RSS

‘Twee mannen in een kloof’. Over ‘Nooit meer slapen’ van W.F. Hermans

24 feb

citaten uit NMS

Is Alfred Issendorf, de hoofdpersoon uit Hermans’ roman Nooit meer slapen (NMS), een moordenaar? Je kunt een roman niet vaak genoeg op verschillende manieren lezen, vooral omdat ik geloof dat de meeste lezers inderdaad geneigd zijn ook naar romanpersonages te kijken “zoals je meestal naar anderen kijkt: zonder werkelijk iets van ze af te weten, door gebrek aan bewijs gedwongen aan te nemen dat zij wel ongeveer hetzelfde zijn als je zelf bent” (mijn parafrasering van een tekst uit Het behouden huis [i]; jm). Ik blijf graag half en half geloven dat Alfred zijn vriend Arne gedood kan hebben.
Een sluitend bewijs dat zijn schuld onomstotelijk aantoont, zou afbreuk doen aan mijn leesplezier. Daarom heb ik het artikel van Max van Duijn (MvD), die beweert [ii] dat Alfred zijn vriend Arne halverwege hoofdstuk 33 mogelijk een zetje geeft, waardoor Arne in het ravijn te pletter stort, met belangstelling gelezen. In tegenstelling tot Alfred die eropuit trekt om Sibbelees theorie te verifiëren, probeer ik juist MvD’s beweringen te falsifiëren.
Het ravijn of kloofdal in hoofdstuk 33 vervult een centrale rol in het verhaal, maar op een andere manier dan bij MvD en misschien bij de door hem aangehaalde Hella Haasse [iii]: “Heeft Alfred, toen hij – na het incident met de kompassen – voor het eerst bij het kloofdal terugkwam, Arne van de helling geduwd? Of hem, beneden in het ravijn, in de rug aangevallen …? “

Hieronder kom ik erop terug. Eerst bespreek ik de twee volgens mij zwakste plekken in MvD’s artikel, die afbreuk doen aan zijn redenering die tot doel heeft Alfred als moordenaar aan de kaak te stellen. Vervolgens werk ik deels aan de hand van hetgeen MvD betoogt enkele van mijn interpretaties uit, om af te ronden met observaties van algemenere aard.

twee zwakke plekken

De eerste zwakke stee bevindt zich in de paragraaf “Onbetrouwbaar verslag” en de tweede in de paragraaf “Plaats en tijd delict.” In de eerste paragraaf schrijft MvD dat Inger-Marie de enige is die Arnes boek te zien krijgt voor Alfred het bij Nummedal deponeert. Echter, vóórdat Inger-Marie in hoofdstuk 42 Alfred uit Arnes aantekeningenboek vertalend uit het Noors in het Engels voorleest, heeft iemand van de politie zeker dezelfde pagina gelezen (“ Hij leest met aandacht de pagina waar mijn naam op voorkomt … ”) en uit Arnes aantekeningen, gecombineerd met Alfreds verslag, blijkbaar niets belastends voor Alfred kunnen destilleren. MvD noemt in deze paragraaf tevens twee voorbeelden van discrepanties tussen Alfreds gedachten en daden, maar hij laat na de belangrijkste te noemen: Alfreds uitgebreide fantasie in hoofdstuk 30 waarin hij Mikkelsen de schedel intrapt: “Ik wil hem… ik kijk rond of Arne en Qvigstad in de buurt zijn. Tegelijkertijd weet ik zeker dat ik Mikkelsen toch de hersens niet zal intrappen. …  Mikkelsen doodtrappen, hem niet eens met mijn handen aanraken, niet eens met mijn linkervoet. Alleen met de rechtervoet tegen zijn gezicht schoppen. Hij doet niets terug, stuiptrekt, dat is alles, slaakt een roestige kreet bij elke nieuwe trap, hikt, beweegt tenslotte niet meer uit zichzelf, wordt alleen nog in beweging gebracht door mijn schoppende voet.”
Dit zijn ontlastende bewijzen, want Alfred laat het immers bij fantaseren. De betreffende passages demonstreren dat hij primitieve impulsen onder controle kan houden. Alfred is afdoende gedomesticeerd en geconditioneerd om zowel tegen Nummedal als Sibbelee te kunnen veinzen en liegen. Dat hij op de briefkaart aan Sibbelee niet schrijft wat hij denkt, is in overeenstemming met wat de meesten van ons – misschien helaas – hoogstwaarschijnlijk tot normaal gedrag rekenen. Zeker gezien de omstandigheden zoals Hermans ons die in de roman schildert.

De tweede zwakke plek is MvD’s aanname dat Alfred en Arne “ binnen enkele momenten zó ver van elkaar verwijderd raken dat ze elkaar dagenlang niet meer terugvinden.” Binnen enkele momenten? Bij nauwkeurig lezen van hoofdstuk 34, moet de conclusie zijn dat de tekst geen enkel houvast biedt om precies te bepalen hoeveel tijd er verloopt tussen de respectieve voorvallen. MvD merkt dan ook terecht op dat uit Alfreds relaas gedurende de tijd dat hij alleen rondzwerft niet is op te maken “ waar hij zich ophoudt en hoe lang het precies duurt voordat hij Arnes lijk vindt.”  Arne kan bij wijze van spreken zijn doodgevallen nadat Afred zich tien passen heeft verwijderd. Het terrein is hobbelig, dus het zicht is niet onbelemmerd. “Ik bestijg een heuvel, maar zie Arne nergens. Ik ga de heuvel aan de andere kant weer af.”
Hermans goochelt met Alfreds horloge en diens schattingen van tijd en richting. Dat is helemaal niet vreemd, want Alfred is na hetgeen hij in hoofdstuk 33 heeft meegemaakt volledig van de kaart. Hij is letterlijk en figuurlijk: van streek. De streken van zijn kompas moet hij dan nog kwijtraken. Alfred zou onder andere graag met zijn “hoofd naar voren, in de slaapzak kunnen kruipen …. als Arne er zijn slaapzak ook nog overheen gooit” staat halverwege hoofdstuk 34 (cursief in mijn origineel [iv]; jm). Zulke zinnen hebben in deze context een speciale betekenis, zoals in de loop van mijn betoog duidelijk wordt.
Het precieze tijdsverloop en de locaties zijn dus niet te reconstrueren. In ieder geval is er hoogstwaarschijnlijk veel meer tijd mee gemoeid dan de enkele momenten die MvD stipuleert en Hermans eventueel zou kunnen willen suggereren. Hermans zet Alfred en ons voortdurend faliekant op het verkeerde been.

Dit zijn de twee opvallendste zwakke plekken in MvD’s bewijsvoering die mij als eerste opvielen. In zijn betoog vind ik echter meer passages, waar ik waarschijnlijkere interpretaties tegenover denk te kunnen stellen.

Kom! Pas! Kom!

MvD vindt het incident met de kompassen in hoofdstuk 34 – dat de aanleiding vormt voor het weglopen van Alfred van Arne – “het meest ongeloofwaardige voorval uit de roman.” Waarom? Het enige dat uit de tekst valt te halen, is dat Arne blijkbaar een andere weg, route, wil volgen om bij het meer te geraken dan Alfred. Uit de tekst is niet eens op te maken of Arnes kompas een andere richting aangeeft dan Alfreds instrument. Alfred weigert op Arnes kompas te kijken. Beide kompassen kunnen best correct het zuidwesten aanwijzen.
“Op de kaart lijkt het of je er, niet door belangrijke obstakels gehinderd, bijna in rechte lijn naartoe kunt lopen.” Dat wil zeggen naar het meer, hetgeen in deze context een extra gewicht krijgt, omdat het symbool staat voor het vrouwelijke. Hieronder wordt duidelijk waarom. Arne kent het terrein, Alfred niet, maar Alfred is overstuur, verward en vol tegenstrijdige emoties door hetgeen er pas is gebeurd met Arne en hem. Ik schrijf ‘met’ omdat hij in hoofdstuk 33 beweert: “ Wàt ik ook doe, wàt mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst.” [v] Alfred zit bepaald niet te springen om zelfinzicht. Vlak voor deze passage denkt hij aan doodvallen en vlak erna ziet hij Arne vallen. Frappant dat hem het noodlot evenals zijn vader overkomt, terwijl of doordat hij omlaag gaat in een spleet tussen rotsen. In hoofdstuk 27 denkt Alfred: “De val die ik heb gemaakt, is een repliek van de fatale val die mijn vader maakte. Dezelfde kwade geest die hem in de afgrond geworpen heeft, heeft mij voortgestuwd naar soortgelijke avonturen als de zijne, om mij een soortgelijke dood te doen sterven. Maar het is mislukt. Ik heb mijn tol betaald. Ik heb het overleefd.” Al blijkt zijn noodlot in hoofdstuk 33, 34 misschien (deels?) een ander dan dat van zijn vader?
Zijn weglopen van Arne heeft niets van doen met het functioneren van kompassen of kunnen kaartlezen. Dit gedrag is een gevolg van de aangrijpende ervaringen welke onmiddellijk voorafgaan aan het incident met de kompassen.  Kom! Pas! Kom!

Het is goed mogelijk dat Alfred in die gemoedstoestand Arne bewust van zich heeft afgeschud, en zich realiseert (of wenst hij het geheim te houden?) dat niemand dat kan bewijzen: “Niemand zal kunnen beweren dat ik mij bij het aflezen van het kompas opzettelijk vergist heb, dat ik Arne met voorbedachten rade van mij af geschud heb …” Wat Hermans Alfred allemaal met zijn kompas laat uithalen en knutselen, dient louter om de lezer zand  in de ogen te strooien. Net als het gedoe met het horloge dat erna komt. Alfred blijkt tenslotte zonder horloge en kompas prima de weg te kunnen vinden.

ai, lady Macbeth ..

Hermans’ tekst doet ook mij ondermeer aan Shakespeares stuk Macbeth denken, maar vooral aan lady Macbeth, die gedreven door eerzucht haar echtgenoot aanzet tot zijn gruweldaad. Zij geeft hem figuurlijk dat zetje dat Alfred Arne volgens MvD letterlijk geeft, waardoor Arne doodvalt.
De weduwe Issendorf zet, na haar man de dood in gedreven te hebben vanwege haar hang naar de status van partner van een briljant wetenschapper, haar zoon aan de carrière van zijn vader voort te zetten, daarbij zijn vader met terugwerkende kracht te doden en desnoods zelf het leven te laten. Hermans manipuleert hier naar believen zowel de Oedipus-mythe als het verhaal van Shakespeare over Hamlet, door ze binnenstebuiten te keren, te spiegelen, ondersteboven en achterstevoren te houden, in stukjes te knippen en willekeurig opnieuw in elkaar te steken.

Sigmund Freud behandelt in zijn Droomduiding Oedipus en Hamlet naast elkaar op bladzijde 261 tot en met 265: “ In Oedipus wordt de fundamentele wensfantasie van het kind, evenals in de droom, aan het licht gebracht en verwezenlijkt; in Hamlet blijft ze verdrongen, en wij worden haar bestaan – analoog met de situatie bij een neurose – alleen gewaar door de remmende invloeden die ervan uitgaan.” (264)

Ik acht het zeer waarschijnlijk dat Hermans aan de hand van Freuds Droomduiding de karakters van Oedipus en Hamlet over Alfred en Arne verdeelde, daarbij met dichterlijke vrijheid te werk gaande. Denk aan de twijfelende Arne die voordat hij een foto neemt steevast perhaps monkelt, terwijl Hamlet bij Shakespeare de weifelaar is. Als Alfred hem in hoofdstuk 27 hierover bevraagt, bekent Arne dat hij geen nieuw fototoestel van zijn vader durft te krijgen. Dit vind ik zacht gezegd een opmerkelijke redenering. Alfred haat zijn moeder en Arne is afhoudend jegens de potentiële blijken van genegenheid van zijn vader. Wat zou Freud hiervan maken?

Op pagina 265 merkt Freud en passant op: “ Zoals Hamlet de relatie van de zoon met de ouders behandelt, zo berust het in de tijd dichtbij liggende Macbeth op het thema van de kinderloosheid.” Voor karaktereigenschappen van de ambitieuze Aglaia hoefde Hermans dus ook niet ver te zoeken. Op dezelfde bladzijde noemt Freud de naam Brandes, deze naam verschilt maar een letter met de naam van Alfreds vriend, Brandel. “Bovendien is het bekend dat Shakespeares vroeg gestorven zoon de naam Hamnet (identiek met Hamlet) droeg,” schrijft Freud op pagina 265. Hermans lacht zich een kriek.

Nota bene. Direct na de dood van haar man is Aglaia Issendorf met haar eigen carrière begonnen, vertelt Alfred in hoofdstuk 27 aan Arne: “Mijn moeder, zeg ik, is de grootste essayiste van Nederland. Ze is dat al vrij vlug na mijn vaders dood geworden en ze heeft het jaren volgehouden. Bovendien reist zij door het hele land om lezingen te houden. Zij is een onbetwistbare autoriteit. Zij is draagster van het Legioen van Eer en doctor honoris causa van de kleinste universiteit in Noord-Ierland …” Waarom ook niet? Tenslotte zijn haar initialen eveneens A.I., dus dezelfde als die van haar man en zoon en is “romanschrijven wetenschap bedrijven zonder bewijs.” [vi] Draai de laatste zin om terwijl je hem binnenstebuiten keert en je hebt Hermans’ idee over wetenschap – de natuurwetenschap uitgezonderd.

Aglaia Issendorf heeft na de dood van haar man haar zoon voor zijn dode vader ingewisseld als degene die haar de zo begeerde status moet bezorgen. In de tussentijd is ze vast voor zichzelf begonnen. Alfreds schampere beschrijving in hoofdstuk 27 van zijn moeders werkzaamheden is tegelijkertijd een sneer naar al die andere bedriegers waarvan de wereld is vergeven, die zijn moeder met haar voze werk als autoriteit erkennen, van haar stelen, haar klakkeloos napraten, zonder bronvermelding. Alfred: ”Ik heb soms medelijden met haar. Ik lees nooit een boek, bang te ontdekken dat ze er onzin over geschreven heeft. …..  Ach, mijn moeder is zo’n schat! Ik zou haar niet durven vragen of zij zelf vindt dat haar kritieken iets te betekenen hebben.”

MvD haalt uit het laatste hoofdstuk van NMS een interessante passage aan die mijn redenering over de substitutie van vader Alfred door zoon Alfred, lijkt te ondersteunen: “Ze heeft me alle bijzonderheden over Arne’s dood gevraagd, slaakt een diepe zucht en vat in enkele woorden samen waar het voor haar op neerkomt: -Het is een verschrikkelijk ongeluk, maar hoe dan ook, jij hebt het er tenminste goed af gebracht. Ik ben trots op je.” Hermans heeft de zin “Ze heeft ….. neerkomt” bij de vijftiende druk toegevoegd, vermeldt noot 9. Die toevoeging heeft de passage er volgens mij in meer dan een opzicht begrijpelijker op gemaakt. Aglaia Issendorf ondervraagt haar zoon zo gedetailleerd over het ongeluk, omdat zij benieuwd is of Arne op precies dezelfde wijze om het leven kwam als Alfred senior: heeft de zoon de vader vermoord. Waar het voor haar op neerkomt, is dat het – nog steeds – een verschrikkelijk ongeluk is, dus niet wàs. Zij heeft immers nog steeds niet waar ze naar haakt: de status van vrouw/moeder van een briljant geleerde. Dat haar zoon op zijn zachtst gezegd nogal lauw en laconiek reageert op de dood van zijn vriend belet haar niet trots op hem te zijn. Voor haar telt alleen dat Alfred nog steeds beschikbaar is voor haar project. Lady Macbeth verbleekt erbij. Ik ben vooralsnog geneigd Alfreds ambiguë houding jegens de dode Arne te duiden vanuit het dubbele gevoel dat hij er ten aanzien van Arne op nahoudt. Niet omdat hij een kwaad geweten zou hebben vanwege een moord. Uit het navolgende blijkt waarom.

de meteoriet

Alfred is dus niet verlost van de eerzucht en statushonger van zijn moeder, want hij heeft zijn vader immers nog niet voor haar gewroken. Alfred zal niet cum laude promoveren. Op grond van zijn mislukte onderzoek in Finnmark kan hij geen briljant proefschrift produceren. Toch krijgt hij nu al, dus vóórdat hij is gepromoveerd, het cadeau dat zijn moeder had bestemd voor zijn promotie. Dat cadeau blijkt de meteoriet te zijn die zijn vader vlak voor zijn dood voor Alfreds zevende verjaardag kocht.

Aglaia Issendorf heeft de meteoriet niet alleen jarenlang verdonkeremaand, maar hem in tweeën doen zagen (kloven, splijten) om er manchetknopen van te laten maken die ze haar zoon nu reeds geeft als voorschot. Dus eerst vertraagt ze, vervolgens transformeert ze door de steen in twee helften te zagen en tenslotte overhandigt ze de meteoriet vóórtijdig! Ze hernieuwt en verzwaart hiermee haar claim op Alfred; haar zoon zál promoveren en de carrière van zijn vader voortzetten om haar aan haar status te helpen. Ze zadelt Alfred op met een zware hypotheek waaraan ze hem boeit met de machetknopen.

Zijn promotiegeschenk heeft Alfred voortijdig van zijn moeder gekregen, maar het cadeau van zijn vader komt door haar vele jaren later dan bedoeld. Aglaia transformeert niet alleen het geschenk van de vader middels tijd en fysieke vervorming (zij maakt van natuur cultuur), maar verpakt het geheel bovendien als uitdrukking van vaders laatste wil – Alfred moet ook van zijn vader een briljante wetenschappelijke loopbaan verwezenlijken: “Ik ben zo trots dat je die beurs gekregen hebt, Alfred, en ik weet zeker dat je met een briljante dissertatie voor de dag zult komen. Als je vader dit nog had kunnen beleven! Och hemel, ik weet nog, toen het gebeurde, dat jij toen net in die periode was waarin je aan allerlei mensen vroeg of ze je niet aan een ‘meteoor’ konden helpen. Papa heeft daar een van de eerste tekenen van je wetenschappelijke aanleg in gezien.”

Voortaan zal Afred niet alleen zijn vader als last met zich meezeulen, maar ook nadrukkelijk zijn eerzuchtige moeder in zijn nek voelen hijgen.

het kloofdal, waar alles om draait

Hoofdstuk 33 begint aldus: “ ‘s Middags om drie uur zitten wij aan de rand van het diepste ravijn dat ik ooit gezien heb. Het is of een bijl van kosmische afmetingen de aardkorst hier heeft gekloofd. De wanden van de kloof zijn bijna loodrecht en met enorme scherpkantige rotsblokken bezet.”
Het kloven van de aardkorst, het intrappen en splijten van schedels en het doorzagen van een meteorietsteen, ze maken alle deel uit van hetzelfde web van onderlinge verwijzingen. Het ravijn dat hier wordt beschreven is een vergrote versie van de spleten waarin Alfreds kompas en zijn vader vallen: het is in feite niets anders dan een gigantische vagina dentata. De vrouwelijke vore, een vulva, een schede met tanden, die mannen castreert. In hoofdstuk 45 legt de Amerikaanse Wilma het aan Alfred uit aan de hand van de treksluiting van de gulp in haar broek. Ook Aglaia Issendorf is een vrouw die de broek aanheeft.

Wat gebeurt er in dat kloofdal tussen Alfred en Arne? Wat doen Osewoudt en Dorbeck in the Darkroom van Damokles?  Hermans lacht in zijn vuistje, want hij is nooit opgehouden zijn boeken te herschrijven zodat die boeken blijven wat ze waren, dat wil zeggen: wat ze al hadden moeten zijn nadat en voordat wij ze (her-)lezen.

Alfred komt er abrupt achter dat hij erotische gevoelens ten aanzien van Arne koestert. Arne is in deze context heel aannemelijk in de rol van verleider en inwijder van de groene Alfred: “Hij steekt het [i.e. zijn kompas; jm] naar mij uit of hij een chocoladereep presenteerde, maar ik weiger erop te kijken.” Hermans’ beschrijving van de duizelingwekkende afdaling in de kloof is de beschrijving van hun copulatie: “… nu ik Arne achternaloop en de diepte van de afgrond als een onzichtbare binnenstebuiten gekeerde vloedgolf op mij aanstormt: Wat ik ook doe, wat mij ook zal gebeuren, ik zal het niet hebben gewenst. Een geheim bewustzijn ontbloot zich. Op dit moment gaat een tipje van de sluier omhoog die over het hele leven ligt ….” De aanval in de rug waarover Hella Haasse het heeft, past hier prima in.
Alfred en Arne beleven wat in het Frans ook wel la petite mort wordt genoemd en steken daarna een sigaret op, wat meer mensen schijnen te doen na de daad. Hermans was een verwoed roker. De dialoog die Alfred en Arne aan het begin van hoofdstuk 34 voeren en die MvD als “merkwaardig” treft, is niet zo merkwaardig. Waarover praten mensen in zo’n situatie, na een heftige ervaring die vermoedelijk voor een van hen overdonderend als een complete verrassing kwam?

Gezien hetgeen er tussen hen voorviel, is het abrupt weglopen van Alfred in hoofdstuk 34 evenmin verwonderlijk. Alfred is compleet van zijn sokken geblazen en op zijn existentiële fundamenten teruggekwakt. Hella Haasse karakteriseert de gemoedstoestand waarin hij zich bevindt als: “een derde vorm van bewustzijn, die slechts tijdelijk van Alfred bezit neemt, en wel in de periode waarin hij, zonder zijn tochtgenoot Arne, moederziel alleen ronddoolt: een gemoedstoestand die zijn ontstaan dankt aan ‘the repressed material of the immensely powerful unconscious, the kingdom of darkness, […] bound to reappear in sickness, crime, madness – or in art and deeds of might’ … ” Dat vind ik geloofwaardig, hoewel een tikkeltje melodramatisch en theatraal geformuleerd, maar dat komt vast omdat sociale taboes en conventies kruien en moraal tenslotte “niets anders is dan een werkhypothese van tijdeljke duur.” (in: De donkere kamer van Damocles)

kunnen Kretenzers kompaslezen?

In de paragraaf “alle Kretenzers” komt MvD opnieuw op het kompas, ditmaal om aan te tonen dat Alfred een onbetrouwbare verteller is. Ik acht het aannemelijk dat Alfred in hoofdstuk 47 inderdaad tegen Eva zegt dat hij haar kompas heeft weggegooid. Ook als hij daardoor liegt. Een voor de hand liggende verklaring voor zijn liegen tegen Eva is dat hij zijn zuster liever kwetst dan toegeeft dat hij zo onhandig was om het kompas van een steen te stoten waarna hij het niet kon terughalen.
Op dit moment uit de kast komen en zijn moeder en zus vertellen dat hij ontdekt heeft dat hij homo is, kan van Alfred al helemaal niet gevergd worden. Want, let op de bewoordingen waarin hij motiveert waarom hij het kompas heeft weggegooid: “… want het wees toch maar de verkeerde richting aan.” Van de verkeerde richting zijn, betekent zeker in de tijd dat NMS werd geschreven: homosexueel of lesbisch zijn. Alfred loopt van Arne weg vanwege een kompas dat de verkeerde kant op wijst. Hij wil lijnrecht naar het meer, symbool voor het vrouwelijke. Compleet in de war doolt hij rond, waarbij hij zwalkt tussen een berg, een meer en een kloof. Dit is het beeld van een Hamlet tussen fallus en vulva, terwijl hij in wezen van beide niets moet hebben. Aan het slot van hoofdstuk 42 slaat Inger-Marie haar armen om Alfreds nek en geeft hem een lange kus: “Ik kus haar tenslotte nog twee keer op elke wang en loop in verwarring van gevoelens naar buiten.”
Indien Alfred in deze context liegt tegen Eva, maakt hem dat voor mij niet per se tot een onbetrouwbare verteller, zeker niet in morele zin.

Het diabolische aan deze situatie is dat Alfred door zijn queeste zichzelf (zijn sexuele identiteit) ontdekt, maar geen meteorietkraters. Voor Aglaia zijn de meteorieten belangrijk vanwege het proefschrift en de carrière, terwijl zij de andersgeaardheid van haar zoon hoogstwaarschijnlijk alleen als negatief voor diens carrière zal waarderen. In haar ogen zou Alfred dubbel mislukt zijn: geen proefschrift en als klap op de vuurpijl nog homosexueel ook.
De passages over fluiten, fluitles en fluitisten in de hoofdstukken: 7, 17, 27, 35, 38 en 45 vallen via Freud op hun plaats.  Ik heb met Alfred te doen. Het is niet niks waar W.F.H. hem mee opzadelt.

moordenaars …

MvD begint zijn artikel met het exemplarische opvoeren van de anonieme hoofdpersoon uit Het behouden huis en Henri Osewoudt uit De donkere kamer van Damocles. Hij kwalificeert hen als bruten. Zij behoren tot de Hermans-karakters die onder de ogen van de lezer moorden begaan en ermee wegkomen, schrijft hij in zijn slotparagraaf. Wat erger is: ze wekken bij de lezer begrip en sympathie. Hermans weet namelijk een uitzonderlijk perspectief te laten ontstaan, “dat de lezer welhaast medeplichtig maakt.” (cursief MvD; jm)
Wat NMS betreft, meent hij: ” … al sinds de roman verscheen tonen talloze lezers en critci hun begrip voor de miserabele omstandigheden waaronder de expeditie van de ‘arme Alfred’ mislukt, terwijl deze ondertussen wegkomt met het plegen van een moord en het vertellen van leugens.” Dat “uitzonderlijk perspectief” waarover MvD het heeft, behelst volgens mij een tamelijk conventioneel verteltechnisch ingrediënt, namelijk: extreme omstandigheden, die als hogedrukpan functioneren.
Gedurende oorlogssituaties en tijdens een strompelende martelgang over een toendra onder het permanente licht van de midzomernachtzon, reageren de meesten van ons vermoedelijk anders dan ze normaliter in hun gebruikelijke habitat plegen te doen, wanneer ze de kinderen naar school brengen, naar het werk gaan, hun echtelijke plicht aan elkaar vervullen en zaterdags de boodschappen inslaan.

Max van Duijn besluit met de raad aan de lezer die “zich alsnog van een rein geweten wil verzekeren” de roman te herlezen “en Alfred nog eens bladzijde voor bladzijde op zijn provisorisch in onschuld gewassen vingers te kijken.” Ik sluit me daar van harte bij aan, want Nooit meer slapen behoort tot de romans die naar mijn idee niet vaak genoeg gelezen kunnen worden. Wie weet, laat Alfred Issendorf zich bij een verrassende (her-)lezing alsnog op heterdaad betrappen.

 

[i]  in: Paranoia (2003: 90) Amsterdam; Van Oorschot

[ii] zie De Gids, nr. 4; 2012: 22 – 25

[iii] in: Doodijs en hemelsteen, in Raster nr. 2, jrg. 5, 1971: 177 – 206 en ook op internet te vinden

[iv]  Bij deze lezing gebruik ik de zesentwintigste druk uit 1997, uitgegeven door De bezige bij. Omdat de paginanummering per druk en uitgave verschilt en de 47 hoofdstukken kort zijn, verwijs ik naar hoofdstukken.

[v]  Pro memorie, Hermans (1974: 100 – 101): “Nederlandse romans gaan altijd over personages die geleefd worden en nauwelijks proberen op eigen houtje te leven. Predestinatie en fatalisme zijn oppermachtig…” in: Een Nederlandse detectivefilm? in: Het sadistische universum (Amsterdam; De bezige bij)

[vi]  W.F. Hermans (1974: 108) in: Experimentele romans,  in: Het sadistische universum (Amsterdam; De bezige bij)

 

# #  #

J. Mager (oktober 2012)

deze tekst is 25 februari 2016 op de site geplaatst; de digitale verwijzingen (links) zijn na die dag ingevoegd

* * *

http://literatuurmuseum.nl/verhalen/hermans/nooit-meer-slapen

http://www.maxpam.nl/2006/09/binnenkort-verwacht/

De dvd van Max Pam is zeer de moeite waard; een tijdje terug lag hij in de ramsj (jm)

  beslist ook leuk om te hebben:  www.literairnederland.nl/het-grote-willem-frederik-hermans-boek/

 

 

 
Leave a comment

Posted by on februari 24, 2016 in Kunst, leuke dingen voor de mens, literatuur

 

Tags: , , , , , , , , , ,

Comments are closed.