief handelen, inclusief fantaserende (dag-)dromen.
Alfreds astrante weglopen is hier een symptoomhandeling die zijn oorsprong heeft in het onbewuste conflict met de moeder.

Tragikomisch is dat Alfred aan de onderneming begint met de bedoeling meteorietkraters te vinden, maar allengs stenen gaat determineren in de hoop op Issendorfiet te stuiten. ‘[I]k wil geen stenen vinden die al eerder op aarde zijn geweest. Ik zou het liefst een meteoriet vinden, een brok afkomstig uit de kosmos en ik zou willen dat het uit een materiaal bestond, dat op aarde nog nooit was aangetroffen. De steen der wijzen, of minstens een mineraal dat naar mij zou worden genoemd: Issendorfiet.’

Hij vervalt in hetzelfde gedrag als zijn vader, die botanicus was en plantjes determineerde. Alfred en zijn vader vallen samen, al viel vader Issendorf vijftien jaar tevoren in Zwitserland dood en is samen vallen in fysiek opzicht strikt genomen dus niet aan de orde. Bovendien wil Alfred zijn vader overtreffen door hem te imiteren. Zou het te maken kunnen hebben met een niet helemaal gelukte separatie-individuatie-fase? Wittgenstein blijft in het verhaal meest onderhuids, maar is wel overal aanwezig.

In dit kader is het aardig om te lezen hoe Hermans het woordje ‘vaak’ angstvallig lijkt te vermijden als hij vertelt (7) dat Alfred zijn geologische kompas van zijn ‘domme’ zusje Eva krijgt, tijdens zijn eerste studiejaar: ‘ Het is een vrij groot instrument, met een nauwkeurige graadverdeling, rechthoekige grondplaat, vizieren, hellingmeter, waterpas en spiegel. Ik klap het open en bekijk mijn gezicht in het spiegeltje. Eva zei, toen ze het mij gaf, dat zij het daarom juist zo’n gek cadeau vond.
Ze zei: – Ik wist niet dat de geologie een wetenschap was, waarbij je voortdurend in de spiegel moet kijken. Toen was ze twaalf jaar, mijn kleine zusje.
Niet alleen is zij de eerste geweest die deze stelling onder woorden bracht: Wat mij betreft had ze zeker gelijk. Ik heb in de loop der jaren het kompas misschien wel tienmaal zo dikwijls uit zijn etui genomen om mijzelf erin te bekijken, als om er metingen mee te verrichten. ‘

(Dit dwangmatig in de spiegel kijken wordt in hoofdstuk 21 saillant onder de aandacht gebracht.)

Wanneer ik deze centrale verhaalpassage voor mezelf in gedachten breng, zeg ik in plaats van ‘voortdurend’ meestal ‘doorlopend’ of ‘vaak’; voortdurend klinkt naar mijn gevoel te onophoudelijk. Waar Hermans schrijft: ‘tienmaal zo dikwijls’, zeg ik: tien keer vaker.
Onlangs bedacht ik echter dat in doorlopend het werkwoord ‘lopen’ zit en dat ’vaak’ de achternaam is van de zandman: Klaas Vaak. In Zuid-Nederland betekent vaak nog steeds slaap: ik heb vaak. Waarom mijdt Hermans volgens mij hier ‘doorlopend’ en ‘vaak’? Omdat Alfred steeds meer gaat strompelen (Oedipus) in plaats van dat hij loopt en omdat je in een roman met de titel Nooit meer slapen liever niet Klaas Vaak in het onderbewustzijn van de lezer moet planten. Zou dit een freudiaantje zijn? Bij wie?

De lezer krijgt in 47 boeiende hoofdstukken de Werdegang van een verknipt personage voorgeschoteld en opgediend. Hermans zet een freudiaanse Fehlleistung neer, die klinkt als een klok. In een interview in 1966 (SN, 95) geeft hij een verdekte hint  dat bij ‘Nooit mee slapen’ een Fehlleistung aan de orde is, maar hij doet dat in de roman tegelijk met een verleidelijke suggestieve afleidingsmanoeuvre achteraf, die impliciet blijft: Alfred’s kompas zou van slag kunnen zijn geraakt (34) vanwege een aardmagnetisch veld (46) dat op een meteoriet zou kunnen duiden. Daarom loopt Alfred weg van Arne en struint hij de verkeerde kant op. Voor zover ik weet, is tot nogtoe iedere exegeet op dat doodlopende dwaalspoor (auf den Holzweg) verdergegaan, om zoals Ørnulf Nummedal Alfred in het eerste hoofdstuk waarschuwt: te gaan zoeken op plaatsen waar niets te vinden is.
Na de expeditie is Alfred’s kompas, net als Arne Jordal, niet meer voorhanden om onderzocht te worden op malfunctioneren, of, in het geval van Arne, bevraagd te worden. Alfred stoot per ongeluk zijn kompas, waar hij letterlijk naar op moet kijken, gebruik makende van het spiegeltje (‘De steen is zo hoog, dat ik het kompas moet aflezen in het rechtop gezette spiegeltje’), per ongeluk in een rotsspleet. Arne valt in het diepe kloofdal. Het kompas kreeg Alfred van zijn zusje, zijn nutteloos geworden horloge van zijn moeder. Dat zijn heel veel rijmende echo’s tegelijk in een hoofdstuk.

citaat SS symptoom en vondeling

symptomen
Hermans lardeert het verhaal met Alfred’s ‘symptoomhandelingen’. Het meest bekende dwangmatig gedrag valt vermoedelijk in het schema van de persoon die tig keer per dag haar handen moet wassen, of die ‘s morgens op weg naar de bushalte steeds naar huis terug moet om te verifiëren of hij wel echt alle ramen heeft gesloten, of het werkelijk gas uit is en wat al niet nog meer. Alfred kijkt voortdurend in de spiegel (7 – ‘ik zou het spiegeltje niet kunnen missen’, 9,21!,34); hij telt zijn voetstappen (1,7,18,20,36,38 – zijn neurose redt hem! ). In hoofdstuk 7 zien we het dwangmatige controleren:  ‘Voor ik ga ontbijten, controleer ik nog eenmaal de badkamer, de kast, het schrijfbureautje en het tafeltje naast het bed. Nee, niets laten liggen. Zelfs in de laden en kasten die ik helemaal niet heb gebruikt, kijk ik of ik niets vergeten heb. Bij mij mag nooit iets misgaan. Dingen laten slingeren, onvoorbereid in situaties terechtkomen, met je mond vol tanden staan, grotere gruwel ken ik niet.’
Enkele alinea’s hiervoor heeft Alfred voor de zoveelste keer de inhoud van zijn rugzak gecontroleerd. De grap zit hem hier in dat zinnetje: ‘Bij mij mag nooit iets misgaan.’ Intussen gaat alles mis wat maar mis kan gaan. In hoofdstuk 6 verdwaalt hij op de terugweg naar zijn hotel. Hij is gedesoriënteerd, want de zenuwen gieren Alfred door de keel. Hij gaat immers de bush in en heeft nog geen luchtfoto’s. Die hoopt hij tenslotte in Trondheim te bemachtigen.
Gesteld dat hij de luchtfoto’s krijgt. Dan nog is het de vraag wat die luchtfoto’s te zien geven en waar de eventueel voor Alfred interessante plekken zouden liggen. Moeten Arne en de beide andere Noren toevallig dezelfde kant uit? We weten niets over de onderzoek locatie, noch over de voor Alfred’s veldonderzoek begrote tijd.
Ter informatie: Finnmark beslaat 48.618 km² en is daarmee 7123 km² groter dan Nederland. Er wonen in Finnmark ongeveer zoveel mensen als in de stad Gouda. Dat Alfred uiteindelijk na zes weken stopt en naar huis gaat, komt doordat Arne Jordal doodvalt. Alfred banjert op de bonnefooi blindelings de Noorse bush in. Hij heeft zich door ene labbekakprofessor Sibbelee laten opzadelen met het zoeken naar de speld in de hooiberg.

Alfred’s narcisme komt het duidelijkst in beeld in de hoofdstukken 41 en 42, via zijn gedachten en houding en ten aanzien van zijn verongelukte vriend Arne. Zacht gezegd, kan het Alfred weinig schelen wat er met Arne gebeurt. Hij toont alleen belangstelling voor de pagina’s in Arne’s notitieboek waar zijn, Alfred’s, naam op voorkomt en doet bijvoorbeeld geen moeite om het Noors te laten vertalen, zodat hij kan achterhalen waar Arne mee bezig was.
Hella Haasse oppert in ‘Doodijs’ het idee dat Alfred zijn vriend een zet in de rug gegeven zou kunnen hebben, waardoor die doodviel. De vraag is of Alfred’s narcisme dermate ernstig is dat hij vanwege het gevoel door de Noren niet serieus genomen te worden (narcistische krenking), gevoegd bij de groeiende frustratie over zijn onderzoek, tot moord in staat moet worden geacht.

Zelfs met de gedissocieerde toestand die Hermans in hoofdstuk 33 suggereert, tijdens de woeste afdaling in het kloofdal – het onderbewuste – als het Es het grotendeels overneemt van Ego en Superego, wordt de eventuele moord in te tekst nergens expliciet: ‘Wat ik ook doe, wat mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst. Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt: dat ik altijd en in alles weerloos, machteloos en vervangbaar als een atoom ben en dat alle bewustzijn, alle wil, hoop en vrees alleen maar manifestaties zijn van het mechanisme waar volgens de menselijke moleculen zich bewegen in de peilloze kosmische materiedamp.’

Wat Alfred in deze geestes- en gemoedstoestand ook moge uithalen: hij is ontoerekeningsvatbaar, geen meester over zichzelf. In hoofdstuk 34 loopt hij weg van Arne, en zwerft onbepaalde tijd wezenloos rond, zonder kompas en horloge, todat hij Arne in hoofdstuk 38 dood terugvindt. Zijn neurotische gewoonte zijn stappen te tellen, redt hem

Een bijkomende overweging voor een moord kan zijn dat Alfred niet wil dat bekend wordt wat hij in Finnmark doet en dat die poging op een fiasco uitliep. Arne is de enige aan wie Alfred vertelt (16) wat hij komt doen. In het hele verhaal lezen we verder niets over Alfred’s onderzoek en worden summier (29) ingelicht over de bezigheden van de Noren. Arne doet iets met gabbro’s lezen we (42) na zijn dood. We moeten Alfred dus op zijn woord geloven. Doet Arne dat ook, of doet hij maar alsof en denkt: laat ik deze jongen in hemelsnaam heelhuids terugbrengen in de bewoonde wereld?
Arne’s ongeluk betekenent bovendien dat de expeditie met goed fatsoen beëindigd kan worden. Arne’s woorden in hoofdstuk 13 krijgen een omineuze klank: ‘Het komt doordat in iedereen, hoe wijs ook, een krankzinnige zit verstopt. Een wilde krankzinnige en die krankzinnige groeit uit hetzelfde waaruit alle krankzinnigen groeien: uit het kind dat wij geweest zijn toen wij een, twee, drie jaar oud waren…’  Hermans is een virtuoze rijmelaar (SN, 167).

citaat Hermans_Wright_grap

Hoofdstuk 7 is het hoofdstuk waar de expeditie begint. Hij verlaat de beschaving, dus Alfred is gespannen, vandaar al die handelingen die hem een gevoel van zekerheid moeten verschaffen. Een saillant detail is het bijna ‘vergeten’ van de ansichtkaart aan zijn labbekak-promotor Sibbelee, waarop Alfred een onoprecht beleefd verhaaltje schrijft, dat in flagrante tegenstelling is met wat hij de lezer vertelt. Een op het nippertje gecorrigeerde Fehlleistung. De luchtfoto’s krijgt Alfred ook in Trondheim (9) niet. Toch vliegt hij noordwaarts om met de heilloze onderneming aan te vangen. Poriomanie?

Andere symptomen waarmee Hermans zijn protagonist opzadelt, zijn het fantaserende dagdromen wanneer de spanning hem te veel wordt. Alfred dwaalt dan als het ware tussen werkelijkheid en waan, waarbij het onderscheid vaag wordt. Nadat hij bijvoorbeeld in hoofdstuk 35 fysiek flink heeft afgezien en even de ogen sluit, krijgt hij een waanvoorstelling van een orkest met een fluitist en een meisje dat de bekkens hanteert: ‘Ik weet dat het meisje het eigendom is van de fluitist. Zij bekrachtigt dit met een oorverdovende bekkenslag, die mij wakker maakt.’

In hoofdstuk 27 fantaseert hij tegenover Arne dat hij net zo goed een vondeling had kunnen zijn. Het als Klein Duimpje lopen langs met steentjes afgebakende voetpaden (32, 40) alludeert op hetzelfde thema: het kind dat de ouders te veel is en wordt verkocht, aan vreemden meegegeven of te vondeling wordt gelegd. Bij Freud en Stack Sullivan lezen we dat mensen die fantaseren dat hun ouders niet hun echte ouders zijn en dat hun werkelijk ouders heel belangrijke, rijke en machtige mensen zijn, aan paranoïde wanen kunnen lijden. Alfred maakt het met zijn grootheidsfantasieën behoorlijk bont (34): hij zou warempel Jezus Christus, de zoon van god kunnen wezen. Over Arne komen we ook dingen te weten, die tot vraagtekens verleiden. Hij heeft een shabby uitrusting, maar beweert dat zijn vader rijk is (27). ‘ Dus jij kunt goed opschieten met je vader? -Te goed misschien. Mijn vader, weet je, is nogal rijk. Hij heeft altijd veel succes gehad. Ik ben zijn enige zoon. Dat schept ook problemen. Wel te rusten.’ De roman had misschien evengoed ‘Verknipte vaders en zonen’ kunnen heten?

Met mijn opstel pretendeer ik geenszins een ‘officieel professioneel klinisch’ portret te construeren, waarmee Alfred Issendorf waterdicht  wordt gecertificeerd voor de GGZ, maar ik ga impressionistisch, eclectisch te werk, als een strandjutter en bricoleur-doe-het-zelver. Tenslotte is Nooit meer slapen een ‘scriptible’ tekst, die tot mee-construeren noodt en noopt.

Wanneer de lezer het basisschema doorheeft volgens welk Hermans te werk gaat, kan zij met een beetje puzzelen een eigen roman-neuroticus in elkaar knutselen. De lezer moet daartoe opletten welke situaties voor de protagonist emotioneel, spannend of stressvol zijn en vervolgens het op de situatie betrekking hebbende en vertoonde gedrag bijeen lezen, en vice versa.
Alfred Issendorf is niet bepaald een ongecompliceerde, evenwichtige en harmonieuze persoonlijkheid. Hermans zet hem extra onder druk met de middernachtzon, een licht dat niet uitgaat en Alfred uit de slaap houdt, net als de fjelljo die te pas en te onpas onbezoldigd heggen snoeit. Dan zijn er de bloedzuigende steekvliegen en is er de dagelijkse fysieke afmatting die de ongetrainde Alfred niet in de koude kleren gaan zitten. Er is niet zo heel erg veel nodig om de labiele Alfred Issendorf door het lint te jagen.

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

Tunturikihu_9897 (Stercorarius longicaudus) Long-tailed Skua, Varanger, Norway, heinakuu / July 2006

schizofreen
Er wordt nogal in de secundaire literatuur over NMS nogal eens verwezen naar de dubbele structuur van Paul De Wispelaere terwijl Hella Haase opteert voor drie structuren. Mevrouw Haasse: ‘Paul de Wispelaere heeft twee structuren gesignaleerd in de roman Nooit meer slapen: het reisverslag van het personage Alfred, en de waarnemingen en ervaringen van een ‘groter’ bewustzijn, dat De Wispelaere aan de alwetende verteller van de roman toeschrijft. Ik zou voor drie structuren willen opteren: Alfreds reisreportage, vervolgens zijn herinnering, of geheugen, dat de gegevens verschaft waardoor het grondpatroon van zijn leven zichtbaar wordt, en tenslotte een derde vorm van bewustzijn, die slechts tijdelijk van Alfred bezit neemt, en wel in de periode waarin hij, zonder zijn tochtgenoot Arne, moederziel alleen ronddoolt …’

De tweedeling van De Wispelaere deed me denken aan schizofrenie: zou Alfred het verhaal met twee tongen verteld kunnen hebben? Of zouden Issendorf senior en junior een duet spelen? De splitsing van de meteoriet waarvan aan het slot van de roman wordt verteld associeer ik meteen met mogelijke schizofrene geestestoestanden waarin Alfred over de Noorse toendra zwerft. De Lappen kennen tenslotte de sjaman en het sjamanisme.
De driedeling van Hella Haasse riep de associatie op van triangulatie: Aglaia en dochter Eva tegen Alfred, of Alfred senior en Aglaia tegenover Alfred? Ik werk het niet uit, maar geef het als tip voor de liefhebber.

Karl Popper
Hermans neemt in Nooit meer slapen in een moeite door het demarcatie-criterium van Karl Popper op de korrel. Alfred moet immers Sibbelees hypothese verifiëren en dus zo mogelijk de theorie van Nummedal falsifiëren; dat zijn hier twee kanten van dezelfde medaille.
Overigens heeft Alfred het in hoofdstuk 26 over ‘de stoutmoedige hypothese van Sibbelee’ om dat aan het slot (44) af te waarderen als ‘een suggestie’, ‘bepaalde denkbeelden, en ‘veronderstellingen’ die ik moest verifiëren. Alfred geeft toe dat Sibbelee maar wat aanrommelt. Net als Popper – volgens Hermans.
Over Popper schrijft Hermans in een opstel uit 1981 getiteld ‘Over Popper’ als volgt: ‘Popper bracht in 1935 naar voren dat een bewering of een complex van beweringen (bij voorbeeld een wetenschappelijke theorie) des te minder informatie verschaft naarmate de formulering ervan algemener is. Minder algemene, meer specifieke theorieën, verschaffen meer informatie, wat met zich meebrengt dat een dergelijke theorie in meer opzichten op juistheid kan worden gecontroleerd.
Omdat er meer controlemogelijkheden zijn, neemt de kans toe dat een van de controles tot de conclusie voert dat de theorie niet klopt. Daarmee is een dergelijke theorie dan gefalsifieerd.

Voor de in het geheel niet-falsifieerbare theorieën geldt wel dat ze een hoge graad van waarschijnlijkheid hebben – maar hun wezen brengt het met zich mee, dat er dan ook (feitelijk) niets feitelijks in wordt beweerd.

Een vanzelfsprekend uitvloeisel van Popper’s grondstelling bestaat hierin, dat in hoge mate falsifieerbare theorieën in hogere mate wetenschappelijk zijn dan andere. Onfalsifieerbare theorieën hebben een geringe wetenschappelijke waarde, wat zeggen wil dat ze geen betekenis hebben, ze delen niets wetenswaardigs mee.

Een bezwaar tegen Popper’s falsificatietheorema is het feit dat fysische theorieën, tenminste in de moderne tijd, maar zelden totaal gefalsifieerd zijn (zoals Popper lijkt te denken).

Voor de natuurwetenschappen zijn Popper’s ideeën niet van wezenlijk belang. Men kan zich zeer goed en succesvol met natuurwetenschappelijk onderzoek bezighouden, zonder zich ooit in de filosofie van de natuurwetenschappen te hebben verdiept. [M]aar voor de niet-zakelijke wetenschappen, althans voor grote gedeelten daarvan (algemene theorievorming e.d.) zijn Popper’s ideeën dodelijk. ’ [citaat met enige redactie door mij; jm]

Hermans heeft geen al te hoge pet op van Popper’s filosofie: ‘Voor zover Popper’s stellingen oorspronkelijk zijn, zijn ze toch maar varianten op zulke waarheden als koeien dat het nietszeggende niet kan worden weerlegd. Oftewel dat spreken zilver is en zwijgen goud.’

Hermans laat Alfred het verhaal dan ook nogal bête-obligaat besluiten met de constatering dat hij weliswaar met twee cadeau gekregen halve meteorieten in de vorm van manchetknopen zit, maar geen enkel bewijs heeft voor de hypothese die hij moest bewijzen.
Hermans (SN, 98) mag dan over Nooit meer slapen beweren: ’ In mijn boek is geweldig belangrijk of grote wetenschappelijke ontdekkingen helemaal aan het toeval moeten worden toegeschreven of niet’, de vraag is natuurlijk hoeveel toeval geloofwaardig is voor de lezer. Zelfs de meest genereuze willing suspense of disbelief kan niet eindeloos worden opgerekt en dit begin is ongeloofwaardig. Alfred per toeval op een meteoorkrater laten stuiten dan wel Issendorfiet laten vinden, zou op onoverkomelijke romantechnische problemen stuiten. Het sterkste excuus is dat met Nooit meer slapen een Fehlleistung moest worden neergezet, die staat als een huis. Daarin is Hermans wat mij betreft geslaagd, dus neem ik als lezer de wat minder geloofwaardige trekjes van Alfred Issendorf voor lief.

citaten freud_Stack moeder-vader

Alfred is weliswaar behept met een baaierd van herkenbare neurotische tics en toegerust met een scala aan symptomen, die voor een belangrijk deel lijken te wortelen in de moeizame relatie met zijn moeder. Ook heeft hij de oedipale fase vermoedelijk niet normaal doorlopen, omdat hij immers zijn vader op zevenjarige leeftijd verloor. Toch rijst de vraag of Hermans er helemaal in is geslaagd personage Alfred Issendorf op een volledig geloofwaardige wijze neer te zetten als een neuroticus van wie met redelijke waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat hij alles doet waartoe Hermans hem in staat acht. Ook die dingen die in de roman impliciet blijven.
De dramatische uitsmijter bewaart Hermans voor de laatste alinea van het laatste hoofdstuk, als Afred denkt: ‘er is geen enkele instantie in mijn omgeving die iets anders van mij wil, dan wat ik zelf ook altijd heb gewild.’ Alfred heeft het hele verhaal door alleen maar gedaan wat anderen (inclusief zijn onbewuste) van hem verlangden of wat hij dacht dat er van hem verlangd werd, om dat op einde te rationaliseren. Iedereen wil alleen wat hij wil, zodat hij nooit hoeft te doen wat iemand anders van hem wil, want dat wil hijzelf ook.

Hoe verknipt is het personage Alfred Issendorf? Zadelt Hermans zijn anti-held met correcte, herkenbare, symptomen op? Boeiend om dat uit te puzzelen met de digitale Freud op schoot en misschien DSM-x-y-z in de hand, onderwijl, af en toe, hier en daar, in Wittgenstein glurend.

Het laatste woord over Nooit meer slapen is nog niet geschreven of gesproken. Tijdens het her-herlezen, vroeg ik me steeds vaker af wanneer het verhaal geschreven is. Kan het wezen dat ‘Nooit meer slapen’ en ‘De donkere kamer van Damokles’ hetzelfde boek zijn? Hermans zelf houdt staande (SN, 20) dat ‘eigenlijk elke romanschrijver steeds weer dezelfde roman schrijft.’
Toen hij Damokles (1958) schreef, zat Alfred Issendorf vermoedelijk op zijn schouder en tijdens het wrochten van Nooit meer slapen (1966), had Henri Osewoudt zich in het brein van de schrijver genesteld. De Paranoia (1948) van Cleever (spreek uit: cleaver) vinden we terug in onder andere de schizofrenie van Osewoudt en Issendorf. De gespleten meteoriet en manchetknopen zijn er het tastbare bewijs van. Er is, om Hermans te gerieven, zelfs een schisma in het westerse denken (SN 13) ontstaan: voor en na Freud. Damokles en Nooit meer slapen zijn post-freudiaans, daarom is het niet verwonderlijk dat beide romans zijn uitgevallen als de familieroman van een neuroticus (zie voor de Nederlandse vertaling: Freud Verzamelde Werken deel 4).

Volgens biograaf Willem Otterspeer klaagde Hermans in 1981 tegen Hermans-fan Frans Janssen dat hij er genoeg van had om zijn verhalen keer op keer op de conventionele manieren en volgens canonieke receptuur, ritualistisch herkauwd te zien worden. Dat was in de tijd dat de gedrukte media het publicatie-monopolie hadden. Met de steeds snellere inburgering van internet en andere digitale publicatiemiddelen en -methoden, wordt die periode in rap tempo afgesloten en kunnen de ramen en deuren open worden gezet.
Zeker zulke knappe teksten van een schrijver als W.F. Hermans verdienen een frisse bries.

 

 

LECTUUR (* betekent speciaal aanbevolen):

W.F. Hermans (1993, 23ste druk): Nooit meer slapen – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0173 5

W.F. Hermans (1990): Wittgenstein – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 3192 8

W.F. Hermans (1983): Klaas kwam niet – Amsterdam: Bezige Bij / isbn: 90 234 0834 9

W.F. Hermans (1977): Het sadistische universum – 1 –  Amsterdam: Bezige Bij (hierin o.a. Wittgensteins levensvorm, 1964)  /  isbn 90 234 0120 4

* W.F. Hermans (1979): Scheppend nihilisme (interviews; samengesteld door Frans A. Janssen) – Amsterdam: Loeb & van der Velden / isbn: 90 6213 134 4 / op internet

Sigmund Freud, Werken (2006 / in 11 delen uitgegeven door Boom in Amsterdam, bezorgd door Wilfred Oranje Freuds werken zijn inmiddels vrij van auteursrechten en op internet te vinden, o.a. in het Duits, Engels en Nederlands

* Harry Stack Sullivan (1975/1940): Begrippen voor een toekomstige psychiatrie / Bilthoven: Ambo / isbn: 90 263 2004 3 / vertaling van Conceptions of Modern Psychiatry door Henk van Aller Werken van Stack Sullivan werden uitgegeven door The William Anson White Psychiatric Foundation by Norton & Co, New York

https://nl.wikipedia.org/wiki/Harry_Stack_Sullivan

http://www.tandfonline.com/doi/pdf/10.1521/psyc.2012.75.1.3

Ludwig Wittgenstein (1976): Tractatus logico-philosophicus – Amsterdam: Polak & Van Gennep /  isbn: 90 253 1534 8 / vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans

Raster, nummer gewijd aan Hermans: V, 2, zomer 1971, hierin ondermeer het artikel van * Hella Haasse: ‘Doodijs en hemelsteen’ / op internet  http://www.willemfrederikhermans.nl/tekst/haas013dood01_01/haas013dood01_01_0001.htm

Willem Otterspeer (2013): Freud en Hermans (en zijn biograaf)’   http://www.de-gids.nl/artikel/freud-en-hermans-en-zijn-biograaf

Margaret S. Mahler & Manuel Fuhrer (1969): On human symbiosis and the vicissitudes of individuation / London : The Hogarth Press and the Institute of Psycho-Analysis / isbn: 0 701 20 319 6

Margaret S. Mahler , Fred Pine & Anni Bergman (1975): The psychological birth of the human infant: symbiosis and individuation / New York : Basic Books / isbn: 0 465 06 659 3

Elizabeth Wright (1993/1984): Psychoanalytic Criticism – London & New York: Routledge / isbn: 0-415-04583-7

Gemma Venhuizen over het Finnmark onderzoek van Svein Olav Krøgli in de NRC van 25 september 2010 http://www.nrc.nl/handelsblad/2010/09/25/niet-elke-cirkel-is-een-krater-11947759

Voor de foto’s, even omlaag scrollen: ‘Maskevarri Ráhppát in Finnmark, northern Norway – is it an earthquake-induced landform complex?’ (2014) http://www.solid-earth.net/5/683/2014/se-5-683-2014.pdf

Jef van de Sande (1983): W.F. Hermans. ‘Nooit meer slapen’ / Vaassen-Apeldoorn: Walva-boek / isbn: 90 6675 601 2

Het Grote Willem Frederik Hermans Boek. Onder redactie van: Dirk Baartse en Bob Polak, m.m.v. Rob Delvigne / Uitgever: Nijgh & Van Ditmar / maart 2010

J.J.L. Derksen (1993): Handboek persoonlijkheidsstoornissen / Utrecht: De Tijdstroom / isbn: 90 352 1482 X / NUGI 712

http://www.psychoanalytischwoordenboek.nl/

 

 

Lapland Finnmark_80prct

…………  ……………  ……………  …………………………….  …………………………..  ……………….

 

 

 
Leave a comment

Posted by on maart 18, 2016 in literatuur, W.F.Hermans

 

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

‘Twee mannen in een kloof’. Over ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans

citaten uit NMS

Is Alfred Issendorf, de hoofdpersoon uit Hermans’ roman Nooit meer slapen (NMS), een moordenaar? Je kunt een roman niet vaak genoeg op verschillende manieren lezen, vooral omdat ik geloof dat de meeste lezers inderdaad geneigd zijn ook naar romanpersonages te kijken “zoals je meestal naar anderen kijkt: zonder werkelijk iets van ze af te weten, door gebrek aan bewijs gedwongen aan te nemen dat zij wel ongeveer hetzelfde zijn als je zelf bent” (mijn parafrasering van een tekst uit Het behouden huis [i]; jm). Ik blijf graag half en half geloven dat Alfred zijn vriend Arne gedood kan hebben.
Een sluitend bewijs dat zijn schuld onomstotelijk aantoont, zou afbreuk doen aan mijn leesplezier. Daarom heb ik het artikel van Max van Duijn (MvD), die beweert [ii] dat Alfred zijn vriend Arne halverwege hoofdstuk 33 mogelijk een zetje geeft, waardoor Arne in het ravijn te pletter stort, met belangstelling gelezen. In tegenstelling tot Alfred die eropuit trekt om Sibbelees theorie te verifiëren, probeer ik juist MvD’s beweringen te falsifiëren.
Het ravijn of kloofdal in hoofdstuk 33 vervult een centrale rol in het verhaal, maar op een andere manier dan bij MvD en misschien bij de door hem aangehaalde Hella Haasse [iii]: “Heeft Alfred, toen hij – na het incident met de kompassen – voor het eerst bij het kloofdal terugkwam, Arne van de helling geduwd? Of hem, beneden in het ravijn, in de rug aangevallen …? “

Hieronder kom ik erop terug. Eerst bespreek ik de twee volgens mij zwakste plekken in MvD’s artikel, die afbreuk doen aan zijn redenering die tot doel heeft Alfred als moordenaar aan de kaak te stellen. Vervolgens werk ik deels aan de hand van hetgeen MvD betoogt enkele van mijn interpretaties uit, om af te ronden met observaties van algemenere aard.

twee zwakke plekken

De eerste zwakke stee bevindt zich in de paragraaf “Onbetrouwbaar verslag” en de tweede in de paragraaf “Plaats en tijd delict.” In de eerste paragraaf schrijft MvD dat Inger-Marie de enige is die Arnes boek te zien krijgt voor Alfred het bij Nummedal deponeert. Echter, vóórdat Inger-Marie in hoofdstuk 42 Alfred uit Arnes aantekeningenboek vertalend uit het Noors in het Engels voorleest, heeft iemand van de politie zeker dezelfde pagina gelezen (“ Hij leest met aandacht de pagina waar mijn naam op voorkomt … ”) en uit Arnes aantekeningen, gecombineerd met Alfreds verslag, blijkbaar niets belastends voor Alfred kunnen destilleren. MvD noemt in deze paragraaf tevens twee voorbeelden van discrepanties tussen Alfreds gedachten en daden, maar hij laat na de belangrijkste te noemen: Alfreds uitgebreide fantasie in hoofdstuk 30 waarin hij Mikkelsen de schedel intrapt: “Ik wil hem… ik kijk rond of Arne en Qvigstad in de buurt zijn. Tegelijkertijd weet ik zeker dat ik Mikkelsen toch de hersens niet zal intrappen. …  Mikkelsen doodtrappen, hem niet eens met mijn handen aanraken, niet eens met mijn linkervoet. Alleen met de rechtervoet tegen zijn gezicht schoppen. Hij doet niets terug, stuiptrekt, dat is alles, slaakt een roestige kreet bij elke nieuwe trap, hikt, beweegt tenslotte niet meer uit zichzelf, wordt alleen nog in beweging gebracht door mijn schoppende voet.”
Dit zijn ontlastende bewijzen, want Alfred laat het immers bij fantaseren. De betreffende passages demonstreren dat hij primitieve impulsen onder controle kan houden. Alfred is afdoende gedomesticeerd en geconditioneerd om zowel tegen Nummedal als Sibbelee te kunnen veinzen en liegen. Dat hij op de briefkaart aan Sibbelee niet schrijft wat hij denkt, is in overeenstemming met wat de meesten van ons – misschien helaas – hoogstwaarschijnlijk tot normaal gedrag rekenen. Zeker gezien de omstandigheden zoals Hermans ons die in de roman schildert.

De tweede zwakke plek is MvD’s aanname dat Alfred en Arne “ binnen enkele momenten zó ver van elkaar verwijderd raken dat ze elkaar dagenlang niet meer terugvinden.” Binnen enkele momenten? Bij nauwkeurig lezen van hoofdstuk 34, moet de conclusie zijn dat de tekst geen enkel houvast biedt om precies te bepalen hoeveel tijd er verloopt tussen de respectieve voorvallen. MvD merkt dan ook terecht op dat uit Alfreds relaas gedurende de tijd dat hij alleen rondzwerft niet is op te maken “ waar hij zich ophoudt en hoe lang het precies duurt voordat hij Arnes lijk vindt.”  Arne kan bij wijze van spreken zijn doodgevallen nadat Afred zich tien passen heeft verwijderd. Het terrein is hobbelig, dus het zicht is niet onbelemmerd. “Ik bestijg een heuvel, maar zie Arne nergens. Ik ga de heuvel aan de andere kant weer af.”
Hermans goochelt met Alfreds horloge en diens schattingen van tijd en richting. Dat is helemaal niet vreemd, want Alfred is na hetgeen hij in hoofdstuk 33 heeft meegemaakt volledig van de kaart. Hij is letterlijk en figuurlijk: van streek. De streken van zijn kompas moet hij dan nog kwijtraken. Alfred zou onder andere graag met zijn “hoofd naar voren, in de slaapzak kunnen kruipen …. als Arne er zijn slaapzak ook nog overheen gooit” staat halverwege hoofdstuk 34 (cursief in mijn origineel [iv]; jm). Zulke zinnen hebben in deze context een speciale betekenis, zoals in de loop van mijn betoog duidelijk wordt.
Het precieze tijdsverloop en de locaties zijn dus niet te reconstrueren. In ieder geval is er hoogstwaarschijnlijk veel meer tijd mee gemoeid dan de enkele momenten die MvD stipuleert en Hermans eventueel zou kunnen willen suggereren. Hermans zet Alfred en ons voortdurend faliekant op het verkeerde been.

Dit zijn de twee opvallendste zwakke plekken in MvD’s bewijsvoering die mij als eerste opvielen. In zijn betoog vind ik echter meer passages, waar ik waarschijnlijkere interpretaties tegenover denk te kunnen stellen.

Kom! Pas! Kom!

MvD vindt het incident met de kompassen in hoofdstuk 34 – dat de aanleiding vormt voor het weglopen van Alfred van Arne – “het meest ongeloofwaardige voorval uit de roman.” Waarom? Het enige dat uit de tekst valt te halen, is dat Arne blijkbaar een andere weg, route, wil volgen om bij het meer te geraken dan Alfred. Uit de tekst is niet eens op te maken of Arnes kompas een andere richting aangeeft dan Alfreds instrument. Alfred weigert op Arnes kompas te kijken. Beide kompassen kunnen best correct het zuidwesten aanwijzen.
“Op de kaart lijkt het of je er, niet door belangrijke obstakels gehinderd, bijna in rechte lijn naartoe kunt lopen.” Dat wil zeggen naar het meer, hetgeen in deze context een extra gewicht krijgt, omdat het symbool staat voor het vrouwelijke. Hieronder wordt duidelijk waarom. Arne kent het terrein, Alfred niet, maar Alfred is overstuur, verward en vol tegenstrijdige emoties door hetgeen er pas is gebeurd met Arne en hem. Ik schrijf ‘met’ omdat hij in hoofdstuk 33 beweert: “ Wàt ik ook doe, wàt mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst.” [v] Alfred zit bepaald niet te springen om zelfinzicht. Vlak voor deze passage denkt hij aan doodvallen en vlak erna ziet hij Arne vallen. Frappant dat hem het noodlot evenals zijn vader overkomt, terwijl of doordat hij omlaag gaat in een spleet tussen rotsen. In hoofdstuk 27 denkt Alfred: “De val die ik heb gemaakt, is een repliek van de fatale val die mijn vader maakte. Dezelfde kwade geest die hem in de afgrond geworpen heeft, heeft mij voortgestuwd naar soortgelijke avonturen als de zijne, om mij een soortgelijke dood te doen sterven. Maar het is mislukt. Ik heb mijn tol betaald. Ik heb het overleefd.” Al blijkt zijn noodlot in hoofdstuk 33, 34 misschien (deels?) een ander dan dat van zijn vader?
Zijn weglopen van Arne heeft niets van doen met het functioneren van kompassen of kunnen kaartlezen. Dit gedrag is een gevolg van de aangrijpende ervaringen welke onmiddellijk voorafgaan aan het incident met de kompassen.  Kom! Pas! Kom!

Het is goed mogelijk dat Alfred in die gemoedstoestand Arne bewust van zich heeft afgeschud, en zich realiseert (of wenst hij het geheim te houden?) dat niemand dat kan bewijzen: “Niemand zal kunnen beweren dat ik mij bij het aflezen van het kompas opzettelijk vergist heb, dat ik Arne met voorbedachten rade van mij af geschud heb …” Wat Hermans Alfred allemaal met zijn kompas laat uithalen en knutselen, dient louter om de lezer zand  in de ogen te strooien. Net als het gedoe met het horloge dat erna komt. Alfred blijkt tenslotte zonder horloge en kompas prima de weg te kunnen vinden.

ai, lady Macbeth ..

Hermans’ tekst doet ook mij ondermeer aan Shakespeares stuk Macbeth denken, maar vooral aan lady Macbeth, die gedreven door eerzucht haar echtgenoot aanzet tot zijn gruweldaad. Zij geeft hem figuurlijk dat zetje dat Alfred Arne volgens MvD letterlijk geeft, waardoor Arne doodvalt.
De weduwe Issendorf zet, na haar man de dood in gedreven te hebben vanwege haar hang naar de status van partner van een briljant wetenschapper, haar zoon aan de carrière van zijn vader voort te zetten, daarbij zijn vader met terugwerkende kracht te doden en desnoods zelf het leven te laten. Hermans manipuleert hier naar believen zowel de Oedipus-mythe als het verhaal van Shakespeare over Hamlet, door ze binnenstebuiten te keren, te spiegelen, ondersteboven en achterstevoren te houden, in stukjes te knippen en willekeurig opnieuw in elkaar te steken.

Sigmund Freud behandelt in zijn Droomduiding Oedipus en Hamlet naast elkaar op bladzijde 261 tot en met 265: “ In Oedipus wordt de fundamentele wensfantasie van het kind, evenals in de droom, aan het licht gebracht en verwezenlijkt; in Hamlet blijft ze verdrongen, en wij worden haar bestaan – analoog met de situatie bij een neurose – alleen gewaar door de remmende invloeden die ervan uitgaan.” (264)

Ik acht het zeer waarschijnlijk dat Hermans aan de hand van Freuds Droomduiding de karakters van Oedipus en Hamlet over Alfred en Arne verdeelde, daarbij met dichterlijke vrijheid te werk gaande. Denk aan de twijfelende Arne die voordat hij een foto neemt steevast perhaps monkelt, terwijl Hamlet bij Shakespeare de weifelaar is. Als Alfred hem in hoofdstuk 27 hierover bevraagt, bekent Arne dat hij geen nieuw fototoestel van zijn vader durft te krijgen. Dit vind ik zacht gezegd een opmerkelijke redenering. Alfred haat zijn moeder en Arne is afhoudend jegens de potentiële blijken van genegenheid van zijn vader. Wat zou Freud hiervan maken?

Op pagina 265 merkt Freud en passant op: “ Zoals Hamlet de relatie van de zoon met de ouders behandelt, zo berust het in de tijd dichtbij liggende Macbeth op het thema van de kinderloosheid.” Voor karaktereigenschappen van de ambitieuze Aglaia hoefde Hermans dus ook niet ver te zoeken. Op dezelfde bladzijde noemt Freud de naam Brandes, deze naam verschilt maar een letter met de naam van Alfreds vriend, Brandel. “Bovendien is het bekend dat Shakespeares vroeg gestorven zoon de naam Hamnet (identiek met Hamlet) droeg,” schrijft Freud op pagina 265. Hermans lacht zich een kriek.

Nota bene. Direct na de dood van haar man is Aglaia Issendorf met haar eigen carrière begonnen, vertelt Alfred in hoofdstuk 27 aan Arne: “Mijn moeder, zeg ik, is de grootste essayiste van Nederland. Ze is dat al vrij vlug na mijn vaders dood geworden en ze heeft het jaren volgehouden. Bovendien reist zij door het hele land om lezingen te houden. Zij is een onbetwistbare autoriteit. Zij is draagster van het Legioen van Eer en doctor honoris causa van de kleinste universiteit in Noord-Ierland …” Waarom ook niet? Tenslotte zijn haar initialen eveneens A.I., dus dezelfde als die van haar man en zoon en is “romanschrijven wetenschap bedrijven zonder bewijs.” [vi] Draai de laatste zin om terwijl je hem binnenstebuiten keert en je hebt Hermans’ idee over wetenschap – de natuurwetenschap uitgezonderd.

Aglaia Issendorf heeft na de dood van haar man haar zoon voor zijn dode vader ingewisseld als degene die haar de zo begeerde status moet bezorgen. In de tussentijd is ze vast voor zichzelf begonnen. Alfreds schampere beschrijving in hoofdstuk 27 van zijn moeders werkzaamheden is tegelijkertijd een sneer naar al die andere bedriegers waarvan de wereld is vergeven, die zijn moeder met haar voze werk als autoriteit erkennen, van haar stelen, haar klakkeloos napraten, zonder bronvermelding. Alfred: ”Ik heb soms medelijden met haar. Ik lees nooit een boek, bang te ontdekken dat ze er onzin over geschreven heeft. …..  Ach, mijn moeder is zo’n schat! Ik zou haar niet durven vragen of zij zelf vindt dat haar kritieken iets te betekenen hebben.”

MvD haalt uit het laatste hoofdstuk van NMS een interessante passage aan die mijn redenering over de substitutie van vader Alfred door zoon Alfred, lijkt te ondersteunen: “Ze heeft me alle bijzonderheden over Arne’s dood gevraagd, slaakt een diepe zucht en vat in enkele woorden samen waar het voor haar op neerkomt: -Het is een verschrikkelijk ongeluk, maar hoe dan ook, jij hebt het er tenminste goed af gebracht. Ik ben trots op je.” Hermans heeft de zin “Ze heeft ….. neerkomt” bij de vijftiende druk toegevoegd, vermeldt noot 9. Die toevoeging heeft de passage er volgens mij in meer dan een opzicht begrijpelijker op gemaakt. Aglaia Issendorf ondervraagt haar zoon zo gedetailleerd over het ongeluk, omdat zij benieuwd is of Arne op precies dezelfde wijze om het leven kwam als Alfred senior: heeft de zoon de vader vermoord. Waar het voor haar op neerkomt, is dat het – nog steeds – een verschrikkelijk ongeluk is, dus niet wàs. Zij heeft immers nog steeds niet waar ze naar haakt: de status van vrouw/moeder van een briljant geleerde. Dat haar zoon op zijn zachtst gezegd nogal lauw en laconiek reageert op de dood van zijn vriend belet haar niet trots op hem te zijn. Voor haar telt alleen dat Alfred nog steeds beschikbaar is voor haar project. Lady Macbeth verbleekt erbij. Ik ben vooralsnog geneigd Alfreds ambiguë houding jegens de dode Arne te duiden vanuit het dubbele gevoel dat hij er ten aanzien van Arne op nahoudt. Niet omdat hij een kwaad geweten zou hebben vanwege een moord. Uit het navolgende blijkt waarom.

de meteoriet

Alfred is dus niet verlost van de eerzucht en statushonger van zijn moeder, want hij heeft zijn vader immers nog niet voor haar gewroken. Alfred zal niet cum laude promoveren. Op grond van zijn mislukte onderzoek in Finnmark kan hij geen briljant proefschrift produceren. Toch krijgt hij nu al, dus vóórdat hij is gepromoveerd, het cadeau dat zijn moeder had bestemd voor zijn promotie. Dat cadeau blijkt de meteoriet te zijn die zijn vader vlak voor zijn dood voor Alfreds zevende verjaardag kocht.

Aglaia Issendorf heeft de meteoriet niet alleen jarenlang verdonkeremaand, maar hem in tweeën doen zagen (kloven, splijten) om er manchetknopen van te laten maken die ze haar zoon nu reeds geeft als voorschot. Dus eerst vertraagt ze, vervolgens transformeert ze door de steen in twee helften te zagen en tenslotte overhandigt ze de meteoriet vóórtijdig! Ze hernieuwt en verzwaart hiermee haar claim op Alfred; haar zoon zál promoveren en de carrière van zijn vader voortzetten om haar aan haar status te helpen. Ze zadelt Alfred op met een zware hypotheek waaraan ze hem boeit met de machetknopen.

Zijn promotiegeschenk heeft Alfred voortijdig van zijn moeder gekregen, maar het cadeau van zijn vader komt door haar vele jaren later dan bedoeld. Aglaia transformeert niet alleen het geschenk van de vader middels tijd en fysieke vervorming (zij maakt van natuur cultuur), maar verpakt het geheel bovendien als uitdrukking van vaders laatste wil – Alfred moet ook van zijn vader een briljante wetenschappelijke loopbaan verwezenlijken: “Ik ben zo trots dat je die beurs gekregen hebt, Alfred, en ik weet zeker dat je met een briljante dissertatie voor de dag zult komen. Als je vader dit nog had kunnen beleven! Och hemel, ik weet nog, toen het gebeurde, dat jij toen net in die periode was waarin je aan allerlei mensen vroeg of ze je niet aan een ‘meteoor’ konden helpen. Papa heeft daar een van de eerste tekenen van je wetenschappelijke aanleg in gezien.”

Voortaan zal Afred niet alleen zijn vader als last met zich meezeulen, maar ook nadrukkelijk zijn eerzuchtige moeder in zijn nek voelen hijgen.

het kloofdal, waar alles om draait

Hoofdstuk 33 begint aldus: “ ‘s Middags om drie uur zitten wij aan de rand van het diepste ravijn dat ik ooit gezien heb. Het is of een bijl van kosmische afmetingen de aardkorst hier heeft gekloofd. De wanden van de kloof zijn bijna loodrecht en met enorme scherpkantige rotsblokken bezet.”
Het kloven van de aardkorst, het intrappen en splijten van schedels en het doorzagen van een meteorietsteen, ze maken alle deel uit van hetzelfde web van onderlinge verwijzingen. Het ravijn dat hier wordt beschreven is een vergrote versie van de spleten waarin Alfreds kompas en zijn vader vallen: het is in feite niets anders dan een gigantische vagina dentata. De vrouwelijke vore, een vulva, een schede met tanden, die mannen castreert. In hoofdstuk 45 legt de Amerikaanse Wilma het aan Alfred uit aan de hand van de treksluiting van de gulp in haar broek. Ook Aglaia Issendorf is een vrouw die de broek aanheeft.

Wat gebeurt er in dat kloofdal tussen Alfred en Arne? Wat doen Osewoudt en Dorbeck in the Darkroom van Damokles?  Hermans lacht in zijn vuistje, want hij is nooit opgehouden zijn boeken te herschrijven zodat die boeken blijven wat ze waren, dat wil zeggen: wat ze al hadden moeten zijn nadat en voordat wij ze (her-)lezen.

Alfred komt er abrupt achter dat hij erotische gevoelens ten aanzien van Arne koestert. Arne is in deze context heel aannemelijk in de rol van verleider en inwijder van de groene Alfred: “Hij steekt het [i.e. zijn kompas; jm] naar mij uit of hij een chocoladereep presenteerde, maar ik weiger erop te kijken.” Hermans’ beschrijving van de duizelingwekkende afdaling in de kloof is de beschrijving van hun copulatie: “… nu ik Arne achternaloop en de diepte van de afgrond als een onzichtbare binnenstebuiten gekeerde vloedgolf op mij aanstormt: Wat ik ook doe, wat mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst. Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt ….” De aanval in de rug waarover Hella Haasse het heeft, past hier prima in.
Alfred en Arne beleven wat in het Frans ook wel la petite mort wordt genoemd en steken daarna een sigaret op, wat meer mensen schijnen te doen na de daad. Hermans was een verwoed roker. De dialoog die Alfred en Arne aan het begin van hoofdstuk 34 voeren en die MvD als “merkwaardig” treft, is niet zo merkwaardig. Waarover praten mensen in zo’n situatie, na een heftige ervaring die vermoedelijk voor een van hen overdonderend als een complete verrassing kwam?

Gezien hetgeen er tussen hen voorviel, is het abrupt weglopen van Alfred in hoofdstuk 34 evenmin verwonderlijk. Alfred is compleet van zijn sokken geblazen en op zijn existentiële fundamenten teruggekwakt. Hella Haasse karakteriseert de gemoedstoestand waarin hij zich bevindt als: “een derde vorm van bewustzijn, die slechts tijdelijk van Alfred bezit neemt, en wel in de periode waarin hij, zonder zijn tochtgenoot Arne, moederziel alleen ronddoolt: een gemoedstoestand die zijn ontstaan dankt aan ‘the repressed material of the immensely powerful unconscious, the kingdom of darkness, […] bound to reappear in sickness, crime, madness – or in art and deeds of might’ … ” Dat vind ik geloofwaardig, hoewel een tikkeltje melodramatisch en theatraal geformuleerd, maar dat komt vast omdat sociale taboes en conventies kruien en moraal tenslotte “niets anders is dan een werkhypothese van tijdeljke duur.” (in: De donkere kamer van Damocles)

kunnen Kretenzers kompaslezen?

In de paragraaf “alle Kretenzers” komt MvD opnieuw op het kompas, ditmaal om aan te tonen dat Alfred een onbetrouwbare verteller is. Ik acht het aannemelijk dat Alfred in hoofdstuk 47 inderdaad tegen Eva zegt dat hij haar kompas heeft weggegooid. Ook als hij daardoor liegt. Een voor de hand liggende verklaring voor zijn liegen tegen Eva is dat hij zijn zuster liever kwetst dan toegeeft dat hij zo onhandig was om het kompas van een steen te stoten waarna hij het niet kon terughalen.
Op dit moment uit de kast komen en zijn moeder en zus vertellen dat hij ontdekt heeft dat hij homo is, kan van Alfred al helemaal niet gevergd worden. Want, let op de bewoordingen waarin hij motiveert waarom hij het kompas heeft weggegooid: “… want het wees toch maar de verkeerde richting aan.” Van de verkeerde richting zijn, betekent zeker in de tijd dat NMS werd geschreven: homosexueel of lesbisch zijn. Alfred loopt van Arne weg vanwege een kompas dat de verkeerde kant op wijst. Hij wil lijnrecht naar het meer, symbool voor het vrouwelijke. Compleet in de war doolt hij rond, waarbij hij zwalkt tussen een berg, een meer en een kloof. Dit is het beeld van een Hamlet tussen fallus en vulva, terwijl hij in wezen van beide niets moet hebben. Aan het slot van hoofdstuk 42 slaat Inger-Marie haar armen om Alfreds nek en geeft hem een lange kus: “Ik kus haar tenslotte nog twee keer op elke wang en loop in verwarring van gevoelens naar buiten.”
Indien Alfred in deze context liegt tegen Eva, maakt hem dat voor mij niet per se tot een onbetrouwbare verteller, zeker niet in morele zin.

Het diabolische aan deze situatie is dat Alfred door zijn queeste zichzelf (zijn sexuele identiteit) ontdekt, maar geen meteorietkraters. Voor Aglaia zijn de meteorieten belangrijk vanwege het proefschrift en de carrière, terwijl zij de andersgeaardheid van haar zoon hoogstwaarschijnlijk alleen als negatief voor diens carrière zal waarderen. In haar ogen zou Alfred dubbel mislukt zijn: geen proefschrift en als klap op de vuurpijl nog homosexueel ook.
De passages over fluiten, fluitles en fluitisten in de hoofdstukken: 7, 17, 27, 35, 38 en 45 vallen via Freud op hun plaats.  Ik heb met Alfred te doen. Het is niet niks waar W.F.H. hem mee opzadelt.

moordenaars …

MvD begint zijn artikel met het exemplarische opvoeren van de anonieme hoofdpersoon uit Het behouden huis en Henri Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles. Hij kwalificeert hen als bruten. Zij behoren tot de Hermans-karakters die onder de ogen van de lezer moorden begaan en ermee wegkomen, schrijft hij in zijn slotparagraaf. Wat erger is: ze wekken bij de lezer begrip en sympathie. Hermans weet namelijk een uitzonderlijk perspectief te laten ontstaan, “dat de lezer welhaast medeplichtig maakt.” (cursief MvD; jm)
Wat NMS betreft, meent hij: ” … al sinds de roman verscheen tonen talloze lezers en critci hun begrip voor de miserabele omstandigheden waaronder de expeditie van de ‘arme Alfred’ mislukt, terwijl deze ondertussen wegkomt met het plegen van een moord en het vertellen van leugens.” Dat “uitzonderlijk perspectief” waarover MvD het heeft, behelst volgens mij een tamelijk conventioneel verteltechnisch ingrediënt, namelijk: extreme omstandigheden, die als hogedrukpan functioneren.
Gedurende oorlogssituaties en tijdens een strompelende martelgang over een toendra onder het permanente licht van de midzomernachtzon, reageren de meesten van ons vermoedelijk anders dan ze normaliter in hun gebruikelijke habitat plegen te doen, wanneer ze de kinderen naar school brengen, naar het werk gaan, hun echtelijke plicht aan elkaar vervullen en zaterdags de boodschappen inslaan.

Max van Duijn besluit met de raad aan de lezer die “zich alsnog van een rein geweten wil verzekeren” de roman te herlezen “en Alfred nog eens bladzijde voor bladzijde op zijn provisorisch in onschuld gewassen vingers te kijken.” Ik sluit me daar van harte bij aan, want Nooit meer slapen behoort tot de romans die naar mijn idee niet vaak genoeg gelezen kunnen worden. Wie weet, laat Alfred Issendorf zich bij een verrassende (her-)lezing alsnog op heterdaad betrappen.

 

[i]  in: Paranoia (2003: 90) Amsterdam; Van Oorschot

[ii] zie De Gids, nr. 4; 2012: 22 – 25

[iii] in: Doodijs en hemelsteen, in Raster nr. 2, jrg. 5, 1971: 177 – 206 en ook op internet te vinden

[iv]  Bij deze lezing gebruik ik de zesentwintigste druk uit 1997, uitgegeven door De bezige bij. Omdat de paginanummering per druk en uitgave verschilt en de 47 hoofdstukken kort zijn, verwijs ik naar hoofdstukken.

[v]  Pro memorie, Hermans (1974: 100 – 101): “Nederlandse romans gaan altijd over personages die geleefd worden en nauwelijks proberen op eigen houtje te leven. Predestinatie en fatalisme zijn oppermachtig…” in: Een Nederlandse detectivefilm? in: Het sadistische universum (Amsterdam; De bezige bij)

[vi]  W.F. Hermans (1974: 108) in: Experimentele romans,  in: Het sadistische universum (Amsterdam; De bezige bij)

 

# #  #

J. Mager (oktober 2012)

deze tekst is 25 februari 2016 op de site geplaatst; de digitale verwijzingen (links) zijn na die dag ingevoegd

* * *

http://literatuurmuseum.nl/verhalen/hermans/nooit-meer-slapen

http://www.maxpam.nl/2006/09/binnenkort-verwacht/

De dvd van Max Pam is zeer de moeite waard; een tijdje terug lag hij in de ramsj (jm)

  beslist ook leuk om te hebben:  www.literairnederland.nl/het-grote-willem-frederik-hermans-boek/

 

 

 
Leave a comment

Posted by on februari 24, 2016 in Kunst, leuke dingen voor de mens, literatuur

 

Tags: , , , , , , , , , ,